WAT BEPAALT JE IDENTITEIT?
Het hebben van een seksuele relatie is geen must
In onze samenleving is het gemeengoed geworden om te spreken over ‘homo’ en ‘hetero’, alsof de hiermee aangeduide seksuele gerichtheid ons mens-zijn definieert. Maar is dat wel zo in het licht van het Woord van God?
Op welke manier is onze seksuele gerichtheid bepalend voor onze identiteit als mens? Ben je homo dan wel hetero, óf ben je een mens – een mens die God toebehoort – met homo- of heteroseksuele gevoelens?
Om iets te kunnen zeggen over de verhouding tussen onze seksualiteit enerzijds en onze identiteit als mens anderzijds, moeten we helder zien wat onze eigenheid is als mens in verhouding tot de Heere God.
SCHEPSEL EN ZONDAAR
Ten opzichte van de Heere staan wij als mens te allen tijde in een verhouding van schepsel tot Schepper. Daarmee is het wezenlijke onderscheid tussen God en mens gegeven. Hoezeer Paulus ook spreken kan van de mensheid als ‘Gods geslacht’ (Hand.17:28-29) en hoe betekenisvol het ook is dat de mens geschapen is ‘naar Gods beeld’ (Gen.1:26-27), dat heft het principiële onderscheid tussen Schepper en schepsel niet op. Behalve dit identiteitsbepalende van de mens als schepsel tekent de Schrift de mens na Genesis 3 evenzeer als ‘zondaar voor God’. Dat zondaar-zijn is niet een stukje van het mens-zijn, maar doortrekt alles wat de mens heeft en is. De zogenoemde ‘komma van Kohlbrugge’ is een duidelijke exponent van dit bijbelse mensbeeld. In Romeinen 7:14 tekent de apostel Paulus de mens niet als ten dele zondaar (‘Ik ben voor zover ik vleselijk ben, verkocht onder de zonde’), maar als totaal zondaar (‘Ik ben vleselijk, [komma] verkocht onder de zonde’). Sinds de zondeval is ons zondaar-zijn identiteitsbepalend voor ieder mens, van geboorte tot sterven.
IN CHRISTUS
Daarmee is niet alles gezegd. Paulus spreekt over ‘de mens die God toebehoort’ (2 Tim.3:17a). Dat is de mens die in de weg van geloof en bekering het eigendom van Jezus Christus is geworden. Terwijl hij schepsel en ook zondaar is en blijft, mag hij zich door Gods genade aangenomen weten tot ‘kind van God’.
Wie de nieuwtestamentische brieven op dit punt leest, kan niet om de uitdrukking ‘in Christus’ heen (vgl. Ef.1:3-14). Het is de gemeenschap met Christus (de unio cum Christo), waardoor de diepste identiteit van de christen wordt bepaald. Niet wat de gelovige zelf denkt, beleeft of verlangt, is bepalend voor zijn identiteit; het is de geloofsverbondenheid met de levende Christus, die hem herschept tot wie hij in Gods ogen werkelijk zijn mag: mens die God toebehoort.
Een voorbeeld kan dit misschien verduidelijken. Op haar trouwdag veranderde de positie van Máxima als Argentijns burgermeisje in die van een Nederlandse prinses. Met haar nieuwe positie veranderde ook haar identiteit. Vanaf die dag behoorde Máxima tot de koninklijke familie. Dit betekende dat zij anders zou leren denken, spreken en handelen. Máxima ontleent haar nieuwe identiteit niet langer aan haar oude positie, maar aan wie zij nu is in Willem-Alexander: koningin der Nederlanden. In veel diepere zin ontleent de christen zijn identiteit aan Christus alleen. Buiten Hem is hij niets, en zeker geen christen...
VERWRONGEN BEELD
Wanneer de identiteit van de mens en toegespitst die van de christen met bovenstaande woorden is gekenschetst, blijft de vraag hoe zich dat verhoudt tot zijn seksuele gerichtheid. Minstens twee gedachtepatronen hebben geleid tot een verwrongen beeld van de verhouding identiteit en seksualiteit.
Allereerst de teneur binnen onze maatschappij, waarbij de waardering van seksualiteit zó hoog is dat het beleven daarvan lijkt te behoren bij de primaire levensbehoeften van een mens. De keuze om af te zien van een seksuele relatie – wat iets anders is dan een leven zonder diepe vriendschappen – is in de ogen van velen nagenoeg onmogelijk.
Een tweede gedachtegang lijkt echter binnen de christelijke kerk zelf de toon te hebben gezet. Dat is de gedachte dat het ongetrouwd zijn per definitie een tekort in zich heeft, omdat het huwelijk dé vanzelfsprekende levenswijze zou zijn. Dat God echter sommige mensen roept tot het huwelijk en anderen tot het ongetrouwd blijven, is wellicht te weinig beseft in ons (kerkelijke) spreken over seksualiteit. In het licht van Gods Koninkrijk relativeert het Nieuwe Testament de getrouwde status.
