De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MYSTIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MYSTIEK

7 minuten leestijd

In RDMagazine De Week las ik een boeiend interview met prof. Mart van Lieburg. Bijna 45 jaar doceerde deze hoogleraar medische geschiedenis aan vier universiteiten. Nu wóónt hij in die geschiedenis, op een industrieterrein op Urk. Vijf loodsen staan mudvol boeken, maar bieden ook mogelijkheden om groepen te ontvangen en om onderzoek te doen. Het is een dynamische werkplek geworden waar gepensioneerde neurologen Latijnse teksten vertalen.

Is dit uw tweede huis?

‘Vroeger sliep ik hier vaak, maar dat is voorbij. Meestal kom ik twee of drie keer per week naar Urk. Minder lukt bijna niet. Vanmorgen kwam er een groepje uit Bunschoten op bezoek, voor de farmaceutische bibliotheek. Een paar dagen terug had ik zeventig tandartsen, morgen komen de radiologen. Zaterdag zit ik met dertien bejaarde neurochirurgen aan tafel. Zo is er bijna elke dag wel wat.’

U schreef zelf meer dan vijftig boeken.

‘Ik geloof dat ik al aan de 65 kom, maar er zit veel kaf tussen het koren. Op je eigen werk kun je niet kritisch genoeg zijn. Nu ben ik bezig met een boek over een geniale domineeszoon uit de 19e eeuw. Een van de eerste leerlingen van Kohlbrugge, een man met een onmogelijk karakter. Die jongen is schizofreen geworden en belandde in het gesticht. Ik beschrijf zijn leven tot op microniveau. (…)

U begon toch ooit met theologie?

‘En semitische talen. Daar bleef ik naast de studie geneeskunde mee bezig. Ik heb jarenlang les gehad van een chazan, meneer Seiffers, en van Max Rijssel. Die kende de complete Tenach uit zijn hoofd. Na de lagere school wilde ik dolgraag naar het gymnasium, maar mijn vader vond hbs hoog genoeg. Daarom ben ik privé Grieks en Latijn gaan volgen. Maar geneeskunde vond ik uiteindelijk boeiender.’

De kerkelijke wereld bleef wel trekken?

‘Zeker. De enige pagina van het RD die ik helemaal las, was die met de preekbeurten: pure sociale geografie! Zelf had ik een zwak voor oefenaars zoals Van de Beek en De Boer. Ik reisde heel Nederland af om ze te horen. Die mannen hadden singuliere retorische gaven. Met zware godsdienst heb ik niet veel meer. Ik heb te veel hypocrisie, poppenkast en schijn gezien in die kring.’

Enkel schijn?

‘Dat zeg ik niet. Over predikanten als Reinders, Moerkerken en A. Vergunst moet je niets lelijks zeggen. Die mensen bleven eenvoudig, daarmee scoor je bij mij. Reinders heeft me hier nog geholpen met het inpakken van boeken. Met ds. Vergunst had ik een merkwaardige vriendschap, ondanks het leeftijdsverschil. Toen ik elf was, ben ik heel ziek geweest. Mijn genezing ervoer hij als een wonder, misschien is het daardoor gekomen. Hij vertelde mij, als schooljochie, de meest persoonlijke dingen. Die man was authentiek. Nee, daar zat geen schijn bij. We hielden de jaren door contact. De laatste ontmoeting, in Veen, zal ik nooit vergeten. Aan het eind van de avond reed hij voor me uit, om me naar de rand van het dorp te gidsen. Daar stapten we even uit om gedag te zeggen. We hebben er nog minstens een uur staan praten, in het pikkedonker. Heel bijzonder.’

Liet u het christelijk geloof achter u?

‘Zo zou ik het niet zeggen. Ik ben een verlegenheidsagnost geworden en geef me over aan het onbegrijpelijke. Dat is een rustig bestaan. Oude bekenden zien me als een verloren zoon. Soms sturen ze me een mail, waarschijnlijk in de hoop dat ik terugkeer. Dat vind ik prima.’

Hoort u nog weleens een preek?

‘Zeker, alles wat met historie heeft te maken, boeit me. Zo nu en dan luister ik naar ds. Cabaret. Dat was een taalkunstenaar. Ik geloof dat ik wel 200 bandjes van hem heb. Het fascineert me hoe deze man perspectief aan een tekst weet te geven. Zo heeft hij een prekenserie over de bekende wenteltrap in Ezechiël. Elke tree is wat. Voor mij pure inlegkunde, maar het is bijzonder hoe hij daar hele preken mee weet te vullen. En het is nog aangenaam om naar te luisteren ook.’

