De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BEGRAFENIS VAN JEZUS

Bekijk het origineel

BEGRAFENIS VAN JEZUS

Nedergedaald in de hel. Uitleg van ds. J. van der Kemp [1]

7 minuten leestijd

De nederdaling van Jezus in de hel is een bekende uitdrukking in de Apostolische Geloofsbelijdenis. Deze woorden hebben in de loop van de tijd veel pennen in beweging gebracht. Er is ook veel verschil van mening over de uitleg.

Dr. B. Wentsel stelt in zijn dogmatiek dat het niet om een detail in de geloofsleer gaat. Hij schrijft: ‘Niettemin is dit gebeuren wel gekwalificeerd als een knooppunt waar alle draden van de waarheid samenkomen.’

HEIDELBERGSE CATECHISMUS

De Heidelbergse Catechismus behandelt de nederdaling in de hel in vraag en antwoord 44. De vraag luidt: ‘Waarom volgt daarop: Nedergedaald ter helle?’ Het antwoord is: ‘Opdat ik in mijn hevigste aanvechtingen de volstrekte zekerheid en troost mag hebben dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, die Hij, in heel Zijn lijden maar bovenal aan het kruis heeft ondergaan, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.’

DRIEHONDERD JAAR

De vraag die me bezighoudt, is: Hoe leggen we dit artikel uit? Hoe is erover gesproken in de gereformeerde theologie? Ik richt me in dit artikel op de uitleg die ds. J. van der Kemp (1664-1718), een bekende gereformeerde predikant, gegeven heeft. Het is dit jaar driehonderd jaar geleden dat Van der Kemp plotseling overleed in de kracht van zijn leven. Zijn catechismusverklaring was in de achttiende eeuw tientallen jaren zeer geliefd in de kerk en ook daarna, tot op de dag van vandaag.

EENVOUDIGE OUDERS

Johannes van der Kemp ziet in 1664 het levenslicht in Rotterdam. Hij is de zoon van eenvoudige ouders. Na theologie te hebben gestudeerd, wordt Van der Kemp in 1691 predikant in Dirksland. Hij volgt de bekende predikant ds. Jacobus Fruytier op, die in Dirksland stond van 1688 tot 1691. Hij trouwt in 1692 met Alida Rogge. Ze krijgen twee zonen.

Dirksland is de enige gemeente die ds. Van der Kemp dient. Op 17 november 1718, tijdens een preek over 1 Petrus 4:11a, zakt hij op de kansel ineen. Enkele ogenblikken daarna overlijdt hij in zijn woning. Hij is dan 54 jaar. In de achterwand van het koor van de Hervormde kerk bevindt zich zijn grafsteen. Een van de zonen en een kleinzoon worden later predikant. Een achterkleinzoon wordt jurist. Hij geniet bekendheid omdat hij de gang van zaken rond de Afscheiding van 1834 betreurt, maar het desondanks voor de afgescheidenen opneemt.

PUBLICATIES

De werken van Johannes van der Kemp vinden na zijn overlijden veel aftrek. Zo spreekt hij na zijn sterven. Dit geldt in het bijzonder voor zijn catechismusverklaring. In 1713 verschijnt van zijn hand: De Heidelbergsche Katechismus, kortelijk geopend en verklaard, by wyse van vragen en antwoorden. Een tweede druk verschijnt in 1756.

Een jaar voor zijn overlijden, in 1717, verschijnt een uitgebreidere verklaring, getiteld De Christen geheel en al het eigendom van Christus in leven en sterven, vertoont in drieënvijftig predikatiën over den Heidelbergschen Katechismus. In 1779 komt de negentiende druk van de pers. In een periode van 62 jaar negentien drukken is wel bijzonder te noemen.

Van der Kemp behoort tot de Voetiaanse richting en voelt zich verwant met Van Lodenstein. Hij verdedigt de ‘hervormde geloofsleer’ tegen allerlei dwalingen en dringt aan op een leven in ‘evangelische godzaligheid’.

ANDERE VISIES

Hoe denkt Van der Kemp over de nederdaling in de hel? Hij schrijft: ‘Dit moet men niet zo verstaan, alsof Christus in de plaats der verdoemden is nedergedaald, om daar voor de machten der hel te triomferen en te zegepralen, gelijk de Luthersen menen.’

Te denken is hier aan artikel IX uit het Lutherse belijdenisgeschrift de Formula Concordiae (1577), waar te lezen is dat Christus in Zijn hele persoon, God en mens na Zijn begrafenis in de hel neerdaalde, de satan overwon, de macht van de hel neerwierp en de duivel van alle kracht en macht beroofde. Hierbij wordt een beroep gedaan op de beroemde preek die Luther in 1533 in Torgau gehouden heeft. De nederdaling in de hel is op deze wijze te zien als de eerste trap in de verhoging van de Heere Jezus en niet als de laatste trap van Zijn vernedering.

