Kerkelijk pionieren
Protestantse Kerk telt zo’n 250 alternatieve samenkomsten
Historische kerkgebouwen staan leeg. Tegelijk telt de Protestantse Kerk vandaag zo’n 250 nieuwe kerkvormen, waarvan ruim honderd pioniersplekken. Maakt Nederland een verschuiving mee van traditioneel naar creatief anders kerk zijn?
‘Pas nu dringt de situatie tot mij door,’ schrijft journaliste Yvonne Zonderop in de proloog van Ongelofelijk (2018), ‘ik sta in een kerk en ik spreek een gezelschap toe dat vermoedelijk niet gelooft, maar dat wel wil geloven, zo niet in God, dan toch in een verhaal waaraan ze zich kunnen verbinden.’ Zonderop beschrijft in haar boek de ‘verrassende comeback van religie’, zonder dat ze die zegt te kunnen bewijzen.
Haar waarneming klopt hoe dan ook: Nederlanders hebben de afgelopen vijftig jaar de kerk in snel tempo de rug toegekeerd. Voor kerkgebouwen wordt vandaag een nieuwe bestemming gezocht. Tegelijk zie je dat de secularisatie voorbij is. Religie is terug, mede dankzij nieuwkomers in ons land. Maar ook jongeren verlangen naar meer gezag. En veertigers zijn op zoek naar zingeving. ‘God is terug in Amsterdam’, kopte Het Parool vorig jaar.
Pionieren
God mag dan terug zijn in Nederland, maar dan niet in uitpuilende oude kerkgebouwen. Het instituut kerk staat (nog) niet in de schijnwerpers. Een gegeven waar de Protestantse Kerk wat mee doet. In minder dan tien jaar kwamen er ongeveer 250 nieuwe kerkvormen naast de bijna 1600 reguliere gemeenten bij: zo’n honderd pioniersplekken, honderd kliederkerken (meestal een bijeenkomst van twee uur, waarbij (groot)ouders en kinderen samen spelen/knutselen, met daarnaast een korte ‘viering’ en een maaltijd) en ongeveer twintig kloosterachtige initiatieven. Verder bestaan er leefgemeenschappen en huisgemeenten. Het kerkelijk pionieren begon zo’n tien jaar terug en werd algauw een speerpunt van beleid in de Protestantse Kerk. De synode besloot eind 2012 te streven naar honderd pioniersplekken in vier jaar tijd. Anno nu zijn er ruim tienduizend mensen voor in touw, van wie de helft niet bij een kerk betrokken was. Het blijkt een aanzuigende werking te hebben als christenen hun leven delen met mensen in hun omgeving en in dat verband het Evangelie ter sprake brengen.
Eerste en tweede generatie
De eerste generatie pioniersplekken komt op in gebieden waar geen kerk is, zoals in grote nieuwbouwwijken in Nieuw-Vennep, Amsterdam-IJburg en Den Haag-Wateringseveld. Niet veel later gaan Kerk op de Kop in Rotterdam, Nijkleaster in Jorwerd en internetkerk MijnKerk.nl van start.
Vanaf 2013 ontwikkelt zich een tweede generatie pioniersplekken. Klassieke kerkplanting maakt plaats voor een meer lichte, contextuele manier van werken. In Veenendaal en Amsterdam gaan initiatieven van start voor mensen van buitenlandse afkomst. In Drachten voor tieners en hun ouders. In de Haagse Moerwijk voor de buurt, met een huis en een tuin: om een praatje te maken, te helpen met het onderhoud, voor kinderen om te spelen.
De pioniersplekken hebben als gemeenschappelijk doel: ‘een netwerk of gemeenschap vormen waar mensen kunnen ontdekken dat God liefde is en nabij wil zijn’. Ze tellen geen honderden mensen, eerder tientallen. Een eigen predikant ligt meestal buiten bereik; enthousiaste vrijwilligers spelen een grote rol.
Niet elk pioniersinitiatief houdt stand.
Niet bij elk initiatief is even duidelijk hoeveel ‘kerk’ dit is. Is een spirituele wandeling eens in de maand dat? Of tuinieren met de buurt? Samen koffiedrinken? Soms is een initiatief vooral creatief en sociaal. De hervormd-gereformeerde evangelist Jan Verkerk, verbonden aan pioniersplek De Brug in Huizen, heeft daar goed over nagedacht. Voor hem zijn woordverkondiging, sacramenten en ambten drie cruciale elementen voor een pioniersplek die kerkelijk wil zijn. Toch noemt hij De Brug, met zijn Ontmoetingsdiensten op zondag en inmiddels ook sacramentsbedieningen, bewust geen kerk maar een kerkplek.
