THUIS IN DE STAD
Els Overbeeke: ‘Het is Gods werk, maar wij moeten aan de slag’
Ed en Els Overbeeke hadden het goed in Tholen. Het was een prachtige plek om de kinderen groot te brengen, te wonen en te werken. Nu woont het echtpaar in een van de meest vervuilde straten van Rotterdam. Niet omdat ze aan lager wal geraakt zijn, maar omdat ze iets willen betekenen voor deze stad.
Els Overbeeke vertelt graag over de reden van de stap die zij en haar man gezet hebben om naar de stad te verhuizen waar haar man al werkte. ‘Ik ben zelf opgegroeid in Rotterdam. In 1986 zijn we getrouwd en in St. Annaland, op het eiland Tholen gaan wonen. We hadden het er goed naar ons zin. Maar toen de jongste uit huis ging, begonnen we te denken of het misschien tijd werd om naar Rotterdam terug te gaan. Onze vier kinderen woonden ook niet meer op Tholen. Er was veel wat ons daar bond, maar meer wat ons trok naar een nieuw begin in Rotterdam.’
ZAAGMOLENSTRAAT
‘Eerst gingen we in Ridderkerk wonen. We gingen op zoek naar een missionaire gemeente en kwamen terecht bij De Samaritaan in Rotterdam-Centrum (de Opstandingskerk). Dat klikte meteen. Deze gemeente heeft hart voor de stad, en we kwamen er mensen tegen die we nog kenden van de jeugdvereniging, want we zaten als jongeren soms ook in de Opstandingskerk. Maar het beviel niet om in Ridderkerk te wonen; dat was een voorstad, niet Rotterdam zelf. We zaten te ver bij onze kerk vandaan. We wilden verhuizen naar Rotterdam, maar het was lastig om een huis te vinden, die waren óf duur óf gammel.
Tijdens een bezoekavond met ds. René van Loon kwamen we langs een leegstaand huis in de Zaagmolenstraat. Ds. Van Loon kende christenen die in die straat woonden; we mochten bij hen binnen kijken. Het huis dat leegstond, was van buiten absoluut geen mooi huis en het was door de vorige bewoners redelijk uitgeleefd, ook al was het nog geen tien jaar oud. Om daar te gaan wonen, hebben we ervaren als een stap in geloof.
We zien veel nood in de stad: stille armoede, eenzaamheid onder ouderen, maar zeker ook onder jongeren. Dat zie je aan de gezichten, aan overmatig mobiel-gebruik, aan de hele uitstraling. Er is sprake van leegte in Rotterdam. Als Feyenoord wint, gaat de hele stad uit zijn dak; het is een buitenproportionele vreugde, een vervangende godsdienst.’
Op welke manier bent u actief in de kerk/ in de stad?
‘We zijn begonnen met een kinderclub in de Opstandingskerk. We willen graag een brug slaan naar de kinderen van de wijk. Er wonen in onze buurt vooral éénoudergezinnen en er is veel verborgen armoede. Het valt echter tegen om juist de kinderen van die gezinnen te bereiken. Er komen wel kinderen naar de club, maar die zitten vaak al ergens in een kerk. Naast arme gezinnen vormen kinderen van yuppen ook onze doelgroep. Je hebt hier de zogenaamde bakfietsstraten, straten waar moderne jonge mensen die geld hebben voor een bakfiets voor de kleine kinderen. Het is een kwestie van blijven proberen, en verschillende dingen proberen. We hebben geflyerd maar het mag nog niet baten. Er is geen natuurlijk verband tussen de gemeenteleden en de bewoners van de wijk. De gemeenteleden wonen hier voor het tweederde deel niet, en als ze hier wel wonen, gaan hun kinderen in Hillegersberg of Schiebroek op school. Er wonen veel kinderen in de buurt met een moslimachtergrond. Bij die ouders leeft niet vanzelf vertrouwen in ons als christelijke gemeente, wat goed te begrijpen is, het is toch een andere godsdienst en ze kennen ons niet.
