De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ZOEKEN NAAR VERBINDING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ZOEKEN NAAR VERBINDING

Ds. J. van Oostende: Het Woord brengen vraagt creativiteit

12 minuten leestijd

Hoe maak je verbinding tussen het Woord van God en mensen, die zonder Christus verloren zijn? Voor ds. J. van Oostende (80), emeritus predikant in Putten, is dat de kern van het predikantschap. ‘Voor een theoloog is het wezenlijk dat hij geworteld is in de Schrift én in de maatschappij.’

‘Als jong predikant moet je bereid zijn om te leren. Ik werd op mijn 36e dominee, nadat ik eerst les had gegeven op een middelbare school en inmiddels vader van vijf kinderen was. Ik maakte onnodig fouten, ook in mijn opstelling naar mensen toe. Als je in de verdediging gedrukt wordt, ben je blij met een groepje medestanders. Maar ga je je op hen richten, dan gaat het mis. Dan kun je vergeten dat je het geheel van de gemeente dient. Probeer als predikant goed te luisteren en de ander, die jou lastigvalt, juist te vinden, in de hoop dat hij bewogen wordt en iets ziet van wat jou raakt. Probeer elkaar te zoeken en elkaar vast te houden. Misschien moet je de dingen eens op een andere manier zeggen. Roeping is fundamenteel om in kerk te kunnen werken. Daarom moet je moed houden, want je staat voor de zaak van God en Hij heeft je afgezonderd om dit werk te doen.’

PUBERTEIT

‘In de puberteit heb ik God losgelaten. Ik groeide op in het Groningerland, waar ik in aanraking kwam met een behoudende vorm van kerkzijn. Mijn vader was een nog degelijker bonder. Hij was hulpprediker, onder andere in Tange-Alteveer/Onstwedde, in milde, orthodoxe gemeenten. De geloofsbeleving in Groningen was eenvoudig en bijbels. Het is het geloof dat op God hoopt en op Hem en Zijn Woord vertrouwt. Dat is voor mij waardevol geworden. Tegelijk had je van huis uit als degelijk hervormden het gevoel: wij zijn anders dan ‘zij’. We hadden geen radio en geen verzekering.

Als jongen wilde ik predikant worden, maar op het gymnasium liep ik vast. Ik ging naar een christelijk lyceum in Stadskanaal, waar ik kennismaakte met een meer open geloofsbeleving. Van huis uit kende ik het onzekere: is het wel voor mij? Op school was het meer: je hoort bij God, Hij leidt je leven. Tijdens de godsdienstles behandelden we Filippenzen 2: ‘Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven.’ Zo staat het toch maar in de Bijbel, dacht ik, en ik zette er een dikke rode streep onder. Maar het ging verder met: ‘want het is God Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen’.

Bij het eerste zette ik een rode 1, bij het tweede een 2 en deed de Bijbel met een klap dicht. Toen ik thuiskwam, zei ik: ‘Ik ga niet meer voor het predikantschap.’ Ik meldde me aan bij de kweekschool de Driestar in Gouda.

Daar vond ik ook mijn vrouw, een Zeeuwse uit Middelburg.’

TOCH PREDIKANT

‘Veel later kwam God erop terug. Inmiddels gaf ik les op de mulo in Putten en hadden we al een gezin met vier kinderen. Op een zondag ging de preek over Jezus’ woorden ‘Volg Mij na, en Ik zal maken dat gij vissers van mensen zult worden.’ Dat raakte me wezenlijk, terwijl ik kerkelijk eigenlijk een meeloper was. Misschien moest ik toch nog dominee worden? Twee maanden later werd ik ook nog gekozen tot ouderling. ‘Ik ben niet eens bekeerd,’ zei ik tegen de predikant. Maar God zei: Ik kom er nu al op terug. Het werd een worsteling. Eigenlijk wilde ik het, maar kon dat zomaar?

Toen dacht ik aan de tekst over God Die het willen werkt. Toen ik deze opzocht in mijn oude zondagsschoolbijbel, kwam ik bij die onderstrepingen. Er stonden een 1 en 2 bij, maar nu ervoer ik de volgorde precies omgekeerd. Dat was een godsopenbaring. Ik heb het ouderlingschap aanvaard en de opleiding afgemaakt. Mijn schoonvader, die ouderling in de Gereformeerde Gemeenten was, heeft ons gezin onderhouden, zodat ik de studie niet pas na een zaterdagcursus van twaalf jaar maar al na vier jaar afrondde.

Mijn achtergrond heeft mijn predikant zijn bepaald. Thuis was het strak, degelijk, en waren er weinigen die zalig werden.

De gedachte aan een schare wachtenden op bekering heeft me altijd benauwd, en maakte mij in mijn predikantschap wervend en ruim. Ik was ervan overtuigd dat het Evangelie ruim en nodigend is. Mijn vader was voluit een prediker van Christus en wars van preken die alleen bevinding brachten, waar de beleving van Gods volk centraal staat. Dat hield ons verbonden.

