De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GLOBAAL BEKEKEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GLOBAAL BEKEKEN

4 minuten leestijd

Op donderdag 29 november nam prof. dr. George Harinck afscheid als directeur van het Historisch Documentatiecentrum aan de VU. Bij die gelegenheid presenteerde hij een boekje met de titel Men wil toch niet gaarne een masker dragen (Donumreeks, HDC). Het bevat een verzameling brieven van de naar Amerika geëmigreerde afgescheiden dominee Henry Dosker (1855-1926) aan zijn vriend, Herman Bavinck (1854-1921). Wat ging het er persoonlijk aan toe en hoe bijzonder was de stijl! Over het overlijden van Doskers vrouw, Lyda Doornik (in 1880):

Geliefde vriend,

Ongetwijfeld hebt gij van mijne ouders reeds gehoord wat ontzettend wee God mij aangedaan heeft. O Herman, Herman, dat gij hier eenige oogenblikken ook maar zijn kondet, om te deelen in mijn smart, om met mij te weenen! Dat ik in uwe ooren al de bittere klaagtonen mijner ziel kon uitstorten. Mijn lieve Lyda is niet meer. Een oogenblik van het reinste geluk hebben wij doorleefd, en de noorderwind stak plotseling op, en de bloem, die zoo welig tierde, verflensde plotseling. Het is heden juist drie weken, dat zij in X (Christus) ontsliep, en ofschoon ik reeds lang vergeefs heb gewacht op een schrijven van u; ofschoon het welhaast schijnt als zou onze liefderijke briefwisseling afgebroken worden, zoo kan, zoo wil ik u thans niet missen. De sympathie van jaren her moet mij thans, in mijn onbeschrijfelijk leed, te stade komen. Ik moet weten dat gij met mij lijdt. Ik moet aan u mijn overkropt hart ontlasten.

Zondag den 30e was zij nog zoo wel, wij koutten nog zoo gezellig samen, wij gingen zoo opgeruimd naar boven naar onze slaapkamer. Maar helaas nog naauwelijks daar, overviel haar een doodelijke ongesteldheid.(...). Zij ging heen zonder een woord van vaarwel.

O die nacht, Herman! Dat worstelen dat ik gedaan heb met den dood! Dat roepen tot God! De oogenblikken van wanhoop. Dat wegebben van al wat mij dierbaar was op deze aarde. Gij, gij kunt mij verstaan. Gij ook weet iets van teleurstelling. Maar o, er is iets wreders, dan in zijne liefde gedwarsboomd te worden. Er is iets ergers dan zooals wij verleden jaar, bij dat graf op den Agnietenberg te staan! (Bedoelde de schrijver in de twee voorgaande zinnen ‘niets’ in plaats van ‘iets’? v.d.G.) Deze slag is verpletterend. Want, o lieve vriend, dat graf ontving mijn ál! Ik hoopte in aug. vader te zijn (...)

***

Dr. Harinck kreeg ook een vriendenboek(je) met bijdragen van 78 vrienden, onder de titel Tussen Amsterdam en Kampen (Donumreeks, HDC). Fred van Lieburg schrijft over ‘Schot van Ross’:

‘Omdat mijn ouders geen verhalenvertellers waren, weet ik weinig over mijn familie. Maar mijn moeder heeft als negenjarig meisje het schot gehoord waarmee mijn opa zichzelf doodde.’ Deze adembenemende mededeling deed George Harinck onlangs in een interview met het christelijke opinieblad De Nieuwe Koers. Zijn grootvader George Ross (1884-1951) was gemeentesecretaris van Alblasserdam en tevens bankdirecteur. Toen zijn bank tijdens de wereldwijde financiële crisis failliet ging, greep hij naar het laatste middel, met alle sociale en emotionele gevolgen van dien voor weduwe en kinderen.

Een openhartig interview kan iemand dichterbij brengen, dichter dan zelfs na jarenlange nabijheid in een universiteit en faculteit gelukt is. Zo blijken George en ik het grootste deel van onze jeugd te zijn opgegroeid in Rotterdam-Alexanderpolder. Maar mijn ‘ik ook’ betreft vooral de afstammelingen van een jongeman, die het schot waardoor zijn vader stierf niet alleen heeft gehoord, maar ook gezien. Anthonie van Lieburg (1748-1813), soldatenzoon en kleermaker in Nieuw-Beijerland, werd tijdens een conscriptieoproer in de Hoeksche Waard, waar hij zijn zoon uit het leger van Napoleon wilde houden, als eerste getroffen door de kogel van een Franse politieman. (...)

‘Misschien schrijf ik er nog eens een boek over’, zegt hij over de tragiek van zijn grootvader. Zo’n voornemen kan ik ten aanzien van mijn betovergrootvader alleen maar meekoesteren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2018

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

GLOBAAL BEKEKEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 2018

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's