BOEKBESPREKINGEN
Jan-Henk Soepenberg
Op ongebaande wegen. De Afscheiding in Amsterdam (1835) als landelijke proeftuin voor vrije kerken.
Uitg. Boekencentrum Academic, Utrecht; 574 blz.; € 32,50.
De Afgescheidenen verlieten de kerk der Hervorming, die door de invoering van het Algemeen Reglement uit 1816 in diep verval zou zijn geraakt. Soepenberg schetst in deze uiterst boeiende en zorgvuldig geschreven dissertatie, die ik hartelijk aanbeveel, een genuanceerder beeld van het theologische klimaat in de toenmalige Hervormde Kerk, te weten in Amsterdam. Veel Amsterdamse hervormde predikanten waren aanhangers van het zgn. ‘rationalistisch supranationalisme’, dat een brug probeerde te slaan tussen traditie en de Verlichting. Vanuit de kring van de conventikels en van de ‘oefenaars’, maar ook vanuit het Réveil, kwam er tegengas. Vooral de theologische hoogleraren Van Hengel en Royaards moesten het ontgelden. Het gebeuren in Ulrum en Doeveren deed daar nog een schepje bovenop.
Toch waren er ook anderen die erop wezen dat er in de Hervormde Kerk nog altijd schriftgetrouwe predikanten te vinden waren en dat de gereformeerde leer in de belijdenisgeschriften nog steeds aanwezig was. De meeste geestverwanten bleven daarom ook achter in de kerk. Soepenberg toont aan dat het te kort door de bocht is om de Afscheiding te zien als een opstand van het eenvoudige volk, de ‘kleine luyden’, tegen de bovenlaag.
Een hoofdstuk dat me echt raakte, was dat over de reactie van de grotendeels aristocratische Réveilkring, die, behalve het echtpaar Van Hall, niet meeging met de Afscheiding. Terwijl ik las, kwamen er allerlei parallellen met 2004 naar boven, inclusief de strijd, pijn en machteloosheid.
Na een hoofdstuk over de invloed van de Nadere Reformatie, dat mijns inziens beknopter had gekund, volgt een boeiend hoofdstuk over oefenaars en bekeringsverhalen, tot in het extreme toe.
De hervormde gemeente van Amsterdam reageerde in februari 1836 op de Afscheiding met een Herderlijke Brief, die door alle predikanten, zelfs de orthodoxe, werd onderschreven. Dit schrijven werkte bij de Afgescheidenen echter alleen maar contraproductief. Het repressieve optreden van de kant van de overheid leek soms wel een kat-en-muisspel. De maatregelen werden met tegenzin uitgevoerd. Amsterdam had immers een reputatie van gastvrije stad voor vervolgde religieuze minderheden hoog te houden. In 1839 brak dit verzet dan ook.
De divergentie binnen de afgescheiden gemeente was groot. Velen kwamen uit de bestaande conventikels en brachten hun eigen bevindelijke theologie mee. Theologen als J.A. Wormser en H.P. Scholte gingen daar nogal tegen te keer, hetgeen uitliep op de onverkwikkelijke Amsterdamse twisten. Deze liepen zelfs uit op de (tijdelijke) afscheiding van de extreme oefenaar Middel en zijn aanhang, waardoor Amsterdam zelfs even een ‘Hersteld-Gereformeerde’ gemeente telde, waar in alle toonaarden werd gehamerd op bevindelijke kennis van de eigen verdorvenheid.
Met de komst van Simon van Velzen naar Amsterdam, die in zijn jonge jaren nogal strijdlustig was en affiniteit had met de conventikelspiritualiteit en het daardoor ook voor oefenaar H.H. Middel opnam, kwam het dusdanig tot een clash met Scholte dat de prille kerkgemeenschap op haar grondvesten schudde. Allemaal een gevolg van conflicterende karakters en overtuigingen.
