De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN GROTE CLAIM

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN GROTE CLAIM

Het ambt [3, slot]

7 minuten leestijd

Het heil wordt ons met ambtelijke volmacht betuigd op grond van de realiteit van Christus’ kruis en opstanding. Elke zondag weer. Dit is ook nodig, want we zijn het zomaar kwijt, vanwege de wereld waarin we leven, vanwege ons vleselijke en aangevochten hart.

Dat geldt voorgangers net zo goed als gemeenteleden. Luther verzuchtte soms dat hij het alweer kwijt was, wanneer hij de preekstoel afkwam. En Kohlbrugge bekende eerlijk dat hij niets was als hij niet preken kon.

Dat is niet anders als je een mensje bent, uit het stof verrezen. We zouden geestelijk vergaan als God niet telkens opnieuw het woord zou nemen, door de mond van Zijn dienaren. Op die manier laat Hij het heil uitdelen en bemiddelen, notabene door de dwaasheid van de prediking. Zodoende valt er milde regen op het dorre en dorstige land van onze ziel.

NIET VRIJBLIJVEND

Zulke milde regen betekent echter niet dat de prediking een vrijblijvend gebeuren is.

Integendeel, het Woord wordt op de mensen gelegd, oordelend en bevrijdend, lokkend en dreigend, met de donder van de wet en uitlopend op het welluidende harpspel van het Evangelie. Hoe dat kan? Omdat we het Woord spreken als in de tegenwoordigheid van God en in verbondenheid met Christus (2 Kor.2:17). De Drie-enige is in de bediening van het Woord op een bijzondere manier aanwezig, net zoals in doop en avondmaal. In de verkondiging hebben we dus te maken met Christus’ presentia realis. De preek is het protestantse sacrament.

Miskotte verwoordt dat treffend: op het ogenblik dat in de roomse eucharistie de verandering van brood en wijn zich voltrekt, ‘luidt er een heldere, machtige schel door de kerk en allen storten op de knie: zij beleven de werkelijke, tastelijke Tegenwoordigheid. (…) Bij de bediening van het Woord kan ook, door de mensenwoorden heen, een heldere schel in de harten luiden: God is tegenwoordig, God is in ons midden, laat ons diep in ’t stof aanbidden.’

‘Kan’, zegt Miskotte, beducht als hij is dat wij Gods tegenwoordigheid in de hand hebben. Toch krijgen we juist in de kerkdienst deel aan Gods genade. Daar geschiedt het Woord, omdat het God heeft behaagd en de mens het heeft gewaagd. Daarom is er in de liturgie de epiclese: het gebed om de opening van het Woord en de verlichting met de Geest. Zo komt het ervan dat we in de kerkdienst daadwerkelijke gemeenschap met Christus beoefenen. Het heilige gebeurt. Door Woord én Geest. Zo wordt het verleden van Christus’ kruis en opstanding ons heden, waarin we op de kruisheuvel en in de graftuin verkeren.

CHRISTUSREPRESENTATIE

Het is de dienaar van het Woord aan wie dit gebeuren is toevertrouwd. Met het oog hierop is hij geroepen en bevestigd. Dat betekent niet minder – dat is mijn vijfde uitgangspunt – dan dat hij Christus representeert.

Deze Christusrepresentatie is het centrale van zijn ambt. Let wel: representatie, vertegenwoordiging, géén vervanging. Hij is niet Christus’ stedehouder op aarde. Maar in de uitoefening van zijn ambt weet hij wel God Zelf present en vertegenwoordigt hij het ‘gans andere’ van de Drie-enige. We mogen dit gegeven breder laten uitwaaieren. Want niet alleen door de bediening van Woord en sacrament is Christus onder ons present, maar ook door de herderlijke zorg, door het opzicht, door de dienst der barmhartigheid. In de ambten van ouderling en diaken is God eveneens tegenwoordig en is de Geest druk bezig voor Christus de weg te banen naar ons toe, zodat Hij onder en in ons zal wonen.

Een belangrijk verschil is wel dat ouderling en diaken verbonden zijn aan een plaatselijke gemeente en daaruit opkomen. De predikant daarentegen komt meer van terzijde, van de kant van de Una Sancta, van boven, zou ik bijna zeggen.

Daarom leerden wij vroeger dat je geen predikant bent van die en die gemeente, maar predikant van de kerk bij gemeente x. Vandaar ook dat een predikant door een andere predikant van de kerk bevestigd wordt. Hij dus die aan zijn ‘eigen’ gemeente het heil verkondigt en haar weidt in het Woord, die haar liefheeft met al haar lek en gebrek, die haar nodig heeft en niet zonder haar kan, is toch niet een van de haren. Daarom kent het ambt van predikant per definitie een zekere eenzaamheid. Maar zo krijgt de Christusrepresentatie gestalte.