Vervolgens zegt Van der Kemp: ‘Noch ook dat Hij in een voorburg van de hel, waar de gelovige vaders van het Oude Testament zouden zijn bewaard geworden, gegaan is, om die eruit te verlossen.’ Hier denkt hij aan de leer van de Rooms-Katholieke Kerk die ervan uitgaat dat de zielen van de rechtvaardigen van het oude verbond nog niet de hemel waren binnengegaan, maar zich bevonden in het voorgeborchte of ook wel de voor-hel. Jezus bracht deze zielen naar de hemel.

GEPREDIKT

Van der Kemp stelt dat zowel de lutherse als de rooms-katholieke visie niet door Gods Woord wordt geleerd. Na Zijn dood ging Jezus niet naar de hel, omdat Zijn lichaam zich in het graf bevond en Hij Zijn ziel had overgeven in de handen van de Vader. De gelovigen van het Oude Testament, zoals Henoch, Abraham, Jakob en Elia zijn rechtstreeks naar de hemel gegaan. En dat ‘op Christus’ Borgtocht, en op de terugwerkende kracht van Zijn lijden’.

Hoe zit het dan met 1 Petrus 3 waar we lezen: ‘door Wie Hij ook, toen Hij heenging, aan de geesten in de gevangenis gepredikt heeft’? Van der Kemp schrijft: ‘De geesten in de gevangenis heeft Christus wel gepredikt. Maar niet door een lichamelijk nederdalen in de gevangenis. Maar door Zijn Geest, in welke Hij is heengegaan, en heeft in de dagen van Noach en door hem gepredikt tot de inwoners van de eerste wereld, die de geesten zijn, en nu, toen Petrus dit schreef, in de gevangenis waren, maar niet toen Christus hen predikte.’ Omdat de Geest van Christus in de profeten van het Oude Testament werkte (2 Petr.1:10,11), is deze uitleg mogelijk. Christus heeft in deze visie door middel van Noach gesproken tot mensen die leefden voor de zondvloed.

IN HET GRAF

Na de afwijzingen van deze visies beschrijft Van der Kemp hoe zijns inziens de nederdaling in de hel moet worden uitgelegd, waarbij hij zich enigszins kritisch uitlaat over de Apostolische Geloofsbelijdenis: ‘Het is waar. ‘Het is waar, onze Geloofsbelijdenis zegt, dat Christus is nedergedaald ter helle. Maar we weten ook dat deze Geloofsbelijdenis, een menselijk geschrift zijnde, naar de zin van Gods Woord moet verklaard worden. Dat het nederdalen ter helle niet gevonden wordt in de oudste Geloofsbelijdenissen en dat het wel in de Geloofsbelijdenis van Athanasius staat. Doch dan is er de begrafenis uitgelaten, gelijk het begraven wordt gesteld in de Geloofsbelijdenis Van Nicea. Maar daar vindt men de nederdaling ter helle niet.’

Van der Kemp stelt dat het Hebreeuwse woord sjeool en het Griekse woord hades zowel ‘hel’ als ook ‘graf’ kan betekenen. Zo is de nederdaling van Jezus in de hel volgens hem te zien als Zijn begrafenis. Van der Kemp verwijst naar Psalm 16:10, waar in de Statenvertaling staat: ‘Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten.’ Dat deze tekst over de lichamelijke begrafenis van Jezus spreekt, bewijzen Petrus en Paulus in Handelingen 2: 24-31 en 13:35-37. Het is in de lijn van Van der Kemp dat in de Herziene Statenvertaling is vertaald: ‘Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten.’

ZIELENLIJDEN

Van der Kemp stelt dat in de Apostolische Geloofsbelijdenis de begrafenis van Jezus uitdrukkelijk genoemd is en dat het daarom niet zo kort erna herhaald hoeft te worden door de woorden ‘nedergedaald in de hel’. Daarom wijzen deze woorden volgens hem vooral op het zielenlijden van Jezus.

Het is opvallend dat deze woorden uit deze preek zijn blijven haken. Dit blijkt uit een schrijven van de Amsterdamse Reveilman H.J. Koenen aan jurist C.M. van der Kemp, de achterkleinzoon van ds. J. van der Kemp. In een brief uit 1834 brengt Koenen het ondertekenen van ‘de grondslagen van de Kerk’ door predikanten ter sprake. In dat verband zegt hij iets opmerkelijks over de catechismusverklaring van de Dirklandse predikant: ‘Maar zoo streng hebben zelfs onze voorvaderen het nooit genomen. Dus had men zelfs een Van der Kemp (uw overgrootvader) kunnen in den ban doen, omdat hij in zijne Catechismus de Nederdaling ter helle anders dan, ja in tegenspraak met dat geloofsformulier uitleide.’

Ds. J.H. Lammers is predikant van de hervormde gemeente te Ridderkerk.


Volgende week het slot van dit tweeluik, over de zwaarte van Christus’ lijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 2018

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

BEGRAFENIS VAN JEZUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 2018

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's