Zoektocht naar perspectief
Geloof en literatuur (2, slot)
Als Els Florijn haar eerste roman uit 2003 nu terugleest, valt haar op hoe zoekend ze zelf destijds was. ‘Ik zie nu hoe jong ik was, hoe goed ik sommige dingen dacht te weten. Nu weet ik het allemaal niet zo goed meer.’
Laatste nacht, zoals mijn debuutroman heet, gaat over een trieste man die worstelt met een belofte, gedaan aan zijn overleden vrouw en de desastreuze keuzes die daaruit voortvloeien. In dit boek is duidelijk mijn toenmalige fascinatie voor filosofen zichtbaar.
Grote waarheden
Niet alleen komt Kierkegaard duidelijk naar voren met zijn ‘Springen is vallen’, met zijn ‘geloof is een sprong’, ook Martha Nussbaum is duidelijk aanwezig met haar ‘Wij zijn allen ongeadresseerde brieven die in de brievenbus van het leven geworpen worden.’ Ter illustratie het volgende fragment, om Stevens besluiteloosheid omtrent geloven uit te drukken: ‘Als hij op de rand van het zwembad stond en naar beneden keek, naar het water met lichte en donkere kringels die geluidloos over de bodem gleden, een bodem die als hij sprong dieper en dieper weg zou zinken, waar niets hem op zou vangen... Dan hield hij zich, hoe vaak ze ook zeiden dat hij toch een grote jongen was, aan zijn vader of zelfs aan de badmeester vast en weigerde te springen. Elke les eindigde ermee dat hij voetje voor voetje het trapje afliep, terugdeinsde als het water kil en glijdend zijn enkels greep, met zijn ogen dicht nog dieper klom omdat zijn vader en de badmeester boven aan het trapje stonden en de blik in hun ogen veranderd was van welwillendheid naar een dicht aan de oppervlakte liggende getergdheid.’
Moeiteloos smeet ik in de tijd dat ik dit schreef, met grote waarheden van grote filosofen. Nu weet ik het allemaal niet zo goed meer en ik leer elke dag opnieuw dat ik het allemaal niet zo goed weet, dat mijn kleine dochter wijzer is dan ik. Ik weet niet wat geloof is en wat het leven is ook niet. Ik denk dat dat doorgaat, en dat er maar weinig overblijft, hoe ouder je wordt. Maar misschien zeg ik over twintig jaar dat ik naïef was. Wie weet.
Eigen zoektocht
Toen ik 21 jaar oud was, kwam mijn tweede boek uit, Schaduw van de wolf. Toentertijd worstelde ik met een depressie, met zware gedachten over dood en eeuwigheid en met angsten. Zulke gedachten zie ik duidelijk verwoord in dat boek, met de wolf als symboliek voor seksualiteit, zonde en de dood. Het is mijn eigen zoektocht naar God. Zoals hoofdpersoon Nina naar haar vader en God zoekt, zo zocht ik Hem ook. Een citaat:
‘Toen ze acht werd, kreeg ze van Jetta een glazen bol met een dorpje erin, huisjes, een kerktoren. Als je de bol schudde, begon het te sneeuwen, kleine witte vlokken die langzaam door het water gleden. Ze bracht haar gezicht vaak heel dicht bij het glas.
Straatjes liepen tussen de huisjes door en langs de kerktoren, heel kleine mensen waren versteend op minuscule klinkers. Ze draaide de bol heen en weer, zodat het beeld grotesk vervormde en uitrekte, de huizen vloeibaar leken en de mensjes bewogen.
Iedere ochtend liet ze het sneeuwen in de bol. Ze hurkte voor de huisjes en het kerkje die onder stille sneeuw lagen, en dan schudde ze, terwijl ze ingespannen naar het even niet meer met sneeuw bedekte stilleven staarde en alles een ogenblik naakt en open leek. Waarom ze dat deed, zei ze tegen niemand. Hoe kan een kind van acht verwoorden dat ze haar vader zocht in de besloten wereld van de bol, dat ze dacht dat ze hem zou ontdekken of terug kon vinden in dat secure decor, als ze maar goed genoeg keek?’
Zoals Nina een vader zocht, zo zocht ik God. Waar bent U?
Twijfel
Schrijven is een gesprek aangaan met je lezer. Schrijven is voor mij een noodzaak, ik wil iets delen, ik wil een stukje van mezelf kwijt. Ken je dat ook, zeg ik tegen mijn lezer, ben ik niet de enige? Lukt het mij om te verwoorden wat jij en ik voelen? Het intermenselijke, dat wat mensen drijft, dat wat mijzelf drijft, dat fascineert mij.
