De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

PROFESSIONELE HULP

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PROFESSIONELE HULP

Kritisch geven aan goede doelen [2, slot]

7 minuten leestijd

Aan welke doelen geef je? Het artikel van vorige week ging in op de vraag hoe het goede doel zich verhoudt tot Gods bedoelingen en werk in deze wereld. Daarnaast dient de vraag zich aan op welke manier goede doelen hun geld besteden en beheren.

Wanneer het gaat om hulpverlening en armoedebestrijding, met name in ontwikkelingslanden, is de vraag hoe het beste hulp geboden kan worden. Dat bij een ramp getroffenen zoveel mogelijk geholpen worden (humanitaire hulp of noodhulp), is vanzelfsprekend. Er zijn nu wereldwijd meer mensen op de vlucht dan ooit tevoren – dus afgezien van migranten (al is de grens soms dun). En er is te weinig geld om goed te helpen. Dit blijft een belangrijk aandachtspunt, ook politiek.

ZELF VOORZIEN

Tegelijkertijd proberen ook christelijke ontwikkelingsorganisaties al vele jaren in arme landen voorzieningen op te zetten waarmee de mensen zelf in de eigen behoeften kunnen voorzien, vooral op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs. Maar als er geen economische ontwikkeling is, zal de instandhouding van die voorzieningen afhankelijk blijven van steun uit rijke landen. (Dit wil overigens niet zeggen dat ik over de ‘hulp en handel’-agenda van Nederlandse overheid onverdeeld positief ben, maar die discussie voert nu te ver). De laatste jaren is de aandacht voor voedselvoorziening en landbouw toegenomen en wordt sterker dan voorheen gepoogd om mensen economisch zelfstandig te maken en te helpen zelf hun voorzieningen te betalen. Dat lijkt mij een goede zaak. Verder komt er meer aandacht voor de structurele en politieke kanten van armoede. Laat ik dat toelichten aan de hand van een bekende slogan in dit veld. Geef een man (of vrouw) een vis en hij heeft voor een dag te eten; geef hem een hengel en hij heeft voor de rest van zijn leven te eten. Dit laatste wordt door (christelijke) ontwikkelingsorganisaties al jaren gedaan.

Maar stel nu dat die visser door grootschalige visserij met trailers uit rijkere landen of door vergiftiging van het water ten gevolge van mijnbouw of oliewinning door westerse bedrijven in de omgeving, in zijn viswater geen vissen meer kan vangen? En dit zijn geen fictieve situaties. Wat moeten we dan doen? Er wordt soms bedrijvigheid in ontwikkelingslanden opgezet die korter of langer daarna door het dumpen van dezelfde producten vanuit de rijke landen, misschien wel met exportsubsidie die als ontwikkelingsgeld wordt beschouwd, om zeep wordt geholpen.

RECHTVAARDIGHEID

Even kort door de bocht: we hebben voor een deel de huidige Europese migrantenproblematiek – voor zover het een probleem is – zelf teweeg gebracht. Er moet meer oog komen voor internationale verhoudingen en rechtvaardigheid. De overheden uit de donorlanden moeten een samenhangend beleid voeren waarin het perspectief van de ontwikkelingslanden meegenomen wordt. Het lijkt mij een goede zaak als we organisaties steunen die oog hebben voor die onrechtvaardige verhoudingen en praktijken en op enigerlei wijze die ook politiek en beleidsmatig aan de orde stellen. Dus wie zorgvuldig en kritisch wil geven, doet er goed aan na te gaan hoe organisaties op dit punt van ontwikkelingssamenwerking opereren.

BEHEER

Ten slotte dient zich de vraag aan of de organisatie die we willen steunen, op professionele wijze werkt en professioneel bestuurd wordt volgens erkende kwaliteitscriteria. Beschikt het over een keurmerk op het gebied van fondswerving en fondsbeheer? Natuurlijk besef ik dat ook binnen de (bevindelijk) gereformeerde bevolking soms enige wrevel bestaat tegen de ‘overheadkosten’ die dan altijd te hoog zijn. Bij overhead gaat het om fondswervings- en uitvoeringskosten van de organisatie. Zonder die kosten zou de organisatie niet bestaan en het werk helemaal niet gebeuren. Het vereist professionaliteit die wat mag kosten om het werk goed uit te voeren.