Whatsappgroep
Met het fenomeen van de pioniersplek komen nieuwe vragen op het bord van de Protestantse Kerk. Wanneer ben je een gemeenschap, hoe betrokken ben je dan? Is een Whatsappgroep van een pioniersplek wat de kaartenbank voor de kerkelijke gemeente is? Ook een pioniersplek heeft leiding nodig, maar hoe zit het met de ambten? En als een gemeenschap toegroeit naar de sacramenten, is het dan daadwerkelijk tijd voor doop en avondmaal? En hóe dan? Vragen te over voor wie als kerk een (nieuwe) weg wil vinden in een postchristelijke samenleving, waar weinig meer vanzelfsprekend is. Hamvraag is hoe ver je als kerk gaat in het aanpassen aan de mensen met wie je gaat optrekken.
Feitelijk is de Protestantse Kerk een leerproces is ingegaan door ‘gewoon’ te beginnen en te zien wat er gebeurt. Langzaamaan komt zicht op de kaders die een pioniersplek nodig heeft. De synode zal op 26 april vergaderen over de vraag waaraan een nieuwe kerkplek moet voldoen om een zelfstandige gemeente binnen de kerk te zijn. Hiervoor zijn tien ‘ecclesiologische essenties’ geformuleerd (zie kader op p.5). Vóór ligt het idee ‘kerngemeente’: een vorm waarbij zelfstandigheid en lichte organisatie samengaan. Dit omdat de stap van pioniersplek naar ‘normale’ gemeente groot is. Zijn in een reguliere gemeente minimaal zeven ambtsdragers vereist, in een kerngemeente zullen dat er drie zijn. En is voor de predikant een academische studie nodig, voor de pastor van een kerngemeente is een hbo-opleiding met nascholing toereikend. De synode formuleert in de conceptnota Mozaïek van kerkplekken een ‘derde weg’: licht georganiseerd én zelfstandig.
‘Ambt cruciaal’
Algemeen secretaris P.J. Vergunst van de Gereformeerde Bond heeft waardering voor de ‘zorgvuldige wijze’ waarop de nota tot stand kwam. De Gereformeerde Bond weet zich betrokken op de vragen naar de essentie van het ambt die door de ontwikkeling van pioniersplekken aan de kerk gesteld worden. Zowel tweede voorzitter ds. J.A.W. Verhoeven als Vergunst participeerde in 2018 in de interne bezinning binnen de dienstenorganisatie.
Als het gaat om nieuwe kerkplekken, is voor Vergunst het ambt cruciaal. ‘Dat herinnert ons aan het katholieke van de kerk, aan de geloofstraditie waarin we staan en die de kerk ook op pioniersplekken doorgeven moet: als gezondenen overleveren wat we ontvangen hebben, zoals Paulus het hoofdstuk over de opstanding begint, 1 Korinthe 15. De academische vorming van de predikant blijft van belang voor een verantwoorde uitleg van de Bijbel, ook in de complexe vragen in onze cultuur. Meer telt nog de vraag of de ambtsdrager de zalving met de Heilige Geest kent. Ook voor nieuwe kerkplekken zijn dit noties die ertoe doen.’
Een groot bezwaar van de voorliggende nota voor Vergunst is dat de kerkordelijke ruimte voor mensen zonder een academische theologische opleiding om Woord en sacramenten te dienen vooral pragmatisch is ingegeven. Ook Op Goed Gerucht, de zogeheten vernieuwingsbeweging voor predikanten, legde hierbij al de vinger. Vergunst: ‘Ik lees dat ambten en sacramenten niet buiten de discussie kunnen blijven vanwege de vreugde om het Evangelie te delen. Hier wordt echter iets fundamenteel omgedraaid: we moeten het ambt bewaren om bij het Evangelie te blijven, bij Christus.