In 2010 kwam Het meisje dat verdween uit. Het leed van een Joods gezin in oorlogstijd kroop mij onder de huid, holde mij uit, deed mij twijfelen aan het bestaan van een God. Een oplossing, een stukje zingeving kon ik nergens vinden, waarom een meisje van vier jaar moederziel alleen in een wagon werd gepropt om in Auschwitz Birkenau vermoord te worden.
Die waaromvraag lees ik nu nog levensgroot in het boek, maar ik herinner me ook het moment van overgave, het moment waarop die vraag er mocht zijn, het moment dat ik het volgende schreef: ‘O Heilige, o Elohiem, nog nooit heeft de gedachte aan haar zo’n pijn gedaan. U maakte zo’n mooi, prachtig en blij mensenkind en U nam haar weg, zo alleen, zo verlaten. Laat me alstublieft weten dat U zichzelf over haar ontfermd heeft, dat Uw hand over haar was, zoals ze iedere avond bad: In Uw handen beveel ik mijn geest, als ik slapen ga en wakker word.’
Na het uitkomen van Het meisje dat verdween maakte ik in mijn persoonlijke leven een extreem moeilijke tijd door. Een aantal zware jaren, met veel verdriet en teleurstelling, jaren waarin ik werd teruggeworpen op mijzelf, maar ook op God. En Hij was er. Hij was er. Al die tijd had ik Hem gezocht, zoals Nina in de glazen bol zocht, maar wat ik mij niet realiseerde, was dat ik in de bol stond en ik alleen maar naar Hem omhoog hoefde te kijken. Hij was zo vlakbij.
Zonder wantrouwen
Iets daarvan is zichtbaar in mijn vooralsnog laatste roman Rode papaver. Een roman waarin ik de wreedheid, de gruwel van de Eerste Wereldoorlog schets, maar ook een roman waarin er geen twijfel of wantrouwen richting God is. Ik schrijf op een gegeven moment:
‘Soms lijkt het alsof ik het kan ruiken, de dood. Dat is een vreemde gedachte, want juist ’s nachts is de weerzinwekkende geur van geronnen bloed, natte kleren, modder, gangreen, jodiumtinctuur, chloroform, braaksel en doodszweet sterker dan overdag. En het is ook nooit stil: mannen mompelen en praten in hun pijn en koortsdromen, ze kreunen en draaien ritselend om op het stro of op hun noodbedden. Vannacht is het vrij rustig. Ik loop zo zacht mogelijk tussen de rijen door, en het licht van die simpele vlam laat ik over elk gezicht glijden.
Terwijl ik daar loop, voorzichtig mijn weg kiezend om niet tegen voeten aan te stoten, heb ik ineens het gevoel dat Jezus voor mij uit loopt, moeiteloos en zonder aarzelen tussen deze rijen door, zoals Hij ooit op aarde tussen de zieken door liep die aan Zijn voeten werden gebracht. Ik hoef alleen maar achter Hem aan te lopen.’
Wat je in mijn boeken leest, dat ben ik. Het is geen blij portret. Ik laat mijn angst zien, ik deel mijn twijfels, ik laat de zwartheid en de gebrokenheid van dingen zien, in mijn boeken zijn er gebeurtenissen die schuren, taal die schuurt.
Christelijke boeken
Een aantal specifieke citaten heb ik er nu uitgenomen, maar zijn mijn boeken expliciet christelijk? En, belangrijker: is dat een vraag die ertoe doet? Want wat de lezer krijgt, de verhalen die ik vertel, de emoties, ze zijn oprecht. Ze zijn rauw, maar waar.
En ik kan het niet laten om hoe dan ook hoop in een boek te schrijven, niet omdat ik vind dat dat moet, maar omdat het mij zelf overeind houdt. Omdat, als ik geen perspectief zou hebben, ik ten onder zou gaan in moedeloosheid over dit leven en over mezelf. Natuurlijk kan ik in mijn schrijven niet om paradigma’s heen, maar ook die horen bij mij.
Wat ik geef in mijn boeken, is een in mijn ogen fascinerend verhaal, met daarin een stukje van mezelf, van mijn eigen zoektocht, mijn eigen worsteling met de weerbarstigheid en stroperigheid van dit leven.
Het is het verslag van mijn eigen verovering en worstelingen, zoals Bosboom-Toussaint. Het is wat dat onberedeneerbare geloof, mij nalaat. En dat is wat ik na wil laten met mijn boeken: iets van die veroveringen, iets van de aandoening waar Pascal over schrijft, iets over wat ons kan uittillen boven onszelf en boven deze vergiftigde lichtblauwe bal.
Want soms, als ik aan het wandelen ben en mijn eigen weerspiegeling zie in het water van het ven, donker water, alsof ik in een duistere spiegel kijk; als ik kijk door de kringen die het wateroppervlak verstoren en het beeld vertroebelen, soms kan ik dan zien dat ik vleugels heb. Echte vleugels.
Els Florijn uit Bilthoven is schrijfster.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's