ZONDER WILLEKEUR
De dubbele verkiezing in bijbels-theologisch licht [1]
In de wereld rondom het oude Israël is het thema verkiezen en verwerpen in het bijzonder een zaak van koningen. Zij handelen daarbij uit pure willekeur. De eerste bijbelboeken laten iets heel anders zien: in relatie tot de mens is God vanaf het begin de God van het verbond.
De willekeur in de wereld rondom het Oude Testament bij het thema verkiezen-verwerpen, blijkt bijvoorbeeld uit het handelen van de farao. Hij verhoogt op zijn verjaardag het hoofd van de schenkers, maar het hoofd van de bakkers laat hij ophangen (Gen.40). Van Nebukadnezar wordt gezegd: Hij doodde wie hij wilde en hij liet in leven wie hij wilde (Dan.5:19).
Op die lijn zit ook Joab. Volgens hem kan een koning liefhebben wie hij wil en haten wie hij wil. Daarom begrijpt deze harde generaal niets van de droefheid van David over de dood van Absalom. Alle gevoeligheid is hem vreemd. Hij stapt binnen bij David en zegt: ‘U hebt vandaag de gezichten van al uw manschappen beschaamd doen staan (...) door lief te hebben wie u haten, en door te haten wie u liefhebben.’ (2 Sam.19:5-6) Zoals de koningen tirannen zijn in het klein, zijn de goden superdespoten. Van Hatsjepsut (een dochter van farao) wordt gezegd: ‘Hij (= de godheid) verkoos haar om Egypte te beschermen.’
DE TORA
In de Tora – zo worden in de Hebreeuwse Bijbel de vijf boeken van Mozes genoemd, Genesis tot en met Deuteronomium – vinden we ook het thema van verkiezen en verwerpen, maar op een heel andere manier dan in de omringende wereld van Israël. In relatie tot de mens is God vanaf het begin de God van het verbond.
Bij de schepping van de mens in Genesis 2 wordt Hij al de HEERE God genoemd. Hij kiest voor Israël, ‘het volk uit Abraham gesproten’. De elf opschriften in het boek Genesis verdelen dit bijbelboek in twaalf delen, naar het getal van de twaalf stammen van Israël. Maar het laatste woord in het boek Genesis is ‘in Egypte’. Dat is het slavenhuis.
Want slaven worden zij, geknecht, uitgebuit en geleidelijk aan uitgemoord door de farao.
Het gaat dus om de verkiezing van Israël. En in de verkiezing van Israël gaat het om de Zoon. In Hem heeft God Zijn welbehagen (Matt.3:17). Zo sluit het eerste boek van het Nieuwe Testament aan op het eerste boek van de Tora: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. (Matt.2:15) Israël in Egypte – dat staat in schril contrast met Edom, het nageslacht van Ezau. Dat groeit uit tot een welvarend volk, vestigt zich in het Seïrgebergte, een onaantastbaar gebied, met koningen en stamhoofden (Gen.36). Maar nog voordat Ezau en Jakob geboren werden, zegt de HEERE tegen Rebekka (Gen.25:23):
Er zijn twee volken in uw schoot, en twee naties zullen zich uit uw lichaam vaneenscheiden.
Het ene volk zal sterker zijn dan het andere en de meerdere zal de mindere dienen.
Hier is geen sprake van willekeur. De HEERE neemt het op voor wie het zelf nooit redt. Zo zal de Heere Zich openbaren bij de verbondssluiting op de Sinaï: Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis geleid heeft. (Ex.20:2)
Dat is ook de strekking van Maleachi 1:2: Toch heb Ik Jakob liefgehad en Ezau heb ik gehaat. Ondanks alle ongeloof kiest God toch voor Jakob en stelt Hij hem boven het toen in de richting van Juda oprukkende Idumea. Die lijn trekt Paulus later door in Romeinen 9 (vs.13).
Dit is qua structuur de opbouw van het boek Genesis in hoofdlijnen. Maar het thema verkiezen-verwerpen keert ook weer terug in details. En wel in de tegenstelling Kaïn-Abel (1 Joh.3:12), Izak-Ismaël (Rom.9:8) en Manasse-Efraïm.
