EEN RIJKE TAAK
Juist bij de roeping van Zijn dienaren toont God Zijn heiligheid
Wie geroepen is om anderen het Evangelie te brengen, heeft een rijke taak. Maar hoe beleven we dit als we er nog vóór staan? En hoe ervaren we dit als we er, soms na jaren, op terugzien? Ook is er nog een andere vraag: hoe was dit alles in de ogen van de heilige God?
Laat ik eens beginnen met die jonge broeder die dominee wil worden. Hij weet zich ertoe geroepen. Natuurlijk, want anders zou hij het in de ambtelijke loopbaan, die met strijd, teleurstellingen en zelfverloochening gepaard gaat, nooit volhouden. Dat is echter van later zorg.
De jonge broeder studeert en gaat na verloop van tijd met schuchterheid, maar ook met de beste bedoelingen in Gods wijngaard aan het werk. Met liefde voor de mensen óók. Mooi is dat. Maar wat beseft hij dan nog van de heiligheid van God, waaronder hij en de gemeente zouden moeten bezwijken? Wat een goedheid van God dat Hij zulke mensjes dan toch maar aan het werk laat gaan en wat een leerschool volgt er dan. Die geroepen broeder kan schrikken: ik dien een heilige God en ik kan de diepte daarvan niet peilen. En als hij op zijn persoonlijke en ambtelijke zonden ziet, moet hij het meer dan eens uitroepen: ‘Wee mij, want ik verga!’ Hijzelf en de gemeente daarbij.
Want naast de onheiligheid in zijn eigen hart komt hij ook de zonde, de gebrokenheid, de onheiligheid in de gemeente tegen. Hoe kun je je dan Gods heiligheid voorstellen? Had hij er dan maar beter nooit aan kunnen beginnen? Hij weet zich echter wel van Godswege geroepen.
AARZELINGEN
Intussen heeft niet iedereen een goed gevoel over het begrip ‘roeping’. Sommigen beschouwen roeping als iets wat soms vaag is en ook niet te controleren valt. Iemand kan zeggen ergens een roeping voor te hebben, maar hoe moet je dat op zijn waarde schatten? Dat is toch iets persoonlijks?
En als iemand zegt dat God hem roept, hoe weet hij dan eigenlijk dat het inderdaad de Heere is, Die hem een opdracht geeft? Waarom kan hij er dan tóch voor bedanken?
En waarom wordt het woord ‘roeping’ meestal vooral betrokken op het werk van ambtsdragers? Zo meent iemand redenen genoeg te hebben om er aarzelend tegenover te staan.
Ondanks deze aarzelingen blijven we er toch aan vasthouden dat de persoonlijke roeping tot een concrete taak in de Bijbel een duidelijke plaats heeft. Noach wordt geroepen de ark te bouwen. Mozes wordt ertoe geroepen Israël voor te gaan op de weg naar het beloofde land en Jesaja en Jeremia worden heel concreet tot hun profetisch werk geroepen.
Daarbij valt wel op dat er van ‘bedanken’ geen sprake is. Mozes en Jeremia mogen dan wel hun bezwaren aanvoeren, de Heere roept hen en daarmee worden hun bezwaren van tafel geveegd.
ZWAAR GELADEN WOORD
Intussen blijkt dat de roeping tot een door God gestelde taak niets te maken heeft met wat subjectieve overwegingen. Ze stelt een nietig, zondig en onmachtig mensje voor het aangezicht van de heilige God.
We lezen ervan in de Bijbel: Mozes ontmoet in de brandende braamstruik de heilige God en vooral Jesaja heeft het indringend ervaren: toen hij door God geroepen werd, zag hij de Heere op Zijn troon en de serafs, die het uitzongen: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heere van de legermachten!’ Juist bij de roeping van Zijn dienaren toont de Heere Zijn heiligheid. Dat probeer ik te omschrijven: God openbaart Zich als de volmaakte, zondeloze en rechtvaardige God. Hij toornt over de zonde van de mens en straft deze met tijdelijke en eeuwige straffen. Hij kan de zonde niet aanzien. Hij is een verterend vuur voor hen die Zijn wet verwerpen. Jesaja roept het niet voor niets uit: ‘Wee mij, want ik verga! Ik ben immers een man met onreine lippen.’ Als je het zo bekijkt, denk je dat niemand God kan dienen. Wat moet een zondig en sterfelijk mensje nu toch beginnen in de nabijheid van een verterend vuur?