Prof. Van Lieburg leren we hier kennen als een markant en oprecht mens met een boeiend levensverhaal. Hij nam afscheid van het geloof van zijn jeugd, maar zonder van dat verleden een karikatuur te maken. De interviewer vraagt hem – begrijpelijk – naar zijn kerkelijke achtergrond, waarvan Van Lieburg zegt: ik heb te veel poppenkast en schijn gezien. Misschien had een vraag naar de Bijbel een ander antwoord opgeroepen, want hoe je ook tegen de Bijbel aankijkt, je kunt niet zeggen dat dat een boek is van poppenkast en schijn. Dat zal de reden zijn dat deze hoogleraar op de een of andere manier zich toch aangesproken weet door de Bijbel, bijvoorbeeld door preken op een cassettebandje. Ik proef in zijn woorden een verlangen naar mystieke diepte. Huidige preken zijn vaak missionair gericht. Van preken wordt ook verwacht dat ze praktisch zijn. Hoe geef je het christen-zijn handen en voeten? Maar daar moet wel iets onder zitten, namelijk bevinding, mystiek, Godservaring. Als dat er niet is, zal de kerk het niet redden.

NEDERLANDS DAGBLAD

Een ander onderwerp betreft de bediening van de doop. In een column reageert Reina Wiskerke op een bericht in het Nederlands Dagblad over de kinderdoop. In dat bericht werd gemeld dat twee vrijgemaakt-gereformeerde kerken de liturgische tekst rond de doop zelf hebben aangepast, wat op zich niet verontrustend is, vindt Wiskerke. Haar bezwaar is echter dat in de nieuwe tekst van de eerste doopvraag er de nadruk op gelegd wordt dat de kinderen ‘prachtige en unieke schepsels van God’ zijn en dat vervolgens wordt gezegd: ‘Maar ze zijn geboren in een wereld waar zonde en gebrokenheid heersen en daar hebben ze zonder het te weten ook deel aan. Zonder Christus zou hun leven geen toekomst hebben.’ (Aan deze wijzing moet de synode nog goedkeuring verlenen, AP).

Het commentaar van Wiskerke:

De officiële formulering zou voor ouders moeilijk uit te leggen zijn aan gasten die bij de doopdienst aanwezig zijn. ‘Want God die boos is op een kind, dat kun je toch niet geloven?’ Het nieuwsbericht sloot aan bij een gevoel dat zich weleens van mij meester maakt. Misschien zo’n vijftien jaar geleden voor het eerst. Een aantal doopdiensten achter elkaar riepen een hardnekkige zin in mij wakker: roze wolken pakken zich boven de doopvont samen. De donkere wolken van onze onmacht en verlorenheid zonder God, zoals de gereformeerde traditie mij meegegeven heeft, leken ingewisseld te zijn voor de roze wolken van een optiffmistisch geboortefeestje. Het ging me niet alleen om een mogelijk gebrek aan kennis van het kwaad en de zonde waarin elke pasgeborene ‘ontvangen wordt’. Het was alsof de dreiging van onheil, tegenslagen, dood en verzet tegen God die bij elk mensenleven hoort, buiten beschouwing diende te blijven. Sindsdien ben ik bang voor een kerk die de ceremonie-meester wordt van romantische hoogtepunten in ons bestaan. Niet-gelovige gasten zullen het vast allemaal begrijpen, maar ik zou er niet meer heen hoeven. (…) Hoe dan ook: geloven is zien wat niet voor ogen is. Het geldt voor het licht van het christelijke evangelie én voor de duistere tonen die daarin meekomen, zoals de schuld en onmacht die jij als lief baby’tje al hebt meegekregen. Doorgronden doe ik het niet. Maar als ik naar een Holocaustherdenking kijk, zoals die van afgelopen zondag, besef ik het wel: het zijn ook de duistere tonen van de christelijke doop waar mijn ziel niet zonder kan.

Deze woorden spreken voor zichzelf. Ze raken een gevoelige snaar. Elke predikant heeft de behoefte om dat wat in de kerk gebeurt te vertolken naar niet-kerkelijke gasten die vaak in doopdiensten aanwezig zijn. Maar ook in reguliere diensten wordt soms uitentreure uitgelegd. Niet alles valt echter uit te leggen en niet alles hoeft uitgelegd te worden. Ik denk aan het woord inwijding. Uitleg is goed maar schiet toch te kort. Als het goed is, is er een geheimenis van het geloof, een verborgenheid waarnaar verwezen wordt en die beleden wordt, maar niet doorgrond kan worden. Dat is nu juist in de doop aan de orde. De doop is meer dan afwassing. Het is ook inlijving in het volk van God dat de eeuwen door onderweg is. Van dat geheimenis leeft de kerk in gebed en lofprijzing. Zo komen we toch weer uit bij dat mooie en diepe woord: mystiek.

Dr. A.A.A. Prosman uit Amersfoort is emeritus predikant.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 2019

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

MYSTIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 2019

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's