In de beklaagdenbank
De hartslag van de prediking (4, slot)
De kern van al de geschenken die Christus in de verkondiging schept en wegschenkt, is de vergeving van de zonde, de rechtvaardiging door het geloof. Dit heb ik steeds nodig, want ik sta levenslang – net als de tollenaar – voor Gods heilig aangezicht, in het krijt.
Op de keper beschouwd is iedere kerkgang een gang naar de gerichtsplaats. Elke kerkbank is een beklaagdenbank. Niemand blijft buiten schot. Er wordt gevonnist. Maar de Voorspraak is in de zaal. Hij pleit, krachtens het offer dat Hij eens voorgoed gebracht heeft. De uitspraak luidt: vrijspraak!
Daarom kan de prediking bediening der verzoening heten. Hij rekent mij Zijn gerechtigheid toe. Ik hoor het uit Zijn hart dat zo vol is van genade dat Zijn mond ervan overloopt. Zondaar, en toch rechtvaardig. Tollenaar, en toch puntgaaf.
Wie dit te geloven krijgt – hoe anders? – doet een ervaring op waarbij geloven overstroomt in wederliefde en verwondering. Want aan dit geloof ontspringt, om met Luther te spreken, ‘een allerzoetst gevoelen van het hart’. Dat zei uitgerekend een man die er soms niets van voelde dan het flagrante tegendeel. Maar hij kende blijkbaar ook momenten dat hij getuigen kon: ‘Dieser Glaube macht dasz Christus dir lieblich gefällt und süsz im Herzen schmeckt’. Zo vergaat het een tollenaar die gerechtvaardigd huiswaarts keert.
Geen betaalmiddel
Zowaar, de Farizeeër staat er ook. Wat meer vooraan en zelfbewust. Hij heeft het een en ander uit te stallen. Hij heeft veel te bieden, maar krijgen doet hij niks. Want op deze plek van genade-alleen vindt hij niets van zijn gading. Onverrichterzake gaat hij naar huis. En die tollenaar? Die had niets te presenteren. Zijn zondebesef dan? Nee, ook dat niet. We denken toch niet dat hij daar prat op ging en dat hij het als een betaalmiddel op de toonbank etaleerde? Ook dat had hij dus niet te bieden. Hij had niks in voorraad. Hij had niets achter de hand, geen prestatie, geen pretentie. Hij hád niets. Alleen de schreeuw om wie hij wás: zondaar. Punt uit. En nog wat: de schreeuw om genade: ‘Wees mij, zondaar, genadig.’
Daar gaat hij. Er is een pak van zijn hart, het zondepak. Verzoend, gerechtvaardigd gaat hij naar huis, wellicht nog met een blos van schaamte op de wangen. Verzoend ja, maar als hij de volgende keer opnieuw de tempel binnengaat, stapt hij niet parmantig naar de voorste rij. Hij neemt weer datzelfde achterste plekje in, vermoed ik. En wat zou hij gebeden hebben? Ik denk: ‘O God, wees mij zondaar genadig’. Daar klinkt het dan opnieuw: ‘Al waren uw zonden als scharlaken, ze worden wit als wol.’
Gebed
Zo gaat dat toch? Wat ik gisteren bad, dat bid ik ook vandaag: ‘Gedenk niet meer het kwaad dat ik bedreef.’ En, Godlof, wat de Heere gisteren zei, dat zegt Hij ook vandaag, dit vervangen door: in de verkondiging die landt in het geweten: ‘Ik, Ik ben het die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil. Ik gedenk uw zonden niet.’ Is dit het niet wat de dichter Gerrit Achterberg verwoordde:
Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd,
met die van mij. Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.
Verhoring
Zulke grote dingen worden in de dwaasheid der prediking uitgericht. Ze gebeuren overal waar Christus, de Gekruiste om onze zonden en de Opgestane om onze rechtvaardiging, Zijn intrede doet en wij Hem geloofwaardig bevinden, dus ons ja en amen waard is. Dat is Hij duizendvoudig waard.
