Onverschrokken
Over het gebruik van geweld door christenen is de eeuwen door veel geschreven en gediscussieerd. Is de christen principieel geweldloos, moet hij als individu afzien van elke vorm van geweld omdat alleen de overheid deze macht heeft (de zogenaamde zwaardmacht)? In deze lijdenstijd voorziet Rob van Houwelingen, hoogleraar Nieuwe Testament in Kampen, dit onderwerp van nieuwe gezichtspunten. In Nader Bekeken schrijft hij over Lukas 22:38, waar staat: ‘Zij zeiden: ‘Kijk, Heer, hier zijn twee zwaarden.’ En Hij zei tegen hen: ‘Dat is voldoende.’ (vert. Van Houwelingen)
Nader Bekeken
Zelf droeg Jezus nooit wapens, voor zover bekend. Wel heeft Hij dat zijn leerlingen ooit aanbevolen. Toen zij voor het laatst het pesachmaal gebruikten in Jeruzalem, kondigde Jezus aan dat een van de tafelgenoten Hem zou uitleveren. De overige elf leerlingen werden gewaarschuwd dat de situatie uiterst gevaarlijk was geworden. In dat kader vertelt Lucas als enige evangelist, dat Jezus zwaarden ter sprake bracht. Eerder waren de Twaalf op pad gestuurd om het koninkrijk in alle steden en dorpen van Israël te verkondigen. Extra geld, proviand of sandalen mochten ze toen niet meenemen. (…) Aan de vooravond van zijn dood zegt Jezus echter dat zij desnoods hun mantel moeten verkopen om een zwaard te kunnen aanschaffen, als ze dat nog niet hebben. (…)
De reden om zich van een zwaard te voorzien is een tekst uit Jesaja: ‘Hij werd gerekend tot de wettelozen.’ (Jes.53:12) (…) Zorg dat jullie een zwaard dragen, zegt Jezus. Daarmee is geen breed slagzwaard bedoeld, maar een smal steekzwaard; korter dan een degen, langer dan een dolk. Het werd op de heup gedragen, onder de bovenkleding, in een schede. (Joh.18:11) (…) Als gewone burgers in Israël op reis gingen, namen ze evengoed een wapen mee om zich onderweg te kunnen verdedigen tegen bandieten.
Van Houwelingen legt uit dat Jezus’ leerlingen aan hun persoonlijke veiligheid moeten denken. Toch wijst Hij in Gethsemané wapengeweld af: want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard vergaan (Matth.26:52). Maar als de discipelen met twee zwaarden komen aanzetten, zegt Christus: het is genoeg. Hoe kan dat? Stemt Christus dan toch in met het gebruik van geweld? Het gaat hier om de vertaling van de laatste woorden van vers 52. Vaak worden deze woorden vertaald als: genoeg hierover (Nieuwe Bijbelvertaling) of: zo is het genoeg (Willibrordvertaling). Met andere woorden: verder praten heeft geen zin. Maar nergens in de bijbelse, joodse of christelijke literatuur uit de Oudheid duiden de woorden ‘het is genoeg’ op het einde van een gesprek, zegt Van Houwelingen. Hij wijst op een tekstvariant die duidelijk maakt dat bedoeld is: we zijn afdoende beveiligd. Hij schrijft:
Wat betekent dit voor de leerlingen? Zij kunnen het zwaard niet missen. Grote kans dat zij na Jezus het volgende doelwit worden. Het lijden van de Heer treft immers ook zijn volgelingen. En als de Herder gedood wordt, zullen de schapen uiteen gedreven worden. De leerlingen zijn wat betreft hun fysieke veiligheid op zichzelf aangewezen. Diezelfde nacht nog zullen ze wegvluchten om een veilig heenkomen te zoeken.
Jezus laat toe dat zij Hem arresteren. Van Houwelingen benadrukt dit toelaten. Dat wil dus zeggen dat op andere momenten het gebruik van het zwaard geoorloofd kan zijn. Maar niet nu. Christus zegt tegen Pilatus dat Zijn dienaren voor Hem hadden kunnen vechten (Joh.18:36), maar dat wilde Hij niet. Alles staat in het teken van vrijwilligheid. Vrijwillig gaat Hij deze weg van lijden en sterven. Deze exegese over de twee zwaarden plaatst het gebruik van geweld door christenen (wat bijvoorbeeld actueel was tijdens de bezetting) in een nieuw licht.
