De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE HOER EN DE BRUID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE HOER EN DE BRUID

(Hoe) lezen we Openbaring? [5, slot]

9 minuten leestijd

Aurelius Augustinus raakt in zijn boek De Civitate Dei (Over de stad Gods) precies het verhaal dat in de laatste hoofdstukken van Openbaring wordt verteld: de kosmische strijd tussen Babylon en Jeruzalem. Twee steden, getekend als twee vrouwen: een hoer en een bruid.

Met name in het tweede deel van zijn boek vertelt Augustinus over ‘de twee steden die in deze tijd en wereld met elkaar vervlochten en vermengd zijn’. Twee steden die de (heils)geschiedenis bepalen: een aardse stad en een hemelse stad, die hij later benoemt als stad van de duivel en stad van God: Babylon en Jeruzalem. Twee werkelijkheden, die tot aan de voleinding strijden.

BABYLON EN JERUZALEM

De grote hoer, dat is die stad Babylon (19:2). Ze heeft de wereld te gronde gericht met haar hoererij. Ze heeft de wereld geleerd om niet God te eren, Hem lief te hebben. In plaats daarvan leerde ze de wereld te leven voor geld, bezit, seks, macht (18:2-3). Ze verleidde om allerlei dingen die God heeft gemaakt als god te gaan vereren. En zo zit het kwaad inmiddels diep in deze wereld verworteld en is Babylon een woord waarmee de menselijke rebellie tegen God kan worden getypeerd.

Daartegenover is Jeruzalem de bruid. Bruid van het Lam, Jezus Christus. Zuiver en puur, schoon en oprecht. Omdat ‘het haar gegeven is zich met smetteloos en blinkend fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen’ (Openb.19:8). Het is het beeld van Gods geheiligde volk in en tegenover een gevallen wereld. De stad van het kwaad, de stad van het goede. De stad die liefde verdienen moet (hoer), de stad die liefde ontvangt (bruid). Duivelsstad, Godsstad. In de geschiedenis zijn die twee soms zo onherkenbaar door elkaar heen verweven. Telkens komen vormen van Babylon en Jeruzalem terug. Stukjes van het duivelsrijk, stukjes Koninkrijk. Samen vormen ze het leven en telkens weer zijn ze met elkaar in strijd. Zoals ds. P.L. de Jong schreef in zijn Sores en zegen: ‘De Bijbel eindigt met Babel of Jeruzalem. Babel gaat ten onder, het nieuwe Jeruzalem komt naar ons toe. Het dubbele gezicht van de stad in de Bijbel – met een Jeruzalemkant en een Babelkant – heeft kerk en christenheid de eeuwen door geprikkeld en geïnspireerd om zich in te zetten voor Jeruzalem en te vechten tegen Babel.’

MENSELIJKE STRIJD

Maar… juist rondom dat laatste punt wordt het spannend. Want de menselijke inzet voor Jeruzalem en de menselijke strijd tegen Babylon lopen zo vaak op niets uit. Daar laat de geschiedenis veel van zien. Niet in de laatste plaats omdat de mens genoeg heeft aan de strijd tegen het denken van Babylon dat hij in zichzelf terugvindt. Want de trots van Babel ligt niet ver van ieder. Daarom zal het anders moeten, wil het ooit echt anders zijn. Daarom zal er meer nodig zijn dan menselijke inzet om deze wereld te verlossen van het kwaad. Wat mensen keer op keer nalaten, dat zal God moeten doen. En dat is precies waar het boek Openbaring op uitloopt.

DE VAL

Openbaring 17 en 18 tekenen kleurrijk de val van Babylon, de stad die er ooit zo prachtig en verleidelijk bij lag (18:16).

De stad waar ooit alles kon, die alles in zich had wat je maar wilde. De stad waarvan zovelen vol bewondering zeiden: ‘Welke stad was aan deze grote stad gelijk?’ (18:18) Ooit was het de stad van de trots – zoals je in Genesis 11 al in ‘Babel’ merken kon; de stad waarover Nebukadnezar in al zijn trots en hoogmoed struikelde toen hij zei: ‘Is dit niet het grote Babel, dat ik als een huis voor het koninkrijk gebouwd heb, door mijn sterke macht en ter ere van mijn majesteit?’ (Dan.4:30).