‘Ik zal maken dat u vissers van mensen wordt’, betekent voor mij dat ik me moet inleven in het denken van de ander, om te zien hoe ik verbinding maak tussen zijn leven en Gods Woord. Ik luister goed en indringend naar mensen en probeer me in te leven in hoe ze zijn.’

OPDRACHT

‘Gaandeweg heb ik gemeenten zien veranderen naar open gemeenschappen. In 1974 ben ik bevestigd als gemeentepredikant, in Meerkerk. Gemeenten waren toen sterk gericht op ‘bewaren’, terwijl ik nu meer een beweging naar ‘werven’ waarneem. Hoe houden we mensen vast, is een belangrijke vraag geworden. Als ‘bewaren’ traditie wordt, dan is dat niet goed. Bewaren moet altijd zo zijn dat je bewaart in de tijd waarin je leeft. Hoe we het Evangelie moeten brengen, moet altijd opnieuw bezien worden. De vraag is dan hoe we verbinding houden met de mensen om ons heen. De Bijbel moet de Bijbel blijven, maar je hebt de opdracht om vindingrijk te zijn om te zien hoe het Woord kan landen.

Dat heeft mij altijd beziggehouden. Vandaar dat ik me in mijn eerste gemeente bij de GZB meldde voor uitzending. Omdat onze kinderen in de puberteit waren, is dat ons afgeraden. In plaats daarvan kwam ik in 1978 in het GZB-bestuur en werd ik al snel voorzitter van de sectie Latijns-Amerika. Ik ben daar actief geweest, heb veel gereisd en gezien hoe kerk-zijn er in andere landen uitziet. In 1994 werd ik algemeen secretaris van de GZB.

In 1976 kreeg ik de uitnodiging om mee te gaan naar de Leicesterconferentie, de jaarlijkse predikantenconferentie van de Banner of Truth Trust. Deze heb ik een flink aantal jaren bezocht, wat me geholpen heeft in mijn eigen ontwikkeling. Het open en nodigende reformatorischevangelische denken dat ik daar vond, sprak me sterk aan.

Het beroep vanuit Meerkerk was voor deze gemeente het 23e beroep. Er was een sterk confessionele stroming en ik was de laatste hervormd-gereformeerde die benaderd zou worden. Ik had altijd gedacht dat ik naar Oene zou gaan, waar ik als kandidaat veel preekte, maar dit zag ik als Gods leiding. Voor een deel van de gemeente was ik een te zware dominee. Na vier jaar ging ik naar Oud-Beijerland, waar ik met dezelfde prediking de lichte dominee was. Zo’n positie maakte me los van wat mensen in de kerk allemaal vinden; dat werd onnodige ballast voor me.’

OVERLADEN PREEK

‘Als beginnend predikant moet je alles leren. De eisen zijn hoog. Je studeert en vindt veel wat je met de gemeente wilt delen. Je wilt ook iedereen ‘bedienen’. Toch is dat niet goed. Toen ik bij mijn veertigjarig predikantschap mijn Oud-Beijerlandse intreepreek opnieuw hield, heb ik een derde ervan geschrapt. De preek was overladen en niet behapbaar; ik wilde veel te veel zeggen. Ik preek nu korter, in korte zinnen ook. Iedereen maakt een ontwikkeling door. Je begint en staat in contact met mensen. Bij een deel van mensen landt je boodschap niet, al heb je de beste bedoelingen. Misschien was ik te leerstellig. Meer en meer ben ik er in elk geval van overtuigd geraakt dat het gaat om de Bijbel, om het Woord van God, om Jezus Christus, de Opgestane. Het is onze opdracht om de mensen met Hem in aanraking te brengen.’

KOSTBARE SCHAT

‘Het Evangelie is zo’n kostbare schat. Ik heb bewondering voor pioniers in de kerk, die zoeken hoe we het Evangelie in verbinding kunnen brengen met mensen om ons heen. Je ziet dat een andere gemeenschap van mensen opkomt. Hoe wijst de Geest ons de weg in alle uitdagingen die onze maatschappij aandraagt? Hoe houden we verbinding met elkaar?

Laten we bereid zijn om onder ogen te zien dat dingen misschien anders moeten dan we gewend zijn. Dat is belangrijk. Dat is de toekomst van de kerk, en die is heerlijk, is zonnig, is goed. De kerk leeft, is helemaal niet op sterven na dood. Alles moet in beweging zijn, want de Geest beweegt. Verstarring is dodelijk. De Geest beweegt ook kerkelijke gemeenschappen dat ze omzien naar wie Christus nog niet kennen.

Als je in gemeenten weerstand ondervindt omdat het soms anders gaat dan hoe het was, dan is dat niet bijbels. Je leest in Handelingen 11 dat de discipelen in Antiochië Jezus als Heer verkondigen, en niet Jezus als de Christus. In het zoeken naar verbinding met de heidenen gaat de Kurios, Heere, voorop: dat was voor hen onder de Romeinen bekend. Christus is de Messias, maar ook de Kurios. In deze setting moest het Evangelie zo verkondigd worden. Zo werkt de Geest. Je doet niks af aan het Evangelie. Je brengt dezelfde boodschap maar zoekt een andere opening.