Leerzaam zijn ook de hoofdstukken over Wormser en Scholte, die beiden aan de wieg van de Afscheiding stonden. Eerstgenoemde kwam zelfs buiten de gemeente te staan en werd steeds kritischer richting Afscheiding. Hij probeerde een seminarie te realiseren vanuit de hele gereformeerde gezindte, net als kortgeleden rond de GTU, maar ook toen lukte dat niet. Uiteindelijk keerde Wormser terug naar de kerk.
In ethisch opzicht waren de Afgescheidenen nogal wettisch. Op spreken over seksualiteit heerste een groot taboe, omdat dit onderwerp met de zondeval te maken zou hebben. Veel zaken vond men tuchtwaardig.
In deze studie werd ik me des te meer bewust dat de geschiedenis zich steeds herhaalt en dat er rond de Afscheiding nogal wat vleselijke en karakterologische elementen meespeelden, die weer een volgende scheuring opriepen. Een ontdekkende studie!
H. LIEFTING, GOUDA
Tjerk de Reus
Ad den Besten. Deelbiografie 1923-1955.
Uitg. Skandalon, Middelburg; 575 blz.; € 35.
We kennen Ad den Besten als een van de vijf dichters van de psalmberijming van 1967, samen met Jan Wit, Klaas Heeroma, Jan Willem Schulte Noordholt en Willem Barnard. In zijn op 9 oktober verdedigde proefschrift zoomt de neerlandicus Tjerk de Reus in op het eerste deel van het leven van Ad den Besten, wat een focus oplevert op de oorlogsjaren en de poëzie van de zogenoemde Vijftigers. Van mij had de auteur zijn 575 bladzijden mogen spenderen aan heel het leven van Den Besten. Voor de gekozen onderzoeksvraag is dit boek echt fors te dik. Het gevolg van de keus van De Reus is dat hij uitvoerig ingaat op zijn doel: het inzichtelijk maken van de opvatting van Ad den Besten over poëzie.
Hij doet dit in het licht van levensbeschouwelijke en biografische motieven, omdat Den Besten poëzie, levensbeschouwing en theologie steeds met elkaar in verband brengt.
Uitvoerig komen de jeugdjaren van Ad den Besten aan de orde: opgroeiende zoon van een gescheiden en pro-Duitse vader, zoekend naar een theologische visie op de cultuur waarin open en belijdend samengaan, gecharmeerd van de ideologie van de nazi’s – wat bij elkaar leidt tot een nieuwe oriëntatie in het kerkelijke en theologische klimaat na de oorlog, waarin hij als opgeleid theoloog kiest voor het dichterschap. De lezer is dan al wel 250 pagina’s gevorderd.
In zijn doordenking van wat poëzie moet zijn, komt Den Besten uit bij de persoonlijkheid van de dichter, die in de verzen tot expressie komt, waarin het moet gaan om de mens áchter de façade van fatsoen en rationaliteit. Hij zoekt naar kunst die de gebrokenheid van het leven aankan – ‘een gebroken esthetica’ is een kernnotie –, die ‘waarachtig existentieel’ is, zich niet verschuilt achter gelovigheid of stichtelijkheid. Omdat je als mens en als dichter tot antwoord geroepen bent, komt zijn visie op poëzie op uit een theologisch geïnspireerde mensvisie. Denken en dichten worden tot daad. Zo wordt poëzie voor Ad den Besten naamgeving, een talige ordening van wat zich uit de diepte van het bestaan aandient.
Tjerk de Reus heeft een mooi portret getekend van de mens Ad den Besten, die als gelovige relevant was voor een kunstenaarswereld die weinig op had met de kerk en haar geloofstraditie. Diens zoektocht naar verbinding tussen moderne, naoorlogse cultuur en overtuigd, niet-burgerlijk christendom doet ons vandaag in de spiegel kijken.
P.J. VERGUNST
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 2019
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 2019
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's