VROEGERE PROFETEN
In de Hebreeuwse Bijbel begint het tweede deel, namelijk dat van de Profeten, met het boek Jozua.
De HEERE geeft Israël het beloofde land. Het boek Richteren laat zien dat Israël niet zonder koning kan. In 1 Samuël komt een einde aan de directe theocratie.
Dan valt voor het eerst het woord ‘verwerpen’. Maar degene die hier verwerpt, is niet God maar Zijn volk. De HEERE zegt tegen Samuël: ‘Geef gehoor aan de stem van het volk in alles wat zij tegen u zeggen; want zij hebben ú niet verworpen, maar Míj hebben zij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zou zijn.’ (1 Sam.8:7)
Er waren al regels voor een koningschap in de Tora (Deut.17:14-20), maar Samuël spitst ze toe. Daarmee is het koningschap in Israël gebonden aan de Tora en is de koning daarop aanspreekbaar (‘U bent die man!’, 2 Sam.12:7). Dat is uniek in de wereld van het antieke Oosten. Dat betekent in principe het einde van alle dictatuur in de wereld. Een machthebber wordt hier aansprakelijk gesteld. Dat heeft zijn consequenties tot in onze tijd.
SAUL
Maar wat voor koning zal het zijn? In 1 en 2 Samuël blijkt dat Saul helaas niet aan dit ‘profiel’ voldoet. Samuël zegt tegen hem (1 Sam.15:22v.):
Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerkzaam zijn beter dan het vet van rammen. (...)
Omdat u het woord van de Heere verworpen hebt, heeft Hij u verworpen, zodat u geen koning meer zult zijn.
Saul wordt verworpen, David is de man naar Gods hart. Saul krijgt dat als eerste te horen: ‘De HEERE heeft een man naar Zijn hart voor Zich uitgezocht, en de HEERE heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk, omdat u niet in acht genomen hebt wat de Heere u geboden had.’ (1 Sam.13:14)
Hier wordt niet het woord koning maar vorst (nagied) gebruikt. Dit is een aanwijzing dat het geen koning zal zijn die steunt op aardse macht. Dat doet denken aan het woord van de Heiland: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. (Joh.18:36) Toch is ook David voor deze verleiding bezweken (2 Sam.24, het slothoofdstuk, de zonde van de volkstelling).
BREEKBARE OLIEKRUIK
Saul wordt verworpen, David wordt uitverkoren. Toch is hier elke vorm van willekeur uitgesloten. Een drietal details maakt dit duidelijk.
Bij de zalving van Saul tot koning neemt Samuël een oliekruik (1 Sam.10:1), bij David een oliehoorn (1 Sam.16:13). Een kruik kan gemakkelijk breken, een hoorn symboliseert kracht, namelijk van God. Dat wordt al aangegeven in de lofzang van Hanna (1 Sam.2:1):
Mijn hart springt op van vreugde in de Heere, mijn hoorn is opgeheven in de Heere mijn mond is wijd open tegen mijn vijanden, want ik verheug mij in Uw heil.
Dit thema zal later terugkeren in de lofzang van Zacharias (Luk.1:69):
Hij heeft een hoorn van zaligheid voor ons opgericht in het huis van David.
Dat wil niet zeggen dat het koningschap van Saul gedoemd is te mislukken (onafwendbaar zoals het noodlot in een Griekse tragedie), maar het geeft aan dat wanneer Saul zou volharden in zijn ongehoorzaamheid aan God, zijn koningschap wel zou moeten mislukken. Hij is gegaan in eigen kracht (de breekbare oliekruik).
GEEN AARDS GEWELD
In de tweede plaats: David verslaat Goliath met een slinger en een steen: ‘Zo overwon David de Filistijn met een slinger en met een steen, hij versloeg de Filistijn en doodde hem. Maar een zwaard had David niet in zijn hand.’ (1 Sam.17:50)
In dit eerste optreden toont David al het beeld van dé Messiaanse Koning. Hij gebruikt geen aards geweld (het zwaard), maar overwint alle tegenstand door Zijn Geest en Woord (de slinger en de steen). Dit doet denken aan wat Jezus zal zeggen bij Zijn gevangenneming: ‘Doe uw zwaard terug op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.’ (Matt.26:52)
Die tegenstelling komt ook tot uitdrukking bij de huppelende vrouwen die zingen in beurtzang (1 Sam.18:7):
Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!