Over die stad zal huilend en treurend worden gezegd: ‘Wee, wee de grote stad, waarin allen die schepen op zee hadden, rijk zijn geworden door haar weelde. Want in één uur is zij verwoest.’ (Openb.18:19) Nooit zal iets van haar worden teruggevonden: ‘En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, en zei: Zó zal Babylon, de grote stad, met geweld neergeworpen worden, en het zal nooit meer gevonden worden.’ (Openb.18:21) En met een lijntje naar Genesis 19:28, waar van de steden Sodom en Gomorra wordt geschreven: ‘En zie, hij (Abraham) zag dat er rook van dat land opsteeg’, lezen we in Openbaring 19:3: ‘En haar rook stijgt op in alle eeuwigheid.’ De verwoesting van de stad van het kwaad is deze keer definitief en onherroepelijk.

DE OVERWINNING

Die val van Babylon is de opmaat naar een bijzonder en hooggestemd stukje Bijbel: de eerste en enige keer dat er in het Nieuwe Testament ‘halleluja’ klinkt. En dan wel vier keer achter elkaar. Want waar die stad met al haar kwaad definitief verslagen wordt, is de hoopvolle keerzijde dat de stad met al haar Goddelijke en goede definitief doorbreken zal: ‘Halleluja, want de Heere, de almachtige God, is Koning geworden.’ (19:6) Door het oordeel heen is nú ruimte gekomen voor de bruiloft van het Lam (19:7).

Het is een wonderlijk mooi beeld van liefde, bijzonder toegepast op God en Zijn volk. Wat loopt het uit op een feest van liefde!

Het is trouwens niet voor het eerst dat dat beeld wordt gebruikt. Je komt het bijvoorbeeld al tegen in het boek waar Openbaring sterk op leunt: in Ezechiël, hoofdstuk 16. Daar gaat het ook over een bruiloft. Over de tijd van de liefde. God is de bruidegom en Jeruzalem de bruid. Ze was als een kwetsbare vrouw die zichzelf niet kon redden. De Heere God vond haar en maakte haar tot de Zijne. Hij trouwt met haar. Hij geeft haar Zijn jawoord. En, staat er dan, ‘zo werd u van Mij’ (Ezech.16:8). De Heere God Zelf verzorgt Jeruzalem tot in de puntjes; zij ontvangt een schoonheidsbehandeling en de mooiste kleren. Opvallend genoeg precies dezelfde als in Openbaring 19: fijn linnen. Sieraden erbij, armbanden om, oorbellen in, een kroon op haar hoofd. Kortom, God maakt Zijn bruid buitengewoon mooi. Want zo alleen kan ze Gods ‘eigen’ bruid worden.

ONTROUW WEGGENOMEN

In Ezechiël 16 is het echter nog niet volmaakt. Want het eindigt met: ‘Maar u vertrouwde op uw schoonheid en bedreef hoererij.’ Ze koos voor een ander (vers 15-16). De schoonheid die Jeruzalem van God Zelf kreeg, zet ze in voor Gods tegenstrever! De liefde van Gods volk bleek grillig en kwetsbaar. Niet trouw, niet zuiver. Nog vol van verkeerde keuzes. Een stukje van de hoer van Babylon, middenin Jeruzalem! Gods volk diende Hem wel, maar had aandacht voor al het andere dat te krijgen is. De liefde in Ezechiël 16 is nog onvolmaakt. Het heeft een vervolg nodig. En daarom wordt dat beeld nu in Openbaring 19 opgepikt én vervuld. Want daar is het bruiloftsbeeld blijven staan, maar de ontrouw is eruit weggenomen. Nu zal het goed zijn – voor eeuwig. Want nu is het de bruiloft van het Lam. De Heere God Zelf zorgt voor de trouwjurk, door het bloed van het Lam, Jezus Christus, Die Zichzelf gaf, zodat Zijn bruid schoon voor Hem kan staan (Ef.5:27). Openbaring maakt het glashelder: dé reden van de overwinning van Jeruzalem is het werk van God Zelf, de liefde van de Bruidegom. En deze keer zal die liefde overwinnen!