Als de nota schrijft dat de kerk vanaf het boek Handelingen voor dilemma’s staat, merk ik op dat juist vanwege de kwetsbare en bedreigde missionaire context Paulus voortdurend waakt over de invulling van het ambt. Neem Handelingen 20: ‘Zie dan toe op uzelf en op heel de kudde...’ En Timotheüs roept hij op een goed dienaar van Jezus Christus te zijn, ‘gevoed door de woorden van het geloof en door de goede leer’. Vanwege die leer van Christus dient de kerk ook vandaag het ambt hoog te houden.’
Tien essenties van kerk-zijn
Een nieuwe kerkplek die een zelfstandige gemeente (kerngemeente) wil worden, zou volgens de nota ‘Mozaïek van kerkplekken’ aan ‘tien ecclesiologische essenties’ moeten voldoen:
a. Een groep mensen die door de Geest wil leven uit Gods genade in Jezus Christus,
b. en regelmatig in het openbaar samenkomt rondom Woord en sacramenten,
c. en die samen een doorgaande geloofsgemeenschap wil vormen,
d. die zich missionair en diaconaal inzet voor de wereld, te beginnen bij de eigen context,
e. bestaande uit tenminste tien volwassenen die hun gaven inzetten voor de kerkplek,
f. onder leiding van een kernraad, met tenminste drie belijdende leden van de Protestantse Kerk die ook een kerkelijk ambt bekleden,
g. en met in de kernraad tenminste één ambtsdrager die bevoegd is om het Woord en de sacramenten te bedienen,
h. en in verbondenheid met de kerk als groter geheel, in het bijzonder de Protestantse Kerk, door te werken aan goede relaties met naburige gemeenten en minimaal jaarlijks mee te doen in het landelijke verband voor kerngemeenten,
i. die zelf de verantwoordelijkheid op zich neemt voor het beleid en de financiën,
j. en die meewerkt aan toezicht en aan de behandeling van klachten en conflicten door een daarvoor aangewezen orgaan van de Protestantse Kerk.
De synode zal morgen over de nota een besluit nemen.
Huisgemeente Blauwkapel-Groenekan
Huisgemeenten starten als pioniersplek ‘uit het niets’. In Blauwkapel-Groenekan gebeurt het omgekeerde. De bestaande hervormde gemeente wordt per 1 mei opgeheven en gaat verder als huisgemeente. Het is de eerste gemeente die gebruikmaakt van de kaders die de kerkorde voor pioniersplekken biedt.
Voor Blauwkapel-Groenekan is het een stap. Het is de gemeente waar in 1975 (nu) prof.dr. J. Hoek in het predikantsambt werd bevestigd. Na hem kwamen ds. P.J. Teeuw, ds. G.J. Hiensch en ds. C. Hoogerwerf. Toen de laatste in 2009 legerpredikant werd, kreeg drs. G.A. van Ginkel uit Maartensdijk een parttime aanstelling als pastoraal werker.
De scheuring in 2004 heeft de gemeente gesplitst, zegt Bart van der Wilt, gedelegeerd ouderling-kerkrentmeester uit Houten en sinds vijftien jaar bij de Blauwkapel-Groenekan betrokken. ‘Beide zijn klein, de hervormde nog kleiner dan de hersteld-hervormde gemeente.’ Van der Wilt telt ongeveer twintig kerkgangers. Hij schat het dubbele bij de hersteld-hervormden. Samengaan is geen optie, zegt hij, al is het contact tussen beide gemeenten goed.
De hersteld-hervormde gemeente kocht recent het kerkgebouw van de hervormden. De laatsten zullen als huisgemeente van het gebouw blijven gebruikmaken: een dienst per zondag en op weekdagen met de kinderclub en bijbelkring. ‘Huisgemeente is in dit geval een verwarrend woord,’ zegt Van der Wilt, ‘omdat Blauwkapel-Groenekan niet in een woonkamer samenkomt, maar in een kerkgebouw. Voor het oog verandert er weinig.’
Behalve de omvang speelt een rol dat het de hervormde gemeente aan ambtsdragers ontbreekt. De afgelopen jaren vormen ambtsdragers uit omliggende gemeenten de kerkenraad, namens de classis gedelegeerd vanuit De Bilt, Houten, Utrecht en Lage Vuursche. Samengaan met een omliggende gemeente is onderzocht. ‘Vooral met De Ark in Bilthoven, die dezelfde bloedgroep als de gemeente in Blauwkapel-Groenekan heeft,’ zegt Van der Wilt. ‘Het is niet gelukt, omdat De Ark als buitengewone wijkgemeente geen zelfstandige rechtspersoon is en het contact met de protestantse gemeente Bilthoven, waartoe De Ark behoort, moeizaam verliep.’