Als orthodox kerklid moet je je steentje bijdragen. We zijn geroepen om onze plek in te nemen, ook al moet je lijden aan de kerk. Het spreken van de kerk is sinds de fusie veertien jaar geleden niet minder bijbels geworden. Natuurlijk houd je vraagtekens, maar dat is altijd geweest. In het algemeen is het naar mijn gevoel inhoudelijk beter geworden.’

MINDER MEELOPERS

‘Vroeger waren er meer meelopers, die naar de kerk gingen omdat het moest. Ik heb het gevoel dat dit ten goede veranderd is, al is het verdrietig dat jonge meelopers zijn weggegaan. Het lijkt een verlies dat de kerken leger zijn dan vroeger, en dat is ook zo. Als mensen er niet bij zijn, horen ze het Evangelie ook niet. Maar degenen die er zitten, zijn meer betrokken, ook jongeren. Dat maakt dat de gemeente levendiger is. Het Woord gaat erin. Ik heb me erin getraind om tijdens het preken niet te kijken naar de ongeïnteresseerden. Ik zie alleen een schare die voor het Woord komt en dat wil ontvangen, omdat ze anders de nieuwe week niet in kan.


Ik heb me getraind om tijdens het preken niet te kijken naar de ongeïnteresseerden


In onze seculiere setting merk je sterk dat het Evangelie niet naar de mens is. De kracht van de Geest is nodig om te maken dat iemand God ziet en gelooft. Als de kerk daarmee blijft worstelen, dan is er hoop.

Je ziet een beweging van het grote naar het kleine, van een massale kerk naar kringen. Ik vind dat een positieve ontwikkeling, omdat je in gesprek bent met elkaar. Je praat met elkaar over het Woord.

In Peru was een gemeente van honderd mensen het maximum. Kwamen er meer, dan werd er een nieuwe gemeente gesticht. Het is mooi als je op bijbelkringen puur met het Woord bezig bent. Wat je al niet ontdekt als je gewoon met de Bijbel bezig gaat! Het is iets moois om de bijbelwoorden tot je te laten komen. Laat het kleine zijn waarde bewijzen: laten we ons samen door de Bijbel laten gezeggen en ons verheugen over het heil dat God almaar door naar de mensen brengt.’


DS. VAN OOSTENDE

Jacob van Oostende wordt in 1938 geboren in Amstelveen en groeit op in Leek en Tange-Alteveer/Onstwedde in Groningen. Zijn vader is daar hervormd-gereformeerd voorganger. Jaap start op het lyceum maar stapt in 1954 over naar de kweekschool. Hij wordt leraar Engels en Nederlands, handelskennis en geschiedenis op een mulo in Oostburg en later in Putten. Intussen maakt hij het gymnasium af en wordt in 1970 student godgeleerdheid. In 1974 neemt hij een beroep aan van de gemeente Meerkerk. Daarna volgen Oud-Beijerland (1979), Ederveen (1984) en Genemuiden (1989). Vanaf 1994 is hij algemeen secretaris van de GZB, waar hij sinds 1978 bestuurslid is. In 2004 benoemt de synode hem in de generale raad van advies. Hij is bestuurslid van het Smijtegeltfonds, dat preken uit de Nadere Reformatie hertaalt. Het echtpaar Van Oostende woont in Putten, heeft vijf kinderen, achttien kleinkinderen en vier achterkleinkinderen.


JOHN STOTT EN C.S. LEWIS

Voor twee Britse christelijke denkers heeft ds. Van Oostende veel bewondering. De eerste is de theoloog John R.W. Stott (1921-2011), die ‘enorm goed de Bijbel kan uitleggen en toepassen, ook op ontwikkelingen en gebeurtenissen in de maatschappij. Hij denkt bijbels en breed. De mede door hem opgezette serie The Bible Speaks Today heeft me erg geholpen om te kijken naar wat er staat en wat de boodschap voor vandaag is. Dat Stott zich liet cremeren, kan ik weer niet begrijpen.’

C.S. Lewis inspireert ds. Van Oostende niet minder. ‘Net als Stott is het iemand bij wie je de verbinding geloof en maatschappij vindt. Met zijn radiopraatjes bereikte Lewis, die van atheïst christen werd, in de Tweede Wereldoorlog de hele maatschappij. Ook bij hem is het de Bijbel die hem leidt en tegelijk staat hij open voor de samenleving. Beiden proberen mensen om zich heen te begrijpen, dingen aan te reiken, terwijl ze hopen en bidden dat de Geest het Zijne ermee doet. Voor een theoloog is het wezenlijk dat hij geworteld is in de Schrift maar ook in de maatschappij.’


Tineke van der Waal is freelance journalist en lid van de redactie van De Waarheidsvriend.


TERUGBLIK VAN EEN THEOLOOG

De redactie van De Waarheidsvriend houdt een serie vraaggesprekken met theologen die met emeritaat zijn, waarbij de focus ligt op door hen waargenomen ontwikkelingen.Hoe hebben zij zich hiertoe verhouden en hoe zochten zij in een wisselende kerkelijke context in hun beleid en belijden een consistente lijn?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 2018

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

ZOEKEN NAAR VERBINDING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 2018

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's