Friedensstimme Contact
Ik had nooit van Ljoeba Kordonets gehoord. Op 30 oktober 1986 werd zij in Oekraïne geboren en ze overleed op 20 augustus 2018. In het blad Friedensstimme Contact vertelt zij over haar leven en werk.
Bijzonder is dat Ljoeba (=liefde) twee zussen had die Vera (=geloof) en Nadjezdha (=hoop) heetten. Toen zij een keer aan haar vader vroeg waarom zij Ljoeba heette, antwoordde hij: ‘Want God zelf is liefde. En zo hoop ik dat je Zijn Naam je hele leven met eer dragen zult!’ Zij heeft een tijdlang mogen werken onder het volk van de Nentsen in de toendra’s boven het Oeralgebergte.
‘In mijn hart was een groot verlangen om God te dienen op de plaats die Hij voor mij bestemd had. (…) Dat verlangen werd gevoed door verhalen van evangelisten die op Gods akker mochten zaaien. Ik las daarover in het tijdschrift van onze broederschap. Op de een of andere manier waren het altijd gebeurtenissen in het noorden die mijn aandacht al eerste opeisten. Met ingehouden adem luisterde ik naar de getuigenissen die gegeven werden op de jaarlijkse conferentie in Toela. (…)
Op een bruiloft ontmoette ik een zuster die op de toendra gediend had. Zij zei dat ik mij eenvoudig kon voorbereiden. Als het Gods wil was dat ik op de toendra moest dienen, zou Hij daar Zelf voor zorgen. En ja, dat was zo. Op een wonderlijke manier ben ik in 2011 voor de eerste keer naar de toendra gereisd om daar een kwartaal te dienen onder de Nentsen! Onwennig en onervaren zat ik in de trein en later in de kerk om de eerste kennismaking te hebben met de bevolkingsgroep die ik zeer lief zou krijgen. Vaak woonde ik een week of langer in een tsjoem, zoals de tent van de Nentsen wordt genoemd. Dan probeerde ik pasbekeerden te leren om als christen te leven. Ook bracht ik hen discipline bij in het lezen van de Bijbel en het bidden. Hoewel ik niet weet hoeveel mijn werk heeft betekend, vroeg God van mij te zaaien en nat te maken.
Zo ben ik tot en met 2018 elk jaar gevraagd om reizen te maken naar die gezinnen die het meest een evangelist nodig hadden. In de toendra heb ik veel geleerd en nog veel meer afgeleerd. Nee, het was niet altijd eenvoudig. Vaak hunkerde ik in een tsjoem naar een opbouwend woord of wat troost! Maar in de toendra heb je alleen stille omgang met God. Er wordt iets van jou als evangelist verwacht. Hongerige zielen wachten op het Woord dat jij doorgeeft. Voor hen ben jij de verkondiger van de goede Boodschap. En, dank aan mijn Heere, bijna elke dag ontving ik troost en leiding uit Gods Woord. (…)
Terwijl ik dit alles vertel, kan ik niet meer lopen. Tijdens mijn laatste reis in januari 2018 merkte ik dat mijn rug meer pijn deed dan gewoonlijk. Aanvankelijk besteedde ik daar weinig aandacht aan. Toch heb ik me op aandringen van medereizigers na thuiskomst laten onderzoeken.’
De oncoloog stelde de diagnose kanker in het vierde stadium, met uitzaaiingen vanuit de onderrug naar de benen, de ruggenwervels en verder. Ljoeba wilde geen chemokuur. Slechts drie maanden was zij ziek.
‘Hoewel er geen geschikte pijnbestrijding te vinden was in Oekraïne, zag ik in dat het mogelijk is om onverschrokken in de ogen van de dood te kijken, wanneer je zonden uit genade vergeven zijn en je mag weten dat, als ons aardse huis afgebroken wordt, je spoedig mag ingaan in het gebouw van God, een huis dat niet met handen gemaakt is, maar eeuwig in de hemel.’ (…) Op haar grafsteen staat: ‘God dan de tijden der onwetendheid overzien hebbend, verkondigt nu alle mensen alom, dat zij zich bekeren’.
Een indrukwekkend verhaal van een jonge vrouw die nog geen 32 jaar werd.
Dr. A.A.A. Prosman uit Amersfoort is emeritus predikant.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's