Per 1 mei is De Ark in Bilthoven als moedergemeente verantwoordelijk voor de nieuwe huisgemeente. Een commissie draagt zorg voor de zondagse diensten en het pastoraat in de huisgemeente. Hieraan is een adviescommissie toegevoegd, met pastoraal werker Van Ginkel en zijn zus Neelke van Ginkel, die nauw betrokken is bij het kinderwerk in de gemeente.
Doop en avondmaal kan een predikant in de huisgemeente bedienen met ambtelijke ondersteuning vanuit De Ark. Leden kunnen hiervoor ook moedergemeente De Ark opzoeken. De nieuwe huisgemeente heeft een leden- en vriendenregister. Het is mogelijk dat een lid tegelijk lid is van een reguliere hervormde gemeente. Het vermogen van de gemeente wordt overgedragen aan de classis, die dit zal besteden voor de instandhouding van de huisgemeente en voor bestemmingen in de geest van de gevers. Hiervoor is een commissie ingesteld.
Krimp, vergrijzing en jonge betrokkenheid
Dat de kerk in beweging komt, is begrijpelijk als je kijkt naar de kerkelijke krimp en vergrijzing in ons land. Je ziet het in je eigen omgeving, aan de media en verkiezingsuitslagen, aan kerkgebouwen-in-de-verkoop. Toch gaat zo’n 1,7 miljoen Nederlanders wekelijks naar de kerk.
Dagelijks verliezen de Nederlandse kerken 267 leden, meestal door overlijden maar ook doordat mensen zich actief uitschrijven. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) vergeleek onlangs de kerkelijke betrokkenheid in 2002 met die in 2016. In 2002 beschouwt nog 43 procent zich lid van een ‘religieuze gemeenschap’, in 2016 is dit 31 procent, aldus het rapport. In 2002 gaat 49 procent (soms) naar een ‘religieuze bijeenkomst’, in 2016 is dat gedaald naar 38 procent.
Driekwart van de Nederlanders geeft aan dat de kerken weinig of niet aansluiten bij zijn eigen visie op de zin van het leven. Sowieso wisselt de Nederlander klassieke bindingspatronen graag in voor tijdelijke en vloeibare verbindingen.
Noordwest-Europa
Secularisatie tekent heel Noordwest-Europa. In buurlanden Duitsland, Engeland en Frankrijk is het plaatje weinig anders, al was eind vorig jaar in The Times te lezen dat de ontkerkelijking in het Verenigd Koninkrijk tot stilstand lijkt te komen en dat er zelfs sprake zou zijn van een voorzichtige kentering.
Er zijn genoeg mensen die secularisatie een logisch proces vinden. Hun idee is dat hoe ontwikkelder een beschaving is, hoe minder gelovig ze zal zijn. Godsdienst zal in een latere ontwikkelingsfase een flinke toon lager moeten zingen. Dat is eigenlijk een kwestie van vooruitgang.
Wie de aardbol voor zich houdt, ziet Europa in ontkerkelijking alleen staan. Of je nu naar Amerika kijkt, naar Azië of de moslimwereld, nergens tref je hetzelfde patroon van secularisering dat Europa in zijn greep houdt. Het is goed om dat in gedachten te houden. Laten we in elk geval niet denken dat mensen buiten ons werelddeel of in het verleden dommer zijn of waren en dat het land dat zich eenmaal ontwikkelt, God zal loslaten. Het is eerder zo dat we in het Westen een antenne missen.
Jongeren
Het genoemde SCP-rapport laat trouwens ook zien dat de betrokkenheid bij kerk en geloof onder jonge kerkleden juist toeneemt. Ze typeren zichzelf vaker als uitgesproken gelovig en geloven zonder enige restrictie in God, de Bijbel en een leven na de dood. Daar komt bij dat de 1 miljoen christenmigranten die ons land momenteel telt – evenveel als het aantal moslims – een belangrijke christelijke geloofsgroep in Nederland is. ‘Christenmigranten zelf zijn vaak verbaasd en soms ook teleurgesteld over het seculiere karakter van de Nederlandse samenleving.’
Tineke van der Waal is redactielid van De Waarheidsvriend.
Over twee weken een vraaggesprek met pionier Jan Verkerk uit Huizen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's