HUWELIJKSVERBOND
Seksualiteit behoort bij de geschapen, goede schepping van God. Het hebben van seksuele gevoelens en verlangens is dan ook iets wat volledig als een geschenk uit Gods goede hand ontvangen mag worden.
Tegelijk moet gezegd dat ook dit geschapen geschenk in alle aspecten is aangetast door de allesverwoestende kracht van de zonde. Juist daarom is vanuit het geheel van de Schrift de beleving van de seksualiteit ingekaderd in de unieke huwelijksrelatie van man en vrouw.
Wie dat belijdt, zal vanuit de Schriften tegelijk willen onderkennen dat de seksuele beleving ondergeschikt is aan wat de diepste identiteit van een christen uitmaakt. Immers, binnen of buiten een huwelijksrelatie is de christen ‘in Christus’; is hij een ‘mens die God toebehoort’, is hij ‘niet van zichzelf, maar het eigendom van Jezus Christus, Die hem kocht met Zijn bloed’ (HC, vr&antw.1). Dát, en niet zijn seksualiteit, maakt zijn diepste identiteit uit.
Wie in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift het beleven van seksualiteit wil inkaderen binnen het huwelijksverbond van man en vrouw, zegt daarmee ook dat elke levenswijze buiten dat huwelijksverbond een keuze betekent voor seksuele onthouding. Dat geldt degene die een heteroseksuele gerichtheid ervaart en gewild of ongewild niet tot een huwelijk komt; dat geldt evenzeer degene die uitsluitend een homoseksuele gerichtheid bij zichzelf ervaart.
AFWIJZING
Ondertussen mag op deze plaats erkend worden dat sommigen zichzelf weliswaar bewust ‘homo’ noemen (en daarmee benadrukken dat in hun beleving het homozijn wel degelijk onderdeel is van hun identiteit), maar zich allereerst ‘christen’ weten en daarom kiezen voor celibatair leven. Het is uitermate pijnlijk wanneer de afwijzing van een homoseksuele relatie ervaren wordt als een afwijzing van het mens-zijn van de persoon die het betreft. Die gevolgtrekking kan alleen maar voortkomen uit een verkeerde vooronderstelling, namelijk dat het hebben van een seksuele relatie een must is wanneer iemand recht wil doen aan zijn of haar identiteit.
Al vanuit ons schepsel zijn, maar meer nog vanuit het ‘in Christus zijn’, mag en moet die kramp er echter helemaal vanaf, zowel bij homo- als heteroseksualiteit. Wie de seksualiteit en de beleving daarvan identiteitsbepalend noemt voor ons mens-zijn, miskent de verschillende situaties waarin de mens er in gehoorzaamheid aan Gods Woord voor kiest om zich op het terrein van de seksualiteit te onthouden. Die keuze mag dan samengaan met het diepe verlangen dat de mens die God toebehoort, ‘volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust’ (2 Tim.3:17b). Iedere christen, of hij nu homo- of heteroseksueel gericht is, bidt het gebed dat hem werkelijk brengt tot zijn bestemming: ‘O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk!’
IN DE GEMEENTE
Dit alles vraagt van de christelijke gemeente een hartelijke erkenning dat de roeping van een christen binnen of buiten het huwelijk niet meer of minder is, maar juist binnen het geheel van het lichaam van Christus elkaar aanvullend en daarmee complementair. Paulus schrijft aan de gemeente van Korinthe: ‘Zoals God aan ieder heeft toebedeeld, zoals de Heere ieder geroepen heeft, zó moet hij wandelen.’ (1 Kor.7:17).
Laat de gemeente bewust zoeken naar gemeenschapsvormen waarin onvoorwaardelijke liefde en vriendschap binnen de christelijke gemeente tot uiting kunnen komen, ongeacht het gehuwd of ongehuwd zijn. De ongehuwde broeder of zuster heeft andere gaven en andere mogelijkheden dan degene die in de huwelijksrelatie een eerste roeping heeft jegens echtgeno(o) t(e) en eventuele kinderen.
ONTMOETING
Daarbij kan het dienstbaar zijn wanneer er een ontmoetingsplek is waarin gemeenteleden met een homoseksuele gerichtheid iets kunnen delen van hun worsteling, juist ook als het gaat om het verstaan van je diepste identiteit. Een christelijke visie daarop staat immers haaks op wat gemeengoed is in de maatschappij. Laat tegelijk geen aparte status ontstaan voor de ene of de andere groep binnen de christelijke gemeente. We hebben elkaar in de onderlinge ontmoeting nodig, ‘één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping.’ (Ef.4:4)
Ds.J.J. ten Brinke is predikant van de hervormde gemeente te Oud-Beijerland en lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 2018
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's