CHRISTELIJKE HOOP

Augustinus laat zijn boek uitlopen op ‘hoe de duivel en allen die bij hem behoren gestraft zullen worden, nadat door Jezus Christus, de rechter over levenden en doden, de beide steden, die van God en die van de duivel, de hun toekomende eindpunten bereikt hebben’. En als machtig slotakkoord schrijft hij ‘een uiteenzetting over de eeuwige gelukzaligheid van de stad van God’. Daarmee toonde Augustinus zich een waar bijbellezer, want daarin ging God Zelf hem met Zijn Woord voor. Openbaring loopt precies daarop uit met de hoofdstukken 20-22. Ze vormen misschien wel dé kern van de christelijke hoop: God maakt een einde aan het kwaad en zal Zijn nieuwe wereld vestigen – voor eens en voorgoed.

MISSIONAIR

Dr. W. Dekker schrijft in Verbonden en vervreemd. Over de God van Paulus op de Areopagus: ‘Als mij gevraagd wordt wat ik geloof, dan wijs ik graag op dit grote perspectief: God zal dingen rechtzetten, ook al die dingen die wij nooit recht krijgen.’ (p.104, 105) Hij leest ‘ruige apocalyptische taal, die we toch maar zo moeten laten staan, juist om te beseffen hoe alomvattend en concreet de overwinning van God op de machten van het kwaad zal zijn.’ (p.106). Van die – missionaire! – beweging, die werkelijkheid schrijft, spreekt, zingt Openbaring.

Het laatste bijbelboek wordt nogal eens dichtgelaten, door doorgewinterde kerkgangers, maar zeker als we met gasten of ‘zoekers’ de Bijbel lezen. Snel grijpen we dan naar een woord van de Heere Jezus uit de Evangeliën. Want zoiets als Openbaring zal voor hen wel ‘te moeilijk’ zijn. Het is maar zeer de vraag of we daarmee Openbaring én de mensen van nu recht doen. Juist Openbaring zou met haar hoop en troost weleens dé woorden kunnen hebben voor de mensen van nu. Het boek en de beelden appelleren aan een diep menselijk verlangen: het rechtzetten van het kwaad en een hoopvol perspectief voor de toekomst. Thema’s die je terugvindt in talloze boeken en films. Laten we hét boek uit de Bijbel dat daarover gaat dan vooral lezen en op waarde schatten. Om zo, als Gods volk in een woelige wereld, vast te staan op Zijn belofte en op aarde voluit te leven met de hemel voor ogen. Want: onze God regeerde, Hij regeert en Hij zal regeren, van nu aan tot in eeuwigheid. De strijd wordt beslist: Babylon o, Jeruzalem 1. Halleluja!

Ds. A.J. Mouw is predikant van de hervormde gemeente te Aalburg.


AUGUSTINUS OVER DE TWEE STEDEN

Augustinus opent zijn beroemde boek met de volgende zinnen: ‘De glorierijke stad van God – zowel hier, in het voorbijsnellen van de tijden, nu die stad tussen de onvromen in den vreemde verblijft, levend uit het geloof, als ook daarginds, in de bestendigheid van het eeuwig verblijf dat zij nu nog in geduldige volharding verwacht, uitziende naar het ogenblik waarop de gerechtigheid tot het oordeel zal overgaan, maar dat zij eenmaal op grandioze wijze zal betrekken, wanneer de uiteindelijke overwinning en de vrede zullen zijn verwezenlijkt – die glorierijke stad van God wil ik met dit werk (…) gaan verdedigen tegen degenen die boven haar stichter hun eigen goden stellen.’

In het tweede deel van zijn boek schrijft Augustinus: ‘De aardse stad is gesticht door tot verachting van God gaande eigenliefde, de hemelse door tot zelfverachting gaande liefde tot God. Kort gezegd: de ene stad roemt in zichzelf, de andere in de Heer.’ (…) ‘De ene stad heeft in haar machthebbers haar eigen kracht lief, de andere zegt tot haar God: “Ik wil U liefhebben, Heer, die mijn kracht zijt.”’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 2019

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

DE HOER EN DE BRUID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 2019

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's