En als hij dan toch aan die taak begint: wat moet hij gaan zeggen? Dat is duidelijk. Hij moet aan zondige mensen de heiligheid van God voorhouden en duidelijk maken: als je zondaar blijft, ben je als een vlinder die in een vlam terechtkomt en dan in één ogenblik sterft. Dat deed Johannes de Doper toch óók? Je ziet hem daar staan met de bijl in zijn handen om de onvruchtbare boom om te hakken.
VERSCHERPT
Sommigen zien de openbaring van Gods verblindende heiligheid als iets wat bij het Oude Testament hoort. Je leest over de zonen van Aäron, die stierven toen ze vreemd vuur op het reukofferaltaar legden – een schijnbaar onbedoelde fout – en over de dood van Uzza, die de ark wilde tegenhouden toen de runderen struikelden.
Vergelijken we dit met de roeping van de discipelen, zien we dan een verschuiving? Zij waren aan het werk, als visser of als tollenaar en ze gingen zo maar Jezus achterna toen Hij hen riep. Er gebeurde verder niets bijzonders. En als je daarbij bedenkt wat de discipelen verkeerd deden, dan zie je toch een verschuiving in de manier waarop God roept?
Zeker, er is een verschil. Petrus en zijn broeders protesteren niet als Jezus hen roept. Ze lijken het er heel wat beter vanaf te brengen dan Mozes en Jeremia. Maar verder? Ze moeten oproepen tot bekering, tot een leven voor het aangezicht van de heilige God. En hun Meester? Hij is door de Vader geroepen. Meer dan iemand anders bevordert Hij de heiligheid van God. Hij slaat mensen die met hun onheilige handen het heilige bezoedelen de tempel uit. Hij spreekt over het helse vuur, over de worm die niet sterft. Zo tekent Hij de toekomst van de onheiligen, de zondaren, de vromen die zonder God leven. Is dit een verschuiving naar een wat vriendelijker benadering? De prediking van ‘een omkomen onder de hand van de heilige God’ verscherpt zich veeleer.
VERDIEPT
Als het zo ligt, zou je denken: Wie is dan bekwaam, de roeping die van God uitgaat, na te volgen? Begin er niet aan. Of toch wel? Mogen we elkaar daartoe meenemen naar Golgotha? Daar kwam de heiligheid van God in een ongekende heftigheid openbaar. Het ‘wee mij’ van Jesaja werd overstemd door het: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Daartoe werd Christus geroepen: om te lijden en te sterven, omdat de onheilige mens niet kan bestaan voor de heilige God. Als een geroepen ambtsdrager dat beseft, wordt de roeping van Godswege niet aangevochten, maar in twee opzichten verdiept. In de eerste plaats behoeft hij niet alleen te spreken over de heiligheid van God, Die voor de zondaar een verterend vuur is, maar mag hij ook een lieflijk en vertroostend Evangelie laten horen. Dat Evangelie spreekt van de genade, door Christus verworven. De Heiland, Die ten onder ging onder de last van Gods toorn, gebruikte in het ‘hogepriesterlijk gebed’ deze woorden: ‘Heilige Vader!’ Daarin worden Gods gerechtigheid en genade aan elkaar verbonden.
HEILIG LEVEN
In de tweede plaats heeft dit alles veel te betekenen voor de geroepen ambtsdrager zelf. Hoewel hij zelf een zondig en onvolmaakt mens is, geldt voor hem de roeping tot een heilig leven in dubbele mate. Een onheilig leven kan immers hen die hij tot Christus moet leiden, in de weg staan. Ziende op de heiligheid van God verstaat een geroepen ambtsdrager dan iets van het diepe ontzag van Jesaja voor Gods majesteit maar ook van de vrees van Johannes voor Christus’ heerlijkheid. Hoe groot is dan de troost, te horen in wat Paulus over de Zaligmaker schrijft aan de gemeente van Korinthe (geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen): ‘...uit Hem bent u in Christus Jezus, Die voor ons is geworden wijsheid van God en gerechtigheid, heiliging en verlossing.’ (1 Kor.1:30)
Ds. W. Arkeraats uit Hardinxveld-Giessendam is emeritus predikant.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's