OUDERLING STAAT CENTRAAL
Het ambt [2]
Een ambtsdrager is niet boven anderen verheven. Toch kent God ambtsdragers een bepaald gezag toe, zodat de gemeente op haar beurt gehoorzaamheid aan hen verschuldigd is. We voelen het tegendraadse hierin, zeker anno 2018.
Maar zou daarom het bekende woord van Calvijn over een uit het stof verrezen mensje niet nog meer opgeld doen dan ooit? Dat het zo’n mensje is, heeft ten diepste te maken met de ergernis en de dwaasheid van het Evangelie.
OEFENING IN NEDERIGHEID
We citeren de uitspraak in een wat wijder verband: ‘God woont niet met een zichtbare tegenwoordigheid onder ons. Hij maakt ons mondeling Zijn wil bekend. Daartoe gebruikt Hij de dienst van mensen waarin zij als het ware Zijn plaats innemen, niet om daarmee Zijn recht en eer op hen over te dragen, maar alleen om Zijn werk door hun mond uit te voeren.
God zou dit best zelf kunnen doen, zonder enig ander hulpmiddel, of door engelen. Toch doet Hij het liever door mensen. Ten eerste omdat Hij zo Zijn genade jegens ons laat zien: Hij gebruikt ménsen om Zijn gezanten te zijn en Zijn wil te vertolken, kortom, om Zijn persoon te vertegenwoordigen.
Ten tweede omdat het voor ons een zeer goede en nuttige oefening is in nederigheid door ons het Woord te laten prediken door mensen die onze gelijken zijn of zelfs minder. Als God Zelf uit de hemel zou spreken, zou het geen wonder zijn als Zijn woorden met eerbied ontvangen werden. Wie zou niet huiveren bij zoveel goddelijke majesteit?
Maar wanneer een of ander mensje, uit het stof verrezen, in naam van God spreekt, dan geven wij blijk van onze eerbied tegenover God, als wij ons bereid tonen ons door Zijn dienaar te laten leren, hoewel die ons in geen enkel opzicht overtreft. Doordat God de schat van Zijn hemelse wijsheid in breekbare vaten verbergt, ontvangt Hij een des te zekerder bewijs ervan hoeveel waarde wij aan Zijn schat hechten.’
HOGE EISEN
Calvijn vervolgt: ‘Toch is het feit dat Gods ambassadeurs slechts stoffelijke mensjes zijn geen reden om geen hoge eisen te stellen aan de dienaren van het Woord. Integendeel. Ze moeten geschikt zijn voor hun ambt, gezond in de leer, een heilige levenswandel hebben en niet bekend staan om een gebrek dat hen van hun gezag zou beroven en het ambt in diskrediet zou brengen.
En verder is er natuurlijk de zekering van ‘de Raad der Kerk’ (NGB), of zoals Ignatius hem noemde: ‘de Senaat Gods’. Want het is goed dat bij de dienaren van het Woord mederegeerders gevoegd worden, opdat daardoor uit Gods gemeente alle tirannie en heerschappij wordt geweerd (bevestigingsformulier). Die kunnen makkelijk ontstaan als slechts één of zeer weinig personen in de gemeente het voor het zeggen hebben.
DE OUDERLING
Het derde uitgangspunt in het denken over het ambt is het belang van de ouderling, de presbyter.
Naar hem is ons stelsel van kerkregering genoemd: presbyteriaal. Hierachter zit de overtuiging dat de figuur van de ouderling bepalend is voor de manier waarop wij de gemeente leiden en weiden. Dus niet de bisschop, niet de predikant, niet de diaken, niet het individuele gemeentelid. De tweede bijnaam is synodaal. Deze heeft te maken met het inzicht dat de vergaderingen van de kerk heenwijzen naar de Heilige Geest, door Wiens dienst de ambtsdragers in eendrachtig overleg en tegelijk in alle verscheidenheid zoeken naar de wil en de weg van God met het oog op de gemeente(n).
Wanneer Calvijn de ouderling naar voren schuift, is het alsof de Geest in de geschiedenis der kerk komt met een nieuwe inzet. Met name dr. O. Noordmans is onder de indruk geweest van Calvijns denken op dit punt. Hij heeft het over de wereldhistorische maat van diens exegese, die aan het leven in West-Europa zijn vorm heeft gegeven.
Dat Calvijn bij de ouderling is uitgekomen, is volgens Noordmans te danken aan een mystieke doop in de gegevens van de Schrift. Dat klinkt enigszins ongrijpbaar. Maar hij wil ermee aangeven dat een ambt een kerkelijke vorm is, uit de Bijbel afgeleid, waarin iets van de macht der schepping ligt en waar God Zelf de hand in heeft. Daar moeten we dan ook niet te veel aan sleutelen.
OPZICHT
Waarom is de figuur van de ouderling van zo’n groot belang? Omdat de gereformeerde reformatoren wilden dat de gemeente van Christus een heilige gemeente zou zijn. Met het oog daarop werd de kerkelijke tucht ingesteld. Deze mocht niet de zaak zijn van een enkeling – ze werd in handen gelegd van een college: het presbyterium of het consistorie. Het bevreemdt dan ook niet dat het opzicht over de gemeente, de censura morum, de eerste taak is die ons formulier noemt voor de ouderling.
