GEKEND WORDEN
Maarten Vogelaar werkt sinds drie jaar als studentenpastor en pionier vanuit IFES en enkele Amsterdamse kerken in de hoofdstad. In Wapenveld schreef hij een belangwekkend artikel waarin hij zijn inzichten deelt. Ik citeer uit de samenvatting in het ND. Maarten Vogelaar schrijft allereerst dat de studenten in Amsterdam niet geïnteresseerd zijn in wat hij te brengen heeft. ‘De gesprekken doen me sterk afvragen wat het evangelie eigenlijk bijdraagt aan studenten. Ze hebben niks nodig, want ze zijn zelfredzaam en gelukkig.’ Dan gooit hij het over een andere boeg.
WAPENVELD / ND
Nadat ik ben stukgelopen op ongeïnteresseerde studenten, besluit ik het anders aan te pakken. Als ‘excuus-gelovige’ neem ik deel aan zo veel mogelijk activiteiten, academies, feestjes en partijen. (...) Juist in de omgeving van seculiere twintigers leer ik broodnodige vaardigheden die ik al dacht te hebben vergaard in mijn studententijd: met aandacht luisteren en met lef afsteken naar het hart. Zelf moet ik vaker zeggen dat ik het antwoord niet weet. Ik vertel hun dat ik erg worstel met Gods leiding na mijn aanvankelijke roeping. Tegelijkertijd mag ik getuigen van zijn liefde en vertel ik dat ik thuis voor hen bid. Dat ontroert sommigen. Regelmatig ben ik de eerste (jonge) christen die ze ontmoeten en die hen verrast. Maar het allerbelangrijkste is dat ik leer dat God niet vraagt om direct te oogsten, maar veeleer om te zaaien en af te wachten wat Gods Geest zelf doet. Bijna alle missionaire initiatieven zoeken mensen die geïnteresseerd zijn in het christelijk geloof. We veronderstellen dat de interesse in ons product bestaat, hoogstens moet de boodschap of de marketing nog wat worden aangepast. Ik kom echter weinig geïnteresseerden tegen en merk dat het al een hele kluif is om een gesprek op hartsniveau te voeren. Veruit de belangrijkste (en meest onderschatte) drempel is vertrouwen.
Het klinkt misschien vreemd, maar we kunnen er nooit zomaar van uitgaan dat mensen christenen vertrouwen. Politiek komen christenen soms veroordelend of hypocriet over, ze vallen je regelmatig lastig met folders als ‘God is liefde’ en anders kom je wel een keer (de grootste kans is op een begrafenis) terecht in een onaangename situatie waarin je je nú moet bekeren – anders beland je in de hel. Als kerk communiceren we niet dat we geïnteresseerd zijn in wat mensen bezighoudt, maar dat we ons product van hemelse genade willen slijten. (...) Over het algemeen hebben jongeren niet het idee dat de kerk hen kan helpen om hun zielenleven te verkennen. Waarom sluiten we niet veel meer aan bij hun belevingswereld? Je zult ontdekken dat je meer op hen lijkt dan je misschien wilt toegeven én je mag zoeken naar situaties waarin het evangelie echt verschil maakt.
BLOEI VAN STUDENTEN
(...) Door mijn werk ben ik me er zeer bewust van geworden dat het goede nieuws allereerst gevoeld moet kunnen worden en dat direct spreken over God (door verkeerde associaties) vaak meer kwaad dan goed doet. Ik herken me sterk in de katholieke theoloog Thomas Merton (1915-1968), die kort voor zijn dood concludeerde: ‘Wat men vandaag van ons wil, is niet zozeer spreken over Christus, maar hem in ons laten leven, zodat de mensen hem kunnen vinden door te voelen dat hij in ons leeft.’
Om die reden formuleerde ik mijn roeping opnieuw: ik wil bijdragen aan de bloei van studenten. Uiteraard is dit voor mij onlosmakelijk verbonden met Gods verlangen, maar harten kan ik niet veranderen.
Volgens de katholieke theoloog Tomáš Halík hebben we in onze cultuur te weinig geduld met God. ‘De lange tocht gaat – net als de exodus van Israël – ook door woestijn en duisternis. En daar raken we de weg soms kwijt. God woont niet aan de oppervlakte. Met het mysterie mag je nooit klaar zijn. God past zich niet aan onze mentaliteit aan. De Gekruisigde laat zich nog liever wegdrukken in de marge, zodat Hij op verrassende wijze buiten onze kaders kan terugkomen. En dat gebeurt gelukkig ook: iemand die in een visioen een duidelijke roeping van Jezus Christus meemaakt, een tweede die voorzichtig vraagt of dat wat ik God noem voor hem misschien religieuze ervaringen zijn, terwijl een derde op een stilteweekend voor het eerst in zijn leven hartstochtelijk bidt.’
In het verslag van zijn ontdekkingsreis vertelt Maarten Vogelaar heel eerlijk over zijn eigen verwarring, twijfels en aanvechting. Hij besluit met:
God dwingt niet, maar wacht geduldig af. Tot we onszelf kwijt zijn en ook geduld leren betrachten. In onze samenleving is God een vergeten grootheid geworden, omdat we zo druk zijn met onze zelf-gerealiseerde levens. We weigeren niet zozeer om te bidden, maar we komen er eenvoudigweg niet aan toe. Mijn grootste ontdekking is dat we allemaal leven vanuit een ideaal van zelfontplooiing. We zoeken met kunde te kennen, maar durven niet gekend te worden door God. Dat is de tragiek van ons geluk. Het antwoord op ons probleem is simpel, maar niet eenvoudig: Jij mens, hecht je aan Hem die met de mens bewogen is.’