Wanneer de keuzen en de organisatie van projecten of de uitvoering niet goed zijn, gaat veel geld verloren. Niet de kosten van een professionele uitvoeringsorganisatie maken het werk duur maar het niet goed uitvoeren ervan. Niets kost meer dan mislukte projecten. Zelf ben ik door mijn betrokkenheid bij ontwikkelingswerk huiverig geworden voor de zogeheten ‘particuliere initiatieven’ van goedwillende (zaken) mensen, die zelf iets gaan opzetten in een ontwikkelingsland en dat met eigen geld doen ofwel een stichting in het leven roepen die in de eigen netwerken gaat fondswerven. Korte lijnen, ‘geen overhead’ (en die reizen dan?), persoonlijke inzet en betrokkenheid. Het is sympathiek en mensen geven eraan.

Maar ontwikkelingswerk is een professie en zonder de vereiste kennis en ervaring gaat vaak wat mis. Stel dat goedwillende mensen opeens een huis voor mensen met een beperking, of een school voor middelbaar beroepsonderwijs gaan opzetten, zonder enig diploma of ervaring? Waarom zou het dan wel goed zijn om bijvoorbeeld een weeshuis in een Afrikaans land te gaan opzetten en te besturen vanuit Nederland? Dus ook hier geldt: kritisch geven is van groot belang, en dat betekent soms niet geven. Dit is een heel andere situatie dan wanneer mensen met steun van een vriendenkring uitgestuurd worden via een professionele organisatie; dat kan een prima constructie zijn.

OPEN OVER FONDSWERVING

Dit alles neemt niet weg dat het wel goed is na te gaan hoeveel geld een GDO besteedt aan de eigen organisatie en dan vooral aan de eigen fondswerving. Is de organisatie daar open over? Er is in Nederland een aantal internationale, vaak uit Amerika afkomstige organisaties aanwezig in de vorm van een fondswervingsapparaat, met communicatie over het werk dat in dienst daarvan staat. Naast de eigen fondswerving gaat van de inkomsten ook een deel naar de internationale organisatie. Een bepaalde omvang kan een voordeel zijn. Maar is de organisatie open over de kosten van dergelijke internationale verbanden? Ook dit kan men bij een keuze voor steun laten mee wegen. Daarbij komt dat internationale organisties de Nederlandse achterban niet direct betrekken bij het werk, anders dan het geven van informatie. Beleidsmatig heeft de Nederlandse fondswerving ook geen of slechts beperkte inspraak in wat er met het geld gebeurt. Volledig Nederlandse organisaties kunnen beter de verbinding tussen mensen hier en mensen daar tot stand brengen. Voor wie dat belangrijk vindt, kan ook hier een criterium liggen voor positief kritisch geven.

ACTIEVE INTERACTIE

We zien dat in de relatie tussen GDO en de achterban een verschuiving aan het optreden is. Enigszins generaliserend zou je kunnen zeggen dat het ‘transactiemodel’ vervangen wordt door het ‘engagementmodel’. Het eerste model houdt, in het kort, in dat de achterban een GDO geld geeft om daarmee hun goede dingen te doen. Ik geef en zij doen voor mij het goede werk. Het engagementmodel gaat ervan uit dat mensen in Nederland die de GDO’s tot hun achterban rekenen, zich zelf betrokken weten op een verbetering van situaties in de wereld en graag betrokken willen zijn bij de realisering van voor hen belangrijke waarden. De GDO’s stellen de burger in staat om met inschakeling van de organisatie aan die waardenrealisering te werken. Het motief, de drive ligt in dit model primair bij de burger, de christen die vorm wil geven aan zijn roeping of ideaal; de GDO faciliteert dat. Dit model houdt een actievere interactie in tussen ‘achterban’ en GDO dan het eerste model. Dit kan voor donateurs een reden zijn om voor organisaties te kiezen die aan dergelijke betrokkenheid ruimte geven (vgl. hierboven). Ik denk dat we meer en meer naar dit model gaan; dit kan mogelijk ook goede particuliere initiatieven kanaliseren en een ongecontroleerde en onwenselijke opmars van losse initiatieven voorkomen.

***

In deze bijdrage heb ik overwegingen aangereikt om ‘kritisch te geven.’ Dit betekent in de eerste plaats: geven van wat de Heere ons toevertrouwde. Wanneer we dat doen, mogen we ons daarbij vooral afvragen of het werk dat we steunen, positief betrokken is op manieren waarop God Zijn heilige en heilrijke bedoelingen met mens en schepping gestalte wil geven.

Dr. H. Jochemsen was tot 1 november 2017 directeur Prisma, vereniging van christelijke organisaties in ontwikkelingssamenwerking en wereldwijd diaconaat.


Voor verdere studie: H. Jochemsen, ‘Als de tak wil bloeien… Ontwikkelingssamenwerking in christelijk perspectief’, uitg. Buijten en Schipperheijn, Amsterdam; € 27,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 2018

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PROFESSIONELE HULP

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 2018

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's