Wij zijn er goed mee. ‘De weldaad van de vergeving der zonden,’ aldus Calvijn, ‘wordt ons door de dienst van de prediking uitgedeeld. Laat daarom ieder van ons bedenken dat het zijn plicht is, die vergeving nergens anders te zoeken dan daar waar de Heere haar geplaatst heeft.’
Hoe vaak bidden wij het onze Vader? Dagelijks? Dan bidden we ook dagelijks om vergeving van onze schuld. En wie bidt, verlangt verhoring. Waar denken we die anders te verkrijgen dan in het geschreven en verkondigde Woord der verzoening, dat God in Zijn dienaren heeft gelegd?
Wie dan ook de zondagse kerkgang versmaadt, onttrekt zich aan dit gebeuren. Daar, onder het Woord, schrijft Calvijn, ‘wordt Gods eigen uitspraak vernomen, afgekondigd uit de hoge hemel. Nooit wordt dit woord tot ons gebracht of God opent met moederlijke deernis Zijn schoot voor ons. En of dit nog niet genoeg was, buigt God Zich in de prediking laag tot ons neer, om ons te koesteren, even zorgvuldig als een klokhen dat haar kuikens doet’ (bij Matt.23:4).
Geen zonde meer
Calvijn durft een verregaande vergelijking aan: ‘Geheel op dezelfde manier als God al Zijn volheid in Jezus heeft gelegd opdat wij door Hem daar deel aan zouden krijgen, heeft God Zijn Woord verordend als instrument waardoor Jezus Christus met al Zijn gaven ons wordt toebedeeld.’ Wie deze orde veracht, speelt met zijn leven. Op Christusversmading staat de doodstraf. Op gratieverlening valt niet te rekenen, tenzij men op zijn schreden terugkeert en alsnog onder Christus’ vleugels kruipt. Geen sterveling hoeft verloren te gaan omdat hij gezondigd heeft. Het bloed van Christus, dat in de prediking drupt, reinigt immers van alle zonde. Maar wie dit bloed onrein acht, gaat verloren, en is even dwaas als een woestijnreiziger die de enige bron verstopt waaraan hij zijn stervensdorst kon lessen.
De prediking is de proclamatie van díe God Die ons bezweert dat Hij geen zondaar voor die ongerijmdheid over heeft. Want Hij heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld en aangeboden in de prediking om de wereld te veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden.
Ik eindig met een passage uit een preek van Kohlbrugge:
‘Dit is de stem van het Evangelie voor u, arme en beladen zondaar. Het is voor u, voor mij, voor allen die het om verlossing en verzoening gaat. Daarom, wanneer u ingefluisterd wordt: ‘Wat, zou jij zalig zijn?! Jij een erfgenaam der heerlijkheid? Jij hebt toch niets dan zonde?’ Antwoord dan getroost: ‘Je liegt, jij krachteloos hart, jij aanklagend geweten, en jij ellendige duivel. Christus is mijn zonde, en ik ben Zijn gerechtigheid. Ik heb geen zonde meer. Het Lam droeg ze weg.’
Laat niemand denken dat dit grootspraak is. Het is de taal van een armlastig hart, dat uit de diepte schreeuwt tot God, maar zijn ankergrond verkreeg in de verkondiging van de beloften Gods, die in Christus ja en amen zijn. ‘Ja’, zegt God in Christus. En Hij zegt het zo Geestkrachtig dat ons hart niets anders zeggen kan dan: ‘Amen’.
Dr. A. de Reuver uit Waddinxveen is emeritus hoogleraar gereformeerde godgeleerdheid vanwege de Gereformeerde Bond.
In aansluiting op de artikelen van prof. De Reuver starten we volgende week een serie van ds. A. de Lange over hoe de prediking tot de mens in zijn lijden moet komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's