PTHUNIE
Het is van dit artikel een enorme stap naar het interview dat Caspar Dullemond hield met de kersverse hoogleraar dogmatiek aan de PThU, dr. Maarten Wisse, naar aanleiding van zijn inauguratie,in het magazine van de universiteit. Wisses stelling luidt dat het westerse christendom het ‘gevaarlijkste geloof van allemaal’ is.
Ooit maakte Maarten Wisse een PKN-voorganger mee die de preek opende met: ‘Lieve mensen in de kerk’, om later te bidden: ‘Heer, leer ons geloven in onszelf.’ Hij noemt het als voorbeeld van de zelfbewuste tevredenheid die een groot deel van het westerse christendom naar zijn idee kenmerkt. Het christendom presenteert zichzelf als het vriendelijkste, meest vredelievende en redelijkste geloof van allemaal, aldus Wisse: ‘Maar die hoge aanspraak brengt een risico met zich mee. Zoals het spreekwoord zegt: het bederf van het beste is het slechtste.’ (...)
De voorganger uit het voorbeeld bevestigde zijn toehoorders in de overtuiging goede burgers van de samenleving te zijn, die het beste met de wereld voor hebben. ‘Maar mensen in de kerk zijn geen heiligen’, zegt Wisse: ‘Het deel van de wereld dat de meeste macht heeft zijn de protestantse landen met hun rechtvaardigingsgeloof. De Reformatie begon met de rechtvaardiging van de goddeloze, maar inmiddels lijkt die niet meer nodig te zijn.’ Wisse groeide op in een Gereformeerde Gemeente. Is zijn kritische houding tegenover de kerk als machtsapparaat te verklaren uit zijn bevindelijke achtergrond? ‘In zekere zin wel. Je kunt de bevindelijke kant van het christendom zien als een vorm van religiekritiek. Steeds opnieuw worden vragen gesteld als: doe je dit niet voor jezelf? Is het wel oprecht? De bevindelijkheid vraagt naar een vorm van oprechtheid die niet ik-gericht is en bekritiseert alle geloven die in dienst staan van het ik. Ik verwerk die kritische houding in mijn visie op dogmatiek. Ook dat is een vorm van geïnternaliseerde religiekritiek – als ze op de juiste manier bedreven wordt!’
Hoe Wisse naar de dogmatiek kijkt, maakt hij ook duidelijk: De dogmatiek is er om duidelijk te maken wat de gevolgen zijn van een bepaalde ketterij, zodat een bewustwordingsproces in de kerk op gang wordt gebracht. ‘Een ketter heeft altijd een punt. Anders was hij ongevaarlijk’, aldus Wisse. Ketters hebben zo hun nut, wil hij maar zeggen: ‘Eigenlijk is iedereen een ketter. Principieel zou je de gebrokenheid van je eigen theologische denken moeten erkennen.’ Weer die bevindelijke zelfkritiek? ‘Ja. Al vind ik dat ook bevindelijken dat best eens vaker zouden mogen doen. Hun zondeleer zouden ze ook op de orthodoxe leer moeten toepassen. Het is vreemd als er gezegd wordt: we zijn zondaar en we blijven ook altijd zondaar, maar onze leer klopt wel voor honderd procent. Die leer is een menselijk product, die zou dan toch ook door de zonde aangetast moeten zijn?’
De gedachte dat de leer in orde moet zijn, is een positie die hij in protestants Nederland regelmatig tegenkomt: ‘De gedachte is: een kerk waar Christus is, is pas werkelijk een kerk als de leer in orde is. Ook bij kerkelijke eenwording hoor je dat vaak. Pas als we het leerstellig met elkaar eens zijn, dan kunnen we met elkaar door een deur, wordt er gezegd. Maar dan wordt dus de aanwezigheid van Christus afhankelijk gemaakt van de leer. Nee, het is andersom: eerst is de Heer er en dan kun je je broeder en zuster een hand geven en het over de leer gaan hebben. Een leer kan nooit een voorwaarde zijn voor de Heer.’ Een leer is altijd tijdbepaald en contextbepaald: ‘Iedere keer opnieuw moet je dat pakketje uitpakken, om te zien wat het voor jouw tijd en jouw plek betekent. (...)’
Op het eerste gezicht is er een grote kloof tussen bovenstaande artikelen. Of laten Vogelaar en Wisse beiden zien dat er in het Evangelie van Jezus Christus – en de leer van de kerk – openheid zit naar elke nieuwe tijd en generatie? Ik denk aan het gedicht van Tennyson dat H. Berkhof aan het begin van zijn Christelijk geloof citeert: Our little systems have their day (...) They are but broken lights of Thee/ And Thou o Lord art more than they (onze kleine systemen hebben hun tijd. Het zijn niet meer dan gebroken lichten van U/En Gij, o Heer, zijt groter dan zij).
Ds. G. van Meijeren is hoofd mobiliteitsbureau Predikanten & Kerkelijk Werkers van de Protestantse Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's