David is gegaan in Gods kracht (de hoorn).
KLOOF
In de derde plaats horen we Jonathan tegen David zeggen: Ligt de pijl niet verder van je vandaan? (1 Sam.20:37) Daarmee geeft hij aan dat de kloof tussen het koningschap van Saul en het koningschap van David onoverbrugbaar is. In nieuwtestamentisch perspectief wil dat zeggen: de kloof tussen de mens en zijn God is niet te overbruggen. Dat kan, wil en doet alleen dé Zoon van David, onze HEERE Jezus Christus.
In 1 en 2 Koningen is het koningschap een blijvend probleem.
Op een enkele uitzondering na doen de koningen het slecht in de ogen van de HEERE. De grote vraag in 2 Samuël 7 is: Wie zal dé Zoon van David zijn die voor de Naam van de HEERE een huis zal bouwen, en voor Wie zal de troon van David zijn? (2 Sam.7:13) Die vraag blijft in de boeken Samuël en Koningen open. De man aan wie de koning van Babel later gratie verleent en hem een ‘zetel’ aanbiedt, zal het zeker niet zijn (Jojachin, 2 Kon.25:28).
Van het huis van David is niets anders overgebleven dan een stronk (Jes.11:1).
LOFZANG VAN HANNA
Maar voordat het einde van de directe theocratie werkelijkheid wordt, getuigt zij zingend van het Koninkrijk van God (1 Sam.2:1-10). Want dat is de lofzang van Hanna, evenals de lofzang van Maria (Luk.1:46-55), een lied van het Koninkrijk van God. Het Koninkrijk van God betekent een radicale ommekeer. De HEERE zal rechtdoen. Zijn Koning, dat is Zijn Gezalfde, zal optreden met kracht.
Het symbool is weer de hoorn (1 Sam.2:1).
De lofzang van Hanna straalt van het begin tot het einde kracht uit. Want er is niemand zo heilig als de HEERE en er is geen rotssteen als onze God. Hij gaat over leven en dood en dat opent nieuwe perspectieven. Hanna mag de moeder worden van Samuël en Maria de moeder van de HEERE (Luk.1:43). De macht van alle machten is gebroken en wie struikelden zijn met kracht omgord (1 Sam.2:4).
Later zal Jezus zeggen tot de twee discipelen van Johannes: Ga heen en bericht hem wat u hoort en ziet: blinden worden ziende en kreupelen kunnen lopen; melaatsen worden gereinigd en doven kunnen horen; doden worden opgewekt en aan armen wordt het Evangelie verkondigd; en zalig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt. (Matt.11:4-6)
Ds. H.J. de Bie uit Huizen is emeritus predikant.
VERKIEZEN EN VERWERPEN
Vierhonderd jaar geleden werd de Dordtse synode gehouden. Deze stelde onder andere de Dordtse Leerregels vast. Die vormen het sluitstuk van onze belijdenis. Zij steunen op een hele reeks bewijsplaatsen in de Schrift (voornamelijk uit het Nieuwe Testament).
Waar het in de Dordtse Leerregels om gaat, is dit: te mogen geloven is enkel genade. ‘Uw vrije gunst alleen wordt de ere toegebracht.’ Maar hoe komt het thema van verkiezen en verwerpen bijbels-theologisch gezien in de Bijbel voor? Dus niet alleen gebaseerd op afzonderlijke teksten, de zogenaamde bewijsplaatsen, maar als thema?
‘Dordt’ betekent toch ook de Bijbel centraal? We kijken nu vooral naar het Oude
Testament. Daar stellen wij methodisch twee vragen bij:
• Wat laat de vorm van een bijbelboek hierover zien?
• Wat laat de structuur van de tekst van zo’n bijbelboek hierover zien?
Om dat duidelijk te maken nemen we als voorbeeld een middeleeuwse kathedraal. Aan de vorm kun je al zien: hier staat het kruis centraal.
En aan de inrichting kun je zien: het gaat hier om de viering van het avondmaal: het koor met het altaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's