Er is een leegte in Rotterdam. Als Feyenoord wint, dan gaat de hele stad uit zijn dak
Naast kinderwerk geven we thuis huiswerkbegeleiding aan een Marokkaans meisje. Mijn man helpt haar met wiskunde en ik met Nederlands. Het mooie is dat door zo’n langer durende relatie het vertrouwen groeit. De moeder van het meisje zei op een gegeven moment tegen ons: “Wat geven jullie haar veel liefde!”
Mijn man is voorzitter van de SIEOP, Stichting tot instandhouding van de Opstandingskerk en Prinsekerk. Deze kerken werden met sluiting en sloop bedreigd, maar een gelovige geldschieter zorgde in 1991 dat ze konden blijven bestaan. Er werd een stichting opgericht om het geld op een goede manier te verdelen, en het mooie is dat deze kerken nu weer voor twee derde vol zitten.’
BASISSCHOOL IN DE STRAAT
‘Momenteel geef ik geschiedenis op het Wartburgcollege, dat is een reformatorische school. Ik heb vroeger zelf op die school gezeten. Maar per 1 augustus ga ik aan de slag op een basisschool hier in de straat. Tachtig procent van de kinderen is van Turkse of Marokkaanse afkomst. De directeur van de school is een enthousiaste Surinaamse die zelf christen is. Het is een van oorsprong christelijke school. De dag wordt begonnen met een soort godsdienstig moment met een ‘kernwoord’ – met kernwoorden worden woorden bedoeld die de verschillen tussen de religies overstijgen. Ik mag wel bijbelverhalen vertellen. In mijn sollicitatiegesprek heb ik duidelijk gezegd dat ik christen ben. Dat vond de directeur juist mooi, als ik maar met wijsheid mijn christenzijn uitleef. Het gaat er vooral om dat ik in mijn daden laat zien dat ik christen ben.
U geeft aan dat het moeilijk is om de brug te slaan naar de kinderen in uw wijk. Hoe is het contact met de buurt?
‘Toen we drie maanden in ons huis woonden, hebben we alle buren persoonlijk uitgenodigd om te komen, en ze zijn allemaal geweest. We hielden open huis op een zaterdagmiddag en dat was enorm gezellig. Allerlei mensen kwamen langs, Kaapverdianen, Surinamers, autochtonen. Om de beurt lieten we hen aan het woord om over zichzelf te vertellen. Als we de buren op straat tegenkomen, roepen ze: ‘Dat gaan we nog een keer terugdoen, hoor!’
We zijn dankbaar voor ons huis. Van buiten is het betonnen geval in een onaantrekkelijke straat. Maar het is een thuis geworden, het is goed toeven. Verrassend genoeg zit er een tuin bij het huis van vijftien meter diep. We hebben een hulp in de huishouding die uit Iran komt. De mensen hier zijn gezellig, we hebben het erg naar onze zin.
We genieten ervan om samen met de buurt dingen te doen. Zo is er het Opzoomeren: samen met de buren zorgen voor een prettige straat om in te wonen, bijvoorbeeld de straat opknappen of een barbecue houden (een traditie die ontstaan is in de Opzoomerstraat die eind jaren tachtig van de vorige eeuw verpauperd was, red.). De gemeente geeft daar subsidie voor. Zo ging ik samen met de buurvrouw een middag voorlezen aan kinderen in het hofje bij ons achter. Het is een kwestie van over cultuurkloven heenstappen en zoeken naar hoe je dienstbaar kunt zijn aan je buurt.’
TERUGKEREN
‘Wij gingen 33 jaar geleden weg uit de stad. Maar wie de mogelijkheid heeft om terug te keren, moet dat vooral doen. In Psalm 72:16 staat: ‘De stedelingen zullen bloeien.’ Daar mogen wij ons voor inzetten. Ook als het niet gaat zoals je gehoopt had, zoals in ons geval met de kinderclub, mag je het overgeven. Het is Gods werk maar wij moeten aan de slag. We houden onze ogen en oren open voor waar Hij ons kan gebruiken.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's