DOOR DE TIJD HEEN
Nu moeten we even pas op de plaats maken, als het gaat om de titel ouderling. Is de ouderling zoals wij die heden ten dage kennen dezelfde als uit ons formulier? Deze vraag vereist een genuanceerd antwoord. De kerntaak is hetzelfde: de gemeente bewaren bij het overgeleverde geloof.
Toch denk ik dat onze huidige ouderling meer herder is en die uit het formulier meer regeerder. Bovendien zijn bij onze ouderlingen ook andere taken terechtgekomen, zoals jeugdwerk, evangelisatiewerk, kringwerk. De ouderling uit het formulier heeft meer weg van Calvijns anciens in Genève, van wie er verschillenden connecties hadden met het stadhuis. Het was nog de tijd van het corpus christianum.
De presbyter in de Schrift is nog weer een iets andere figuur. Opnieuw: niet anders als het gaat om de kerntaak, maar wel met andere trekken. Waar onze ouderlingen meer de levieten zijn, staat de presbyter uit het Nieuwe Testament dichter bij de episkopos, de opziener. Meer nog, hij is in wezen dezelfde figuur, het gaat om hetzelfde ambt.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit Handelingen 20: Paulus laat de ouderlingen van Efeze bij zich komen. Wanneer ze gearriveerd zijn, zegt hij tegen hen: ‘Pas goed op uzelf en op de hele kudde waarover de Heilige Geest u tot opzieners heeft aangesteld.’ Het blijkt ook uit de pastorale brieven: opzieners en ouderlingen zijn inwisselbare titels. Ook de ‘engel der gemeente’, aan wie Johannes vanaf Patmos zijn brieven schrijft, is zo’n opziener.
BISSCHOP
In de tweede eeuw verandert het beeld: de leider van de gemeente is dan de episkopos, de opziener. Als we dit Griekse woord vernederlandsen, krijgen we ‘bisschop’.
Alleen is dat een woord geworden waar wij de nodige moeite mee hebben, omdat wij vooral de bisschop uit de latere kerkgeschiedenis kennen met zijn financiële en politiek macht.
Een bisschop in de Vroege kerk is echter een andere figuur. Hij is in de lokale gemeente de centrale persoon, die onderricht geeft en andere ambtsdragers ordineert. De ware bisschop is dus de plaatselijke bedienaar van Woord en sacrament. Hij wordt omringd en bijgestaan door de presbyters, terwijl ook de diakenen ondersteuning bieden. Opmerkelijk is van meet af de vanzelfsprekendheid van deze driedeling in wat we lezen bij de apostolische vaders en de kerkvaders.
SLEUTELMACHT
Ik heb deze royale pas op de plaats nodig om uit te komen bij mijn vierde uitgangspunt: de uitoefening van de sleutelmacht – dus niet het bezit – is voorbehouden aan de ambtsdrager die daartoe geroepen en bevestigd is.
Dat is in onze kerk de presbyter die het heilige ambt draagt van herder of dienaar des Woords. In de zondagse eredienst deelt hij de belofte van Gods heil uit en opent hij het hemelrijk voor iedereen die deze belofte in het geloof aanneemt en betuigt hem dat hem al zijn zonden om Christus’ wil vergeven zijn. Hij sluit echter de poort voor wie zich niet bekeert en betuigt hem dat Gods toorn en eeuwig oordeel op hem liggen, aldus onze Heidelberger (zondag 31). Ook in pastoraat en catechese draait het uiteindelijk hierom.
Met andere woorden: de verkondiging van het Evangelie is een ambtelijk gebeuren dat zijn inbedding heeft in de samenkomst van de gemeente en in haar liturgie. Daarom spreken we altijd met een zekere plechtstatigheid over ‘de bediening van het Woord’. Zij is voorbehouden aan hem die daartoe wettig door Gods gemeente en mitsdien door God Zelf geroepen is en onder handoplegging de Geest en bekwaam makende genade ontvangen heeft. Bijbelkring, meditatie, toespraak, zondagsschool – hoe waardevol ook en hoezeer gebruikt ook door de Geest – is onderscheiden van de ambtelijke bediening van het Woord: zij is rijker, voller, verstrekkender.
Waar zit ’m dat in? In het feit dat God juist in en door de verkondiging Zijn heil aan ons vermaakt. Hij wil dat Zijn heil óns heil zal worden. Dat gebeurt als het ons gezégd, verkóndigd wordt en de Geest het vastmaakt in ons hart. Het ligt immers op geen enkele manier in onze rede of in onze existentie. Het komt van buitenaf op ons toe. Hoe zouden wij het er ooit voor kunnen houden dat wij, verloren zondaren, voor God tot in alle eeuwigheid zullen bestaan, als het ons niet met ambtelijke volmacht werd gezegd, betuigd, op grond van de realiteit van Christus’ kruis en opstanding? En dat elke zondag weer.
Ds. H.J. Lam uit Barneveld is geestelijk verzorger in De Engelenburgh en de Freule Lauta van Aysmaflat in Veenendaal.
Volgende keer het slot, over het vijfde uitgangspunt in het denken over het ambt: een dienaar van het Woord vertegenwoordigt Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's