GROTE CLAIM

Overigens is deze gedachte een van de meest bediscussieerde en bekritiseerde elementen uit de protestantse ambtstheologie. Is zij, zo werpt men tegen, niet vreemd aan het wezen van de gemeente, waarin iedereen een directe toegang tot God heeft door geloof en gebed?

Sommigen doen de gedachte van de Christusrepresentatie zelfs af als een vorm van machtswellust of narcisme. Ligt hier niet een ongehoord grote claim van hen die de kern van het ambt zien in de presentstelling van de Gekruisigde en Opgestane?

Inderdaad, het is een uitzonderlijk grote claim voor een mensenkind dat uit een handjevol stof is geboetseerd. Maar die aanspraak heeft alles te maken met de overtuiging dat het God de Heilige Geest Zelf is Die in Zijn goddelijk werk van de heilsbemiddeling – daar gaat het immers om – de ambten gebruikt.

AANVECHTING

Het is geen wonder als we van tijd tot tijd met Paulus verzuchten, zowel wanneer we ons voorbereiden op het ambt als wanneer we erin staan: ‘Wie is tot deze dingen bekwaam?’ (2 Kor.2:16) Stel je voor: ik Christus representeren? Daar komen kleinmenselijke overwegingen bij, bijvoorbeeld dat je geen uitstraling hebt of charisma ontbeert, terwijl het daar heden ten dage zozeer op lijkt aan te komen. ‘De gemeente doet niet wat men groeien noemt,’ zei Noordmans eens begrijpend en bemoedigend tegen een collega die aanliep tegen het geringe ‘effect’ van zijn ambtelijk werk en hem dat eerlijk vertelde. Bovendien stuit je op je eigen sprakeloosheid en machteloosheid, meer nog: je eigen leegheid en geesteloosheid.

Het is dus geen geringe zaak het ambt van dienaar des Woords te dragen. Te meer daar vandaag de dag wij veel meer het ambt moeten dragen dan dat het ambt ons draagt. Soms herken je je in Jeremia, die op een gegeven moment geen woord meer tot zijn beschikking had en alleen nog maar het veld kon ruimen: hij ging zijns weegs (Jer.28:11). Het is God Zelf Die ons in deze aanvechting brengt. Opdat wij kruistheologen zullen zijn, die het uitsluitend van Zijn Woord verwachten en alle aanmatiging afzweren. Hoe berooider we echter bij het Woord aankloppen, hoe meer we de rijkdom ervan ontdekken, het verrassende ervan, het vernieuwende.

Zo worden we gelijkvormig aan onze grote Ambtsbroeder, Die als een Lam ter slachting werd geleid en sprakeloos stond tegenover Zijn scheerders. Niets anders hield Hij over dan het oor en de belofte van Zijn Vader. Maar met de diepte van onze aanvechting groeit ook de kennis van de grootte van de heerlijkheid en de genade Gods. Daarom is het ambt niet alleen een bron van aanvechting, maar vooral een bron van blijdschap. Juist de bediening der verzoening verschaft voorganger en gemeente grote vreugde. Dan worden de aanvechtingen voor een moment overwonnen en overstemd door de viva vox, de levende stem van de levende God, Die vanuit het grote, oude Boek tot ons spreekt. Anno nu. ‘Want Uw Naam, zo rijk van eer, is tot onze vreugd’ nabij.’

AANVECHTINGEN

Zo verging het ook prof. dr. H. Jonker. Toen hij predikant was in Amsterdam, volgde hij met het oog op zijn proefschrift privélessen filosofie. Op zaterdagavond. Uiterst indringende vragen stelde zijn atheïstische leermeester hem. Is theologie wel een wetenschap? Ze doet immers niets meer dan zich vastklemmen aan een boek uit de oudheid en houdt dus in wezen geen rekening met de voortgang van het menselijk denken.

Meer dan eens brachten de gesprekken hem aan het wankelen. Volg de lessen toch op een andere avond, raadde zijn vrouw hem. Maar telkens wanneer hij de volgende morgen in zijn wijkkerk achter het ‘grote Boek’ stond en zich één wist met de zingende gemeente, overkwam hem het wonderbaarlijke dat alle aanvechtingen wegvielen. Daar kunnen velen van getuigen, alle eeuwen door.

Aan Wie anders ontspringt de bron van blijdschap dan aan die Ene op Wie het grote Boek ons wijst, Die ons gebroken leven gedragen en gered heeft: onze Heere Jezus Christus? Dat gebeurde toen Hij het door dood en oordeel heen haalde, via Pasen, en zo voor Zijn gemeente verzoening en eeuwig leven verwierf. In het gewaad van het Evangelie evenals in de sacramenten én door middel van het ambt is Hij in ons midden, tastbaar, reëel. Een milde regen daalt dan neer op de dorre en dorstige ziel van onszelf en van al die andere bedelaars, mede door onze bediening.

Ds. H.J. Lam uit Barneveld is geestelijk verzorger in De Engelenburgh en de Freule Lauta van Aysmaflat in Veenendaal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 2018

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

EEN GROTE CLAIM

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 2018

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's