De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BOEKBESPREKINGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BOEKBESPREKINGEN

6 minuten leestijd

Henk Florijn
Geloven in de republiek. Religies tijdens en na de Dordtse synode 1618-1619.
Uitg. Omniboek, Utrecht; 319 blz.; € 24,99.

We horen en lezen in deze tijd regelmatig over de Dordtse synode (1618-1619) en de door haar opgestelde leerregels. Met de bekende kerkvergadering als uitgangspunt tekent dit boek de godsdienstige situatie van ons land in de periode ervoor en erna. Het sterke punt ervan is dat Florijn de verschillende godsdienstige groepen en opvattingen kleur geeft via verhalen over allerlei vertegenwoordigers, waardoor het verhaal afwisseling en levendigheid krijgt. Je kunt echt merken dat hij een verteller is. Die vertelvariatie is wel nodig, want nogal wat opvattingen, stromingen, personen en gebeurtenissen passeren de revue. Het boek laat vooral zien dat de republiek een verscheidenheid aan geloven kende: gereformeerden, remonstranten, rooms-katholieken, rationalisten, joden en lutheranen, quakers, collegianten, socinianen en utopisten komen ter sprake.

Als de Dordtse synode Florijns ijkpunt is, kunnen we verwachten dat hij ruime aandacht besteedt aan het conflict tussen de remonstranten en de contraremonstranten. De scheidslijn tussen de volgelingen van Arminius en Gomarus is immers een van de bekendste uit de Gouden Eeuw geworden. Op een boeiende manier laat Florijn de lezer enkele keren getuige zijn van de confrontatie tussen Johannes Bogerman, de voorzitter van de synode, en Simon Episcopius, de remonstrantse voorman. De laatste bleek de remonstrantse zaak op de synode te rekken en werd uiteindelijk weggestuurd. Aanvankelijk zette de overheid de remonstranten flink onder druk, maar na verloop van tijd kregen ze steeds meer vrijheid om gemeenten te stichten. Ook andere groepen, waaronder de rooms-katholieken, kregen geleidelijk meer ruimte om voor hun geloof uit te komen.

Niettemin nam de gereformeerde kerk een bevoorrechte positie in. Florijn illustreert – opnieuw via verhalen – de opvallende gebeurtenissen in deze kerk. In de eerste plaats was dat de opkomst van de Nadere Reformatie, de beweging die streefde naar een doorwerking van de gereformeerde leer in hart en leven. Vertegenwoordigers als Teellinck en Voetius zagen dat de gereformeerde belijdenis officieel was aanvaard, maar dat de levenspraktijk van velen te wensen overliet.

Daarom zochten ze onder meer door hun geschriften naar verandering. Ten tweede gaven verschillende opvattingen binnen de kerk stof tot discussie en conflict, zoals die over de zondagsviering (voetianen en coccejanen) of over de haardracht van mannen en vrouwen. Een aangelegen punt was – ten derde – de bemoeienis van de overheid. Soms was hierover grote onvrede, maar meestal bleef deze wel binnen de perken.

Globaal zien we op godsdienstig terrein twee bewegingen in de bloeitijd van de republiek. Aan de ene kant een streven naar een doorgaande hervorming van de kerk, zoals vooral (nadere reformatoren) bedoelden. Geloofszuiveraars als Jean de Labadie en zijn bekende volgelinge Anna Maria van Schurman stonden een nog radicalere oplossing voor, maar zij kwamen in een vrije groep terecht. Aan de andere kant raakten remonstranten in moderner vaarwater, terwijl socinianen en rationalisten op beslissende punten van het gereformeerde belijden afweken. Zo kwamen stromingen op gang die steeds meer gingen tornen aan de gereformeerde belijdenis van de kerk, zoals de achttiende eeuw nog duidelijker zou maken.

Tegelijk is Florijns conclusie terecht en dat kan goed een belangrijke aanleiding zijn geweest tot het schrijven van dit boek: ondanks alle verschillen waren religieuze zeventiende-eeuwers ervan overtuigd dat God bestaat en inwerkt op het leven van mensen. Indirect geeft de schrijver hiermee aan hoe radicaal anders onze tijd is geworden. Het moderne denken is tot de vezels van velen doorgedrongen en dit leidt tot een leven voor het hier en nu. Het mooie van dit toegankelijke boek is dat het huidige lezers via gebeurtenissen en verhalen uitnodigt en prikkelt om Hogerop te kijken. Naar de God Die door de Dordtse Leeregels als de genadige en rechtvaardige wordt beleden.

R.W. DE KOEIJER, BILTHOVEN


Pauline Broekema
Het uiterste der zee. Een familiegeschiedenis.
Uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam; 319 blz.; € 21,99.

In beeldende zinnen schept Pauline Broekema al op de eerste bladzijde van Het uiterste der zee geschiedenis tot leven, in dit geval een familiegeschiedenis. Tussen de textielwinkel van grootvader Heiman Leefsma in Gorredijk en de begrafenis van kleinkind Mies Nieweg-Wolf in Groningen liggen ruim driehonderd bladzijden, waarin klein geluk gevierd wordt, waarin de oorlog ontdoken wordt, waarin de overlevenden uit dit Joodse geslacht na de moord op zovele naasten geen tranen meer hebben. De recent gepensioneerde NOS-verslaggever beschrijft de levens van Meijer Nieweg uit Appingedam en de Groningse Mies Wolf, wier huwelijk twee families uit de vee- en textielhandel samenbrengt. Een jaar na de geboorte van hun Sara moet Meijer zich melden, 10 juli 1942 – het is de dag dat hij zijn vrouw voor het laatste ziet, al hoort zij over zijn dood pas definitief in 1950. Angst, rouw, zelfverwijt, heimwee – ze tekenen het leven, en Broekema is in de huid van Mies gekropen om deze en andere emoties te tekenen.

Op basis van bronnenonderzoek verbindt ze het leven van de Joodse familie uit Appingedam met landelijke gebeurtenissen. Waar een oom van Mies mag onderduiken bij opa Feldmeijer, volgen we de wrede kleinzoon Henk Feldmeijer, fel antisemiet en voorman van de Nederlandse SS. Zelfverwijt is er na de oorlog bij Mies: Waarom overleef ik?, terwijl ze geconfronteerd wordt met desinteresse in haar ervaringen.

Longkanker komt haar leven binnen en voor Mies betekent dit afscheid nemen van haar dochter, die dan wees wordt. Als de veertienjarige bij het graf hartverscheurend huilt, ‘huilt ze voor dit kleine groepje mensen dat hier staat om een vrouw uitgeleide te doen die maar eenenveertig jaar mocht worden. Onze tranen bestaan niet meer. Zij huilt ze.’ De woorden van Broekema maken dat je je getuige weet.

Uit Psalm 139 komt de titel van deze familiegeschiedenis: Nam ik vleugelen des dageraads, Woonde ik aan het uiterste der zee; Ook daar zou Uw hand mij geleiden, En Uw rechterhand zou mij houden. Het zijn woorden op de rouwkaart van bovenmeester Siek Attema uit Oudehaske, de Fries die Mies in de oorlog verborg. Is dit de vreugde vanwege het niet kunnen vallen uit de hand van God? Voor je dat denkt, haast Broekema zich om te melden dat niet de geloofsovertuiging van Attema zijn motief was om onderdak te verlenen, maar de keuze die hij als mens maakte.

Een boek dat je de ander gunt om ook te lezen.

P.J. VERGUNST

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 2019

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

BOEKBESPREKINGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 2019

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's