LEREN, REGEREN, DIENEN
Het ambt [1]
Het ambt is onmisbaar en hoort bij de orde van Gods volk, zowel onder het oude als onder het nieuwe verbond. Zo heeft de Drie-enige dat gewild. Daarom is deze orde en derhalve ook het ambt een heilige en onopgeefbare zaak.
Haal het ambt uit de Bijbel weg en hij is per direct een stuk dunner. Calvijn aarzelt dan ook niet te stellen: ‘Het ambt van apostel en herder om hier op aarde de kerk in stand te houden is veel noodzakelijker dan het licht en de warmte van de zon of eten en drinken om dit tijdelijke leven te onderhouden.’
Eindeloos is de stoet van hen die het ambt dragen en die we vanaf Genesis tot en met Openbaring aan ons voorbij zien trekken: priesters en profeten, richters en koningen, apostelen en evangelisten, herders en leraars, opzieners, ouderlingen en diakenen. Voorop gaat de Ambtsdrager bij uitstek: Christus, onze hoogste Profeet, onze enige Hogepriester, onze eeuwige Koning. Hij en al de anderen dragen de belofte mee van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde om die uit te delen aan iedereen die het horen wil. En het is hun opdracht om al degenen die beneden staan, onder een boom (zie kader), laag bij de grond (zoals Maria zong), bij die belofte te bewaren.
IN DE GRONDTEKST
Wanneer we in de Schrift op zoek gaan naar het woord ‘ambt’, is het vooralsnog spannender om een vertaling te raadplegen dan de grondtekst. In de Naardense Bijbel komt het woord amper voor, in de Petrus Canisius daarentegen frequenter en bij specifieke teksten. In de Herziene Statenvertaling (HSV) lezen we het minder dan in de Statenvertaling, waarin het met name in Kronieken staat. Voorts komen we in diverse vertalingen termen tegen als opzienersambt, priesterambt, Bischofsamt (Luther).
We werpen toch ook een blik in de grondtekst. Ik denk ten eerste aan het werkwoord qahan (vergelijk cohen, priester), dat je enigszins statisch kunt vertalen met ‘het priesterambt bekleden’ maar ook meer actief met ‘dienst doen als priester’.
Voor het Nieuwe Testament denken we aan het woord ‘bediening’, diakonia, dat we vooral bij Paulus tegenkomen. Twee uitspraken van hem: ‘God heeft ons met Zichzelf verzoend door Jezus Christus en heeft ons de bediening (het ambt) der verzoening gegeven.’ (2 Kor.5:18) En: ‘Ik dank Christus Jezus, onze Heere, Die mij in de bediening, (in het ambt) gesteld heeft.’ (1 Tim.1:12).
Hoe ver echter komen we als we, naar een woord van dr. O. Noordmans, ‘gewapend met een concordantie en wat commentaren’ een bijbelse ambtsleer in elkaar willen zetten? Stuiten we dan op een gereformeerde kerkenraad? Of komen we eerder uit bij een bisschopszetel en de pauselijke stoel? Of kunnen we zeggen: als we de Schrift goed en verantwoord uitleggen, blijkt het om het even welke figuren een woord van Godswege spreken en aan de gemeente leidinggeven; hoe we dat organiseren, is een zuiver praktische kwestie.
SCHRIFTBEROEP
Doen we dus een marginaal beroep op de Schrift? Er zijn immers de nodige verschillen aan te wijzen tussen bijvoorbeeld onze bevestigingsformulieren en dat wat wij in de Vroege Kerk en in de Schrift over het ambt vinden.
Daar komt bij dat ook wij op de een of andere manier moderne theologen zijn vanwege een zekere ‘hermeneutische terughoudendheid’ die we met ons meedragen. Daardoor zijn we (over-) gevoelig voor een al te rechtstreeks beroep op de Bijbel.
Toch zou het niet juist zijn om het schriftberoep achterwege te laten. Als dat gebeurt, snijden we de kerk met alles wat haar tot kerk maakt, van haar wortel af. Daarom hebben we, ook en juist als we nadenken over het ambt, terug te gaan op de Schrift.
Dat is niet minder dan een werk van het geloof. Dat geldt de kernen van ons belijden, maar evenzeer wat we te berde brengen over kerk, ambt en gemeente.
Zo zijn ook Luther en Calvijn op de Schrift teruggegaan, toen ze voor hun kerk een organisatie zochten. Ze moesten wel. Zonder de Schrift zouden ze het niet gered hebben. Ze pasten een hermeneutiek toe die niet samenvalt met Gods eigen hermeneutiek, maar daaraan toch door de leiding van de Heilige Geest op verborgen wijze deel heeft.
Terecht belijdt onze Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) dan ook (art.30): ‘Wij geloven dat de ware kerk geregeerd moet worden in overeenstemming met de geestelijke orde (politie) die onze Heere ons in zijn Woord geleerd heeft.’
DRIE TAKEN
Wat leert dat Woord? In elk geval twee dingen. Ten eerste dat er in al het gemeentewerk drie onderscheiden taken zijn waardoor de gemeente bij Christus wordt bewaard, namelijk de bediening van het Woord, de uitoefening van opzicht en tucht en het diaconaat.
Of op nog kortere formule gebracht: leren, regeren, dienen. Dat zijn de drie fundamentele functies waartoe we het ambtelijk bestel kunnen reduceren en die een zekere volledigheid bezitten. Ze zijn als concentrische cirkels, waarvan de woordbediening de binnenste cirkel en dus het hart vormt. Zowel in de NGB als in de klassieke bevestigingsformulieren vinden we deze taken nader omschreven.
Verder leert de Bijbel dat deze taken de gaven (domata) zijn die de ten hemel gevaren Christus Zijn gemeente schenkt om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon (Bijbel in gewone taal: om goede christenen te worden), om de gemeente als het lichaam van Christus op te bouwen en om haar bij het heil in Christus te bewaren (Ef.4).
Ambten zijn dus gaven. Er is een nauw verband tussen de domata van Efeze 4 en de charismata uit Romeinen 12 en 1 Korinthe 12 die de Heilige Geest schenkt aan ieder afzonderlijk lid van de gemeente. Ambt en charisma worden ten onrechte wel eens tegen elkaar uitgespeeld. Het ambt is er juist om de charismata te mobiliseren en in te schakelen, zodat God geëerd, de naaste geholpen en de samenleving gediend wordt. Van meet af aan gaat in het Nieuwe Testament het charismatische hand in hand met het institutionele.
UITGANGSPUNTEN
Wat ook een grote rol speelt in het denken over het ambt, is waar en bij wie wij voor anker gaan. Het zou zomaar kunnen zijn dat dat doorslaggevender is dan een exercitie in exegese. Daarom, wat zijn onze uitgangspunten, onze axioma’s? Ik leg hier mijn eigen kaarten op tafel. Het zijn er vijf. Mijn eerste uitgangspunt is dat het bijzondere ambt níet opkomt uit het algemene ambt der gelovigen. Zeker, Luther had gelijk toen hij zei dat alles wat uit de doop gekropen is, reeds is gewijd tot priester, bisschop en zelfs tot paus. En Petrus schreef al (1 Petr.2:9) dat wij ‘een koninklijk priesterschap’ zijn. Men moet dat echter niet uitspelen tegen het specifieke ambt, dat van Godswege gegeven is om de kerk te bewaren bij het geloof en in het gemeente-zijn zijn eigen verworteling heeft.
Dat betekent niet dat de gemeente buitenspel wordt gezet. Zij is er met haar voorbede, haar roeping, haar al dan niet terechte kritiek, haar activiteiten. Niet voor niets vraagt het formulier aan de te bevestigen ambtsdragers of zij in hun hart gevoelen dat ze wettig door Gods gemeente geroepen zijn.
Uit het ‘mitsdien door God Zelf’, dat er meteen op volgt, blijkt echter dat God Zelf de hand heeft in de aanstelling van deze broeders. De roeping tot het ambt komt uiteindelijk bij Hém vandaan, want het ambt zelf komt bij Hem vandaan. Het functioneert wel binnen de gemeente, maar is niet gefundeerd in de gemeente.
TEGENOVER
Dit bijzondere is er omwille van het tegenover van het ambt, het tweede uitgangspunt.
De levende God Zelf is door middel van het ambt bezig. Daarin treedt Hij op, in een vol tegenover met de Zijnen. In dit verband horen de bekende teksten uit Mattheüs 16 en Lukas 10, die in iedere ambtsleer geciteerd worden: ‘Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven; wat u bindt op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en wat u ontbindt op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.’ (Matt.16:19) En: ‘Wie naar u luistert, die luistert naar Mij; wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Hem Die Mij gezonden heeft.’ (Luk.10:16)
Met andere woorden: wie met een ambtsdrager te maken heeft, heeft met God Zelf te maken. Dat klinkt zeer aanmatigend. Tal van gevaren liggen op de loer, niet het minst bij degenen die het ambt dragen. We weten van de ontsporingen waar de geschiedenis en de actualiteit helaas vol van zijn. Als ome Gerrit niet uit zijn boom komt en zich weer gewoon tussen zijn dorpsgenoten voegt, gaat alles mis.
Ds. H.J. Lam uit Barneveld is geestelijk verzorger in De Engelenburgh en de Freule Lauta van Aysmaflat in Veenendaal.
OME GERRIT
Persoonlijk heb ik hem niet gekend, maar toch moet ik vaak aan hem denken: ome Gerrit, een oude man uit lang vervlogen tijden, die woonde in een afgelegen dorp met zijn eigen rituelen en gewoonten. Onopvallend ging hij zijn weg te midden van zijn dorpsgenoten. Maar af en toe klom hij in een hoge boom, terwijl onder die boom het volk zich had verzameld en riep: ‘O God, geef ons graan, wil toch regen zenden.’ Dan riep de oude man naar beneden: ‘Ik heb jullie geroep gehoord, ik zal regen en graan geven.’
Een apart ritueel, een liturgie welhaast. Natuurlijk, iedereen weet dat daar hoog in de boom ome Gerrit zit. Hij weet het zelf ook en verbeeldt zich niets. Wel blijkt uit dit oude verhaal hoe graag een mens iemand wil hebben die hem vanuit de hoge iets zegt, die hem van Godswege áánzegt dat zijn dor en dorstig land, dat zijn ziel regen mag verwachten. Door heel de Schrift heen ontdekken we dat God met het oog daarop het ambt heeft gecreëerd.
Volgende keer het tweede deel, over het belang van de ouderling.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's