Spinoza tegenover Calvijn
J. Severijn promoveerde honderd jaar geleden als eerste GB-predikant
De dag waarop iemand de doctorsbul krijgt aangereikt, is altijd wel een bijzonder moment in zijn leven. Dat moment was voor de Leerdamse predikant ds. Johannes Severijn op woensdag 7 mei 1919, de dag voor zijn 36e verjaardag.
Op die dag verdedigde hij aan de Universiteit Utrecht, die toen nog de volledige naam Rijksuniversiteit te Utrecht droeg, zijn dissertatie, getiteld Spinoza en de Gereformeerde theologie zijner dagen.
Helder verstand
Johannes Severijn werd in 1883 in de Domstad geboren. Zijn vader, ook Johannes geheten, was werkzaam als timmerman. Zijn moeder heette Jannetje Drieënhuizen. Na de lagere school volgde de jonge Johannes de Rijksnormaalschool in Utrecht, waar hij in 1902 eindexamen deed.
In de jaren die volgden, was hij onderwijzer in Bussum, Vreeland en Maartensdijk, gedurende twee jaren was hij als privé-leraar in Rotterdam woonachtig en werkzaam, en ging hij in militaire dienst. Het leger trok hem. Hij zou graag bij de bereden artillerie komen. Maar nee, daarvoor was hij enkele centimeters te klein. Het werd de infanterie, waar hij ten slotte de rang van luitenant verwierf. In deze jaren verdiepte hij zich in de moderne en klassieke talen, de wiskunde en filosofie. Hij richtte zich op het Staatsexamen om daarna rechten te gaan studeren. Na een geestelijke crisis koos hij echter voor de theologische studie, die hij in 1910 begon. Van het in 1899 opgerichte dispuut Gereformeerde Theologen Vereniging ‘Voetius’ werd hij geen lid. Met zijn heldere verstand studeerde hij vlot. Reeds in december 1913 slaagde hij met lof voor het doctoraalexamen.
Niet alleen met de theologische vakken had hij zich beziggehouden, hij had ook colleges gevolgd in de filosofie, de psychologie, het Arabisch en het Syrisch.
Beroepen
Als reserve-luitenant werd hij in juli onder de wapenen geroepen, de Eerste Wereldoorlog was immers uitgebroken. In Brabant gelegerd preekte hij ’s zondags in een aantal gemeenten. En het was de kerkenraad van Wilnis die een toezegging van beroep op hem uitbracht. Met toestemming van koningin Wilhelmina mocht hij de dienst verlaten om het officiële beroep aan te kunnen nemen. Prof. Hugo Visscher bevestigde hem op zondag 23 mei (Pinksteren) 1915 in het ambt.
In de pastorie zette hij zijn studie ijverig voort.
Toen hij in augustus 1918 de pastorie van Wilnis verwisselde voor die in Leerdam, was zijn dissertatie al bijna gereed. In die tijd stierf zijn vader. Zijn moeder trok bij hem in, hij zou eerst in 1934 tot het huwelijk komen. Zij werd in de gemeente zeer gewaardeerd. De promotie van een van de twee hervormde predikanten van Leerdam zal in de gemeente wel bijzondere aandacht hebben gekregen. Opvallend is dat de kerkenraadsnotulen hierover volstrekt zwijgen. (Met dank aan J. Keuken, scriba van de algemene kerkenraad van de hervormde gemeente te Leerdam, van wie ik de notulen kreeg.)
De dissertatie
Ds. Severijn droeg zijn studie aan zijn moeder op. Het boek verscheen bij de Electrische Drukkerij J. van Druten in Utrecht. Er zijn 24 stellingen aan toegevoegd. In het voorwoord spreekt hij zijn nadrukkelijke dank uit aan zijn promotor, prof. Visscher. Zijn colleges hebben veel voor hem betekend en hij heeft de promovendus met raad en daad bijgestaan.
Dankbaar is hij ook de andere hoogleraren die met name worden genoemd en veel tot zijn vorming veel hebben bijgedragen. In de inleiding handelt ds. Severijn over de samenhang van de theologie en de filosofie in het algemeen. Onder verwijzing naar een studie van prof. Visscher stelt hij dat ‘geen religie kan bestaan zonder een wijsgeerig moment, zonder een vorm van wereldconceptie.’
In het eerste hoofdstuk gaat hij de plaats van Spinoza (1632-1677) in het wijsgerig denken van zijn tijd na. Uitgaand van de scholastiek noemt hij vele denkers die daarna gekomen zijn, vooral Descartes. Bij de theologen die hem volgden, kwam het tot ‘deïsme, tot schade der religie.’ Maar ‘naast het rationalisme dat volksreligie werd, kwam het piëtisme op, dat reageerende tegenover de rationalisering van de godsdienst een vergeestelijking leerde, die hoewel verklaarbaar toch ook aan de vorming van een gezonde theologie in de weg stond.’
In hoofdstuk 2 gaat de schrijver in op het Spinozisme en het Calvinisme. Hij gaat allereerst in op het Godsbegrip van Spinoza. Dan volgen paragrafen over de religie volgens Calvijn, het openbaringsbegrip, de Godsvoorstelling van Calvijn vergeleken met het Godsbegrip van Spinoza, wereldbeeld en wereldloop, psychologie, ethiek. Het Godsbegrip van Spinoza is volgens Severijn dood, het mist de persoonlijkheid. Vooral in dit hoofdstuk valt op dat ds. Severijn niet zozeer de ‘kille Ethices’ van Spinoza en het Calvinisme tegenover elkaar stelt, maar Spinoza en Calvijn, zoals we hem kennen vanuit zijn Institutiones (sic!). De titel van de dissertatie en de inhoud kloppen dus niet helemaal, want het Calvinisme kende in de tijd van Spinoza ook meerdere stromingen en dat komt niet aan de orde.
Vijandig
Het derde hoofdstuk handelt over de invloed van Spinoza’s intellectualisme op zijn tijd. Dat betekent niet dat Spinoza een school heeft gevormd, maar wel dat ‘Spinozistische grondstellingen in het volksleven werden overgenomen’. Bestrijders van Spinoza gevoelden ‘het gevaar van de consequenties dezer philosophie, die in strijd was met de data van het religieuse leven en tot ontwrichting moesten leiden van de maatschappelijke saamleving.’ Zelfs de Middelburgse notaris en ontdekkingsreiziger mr. Jacob Roggeveen hield Spinoza voor een ‘ongodist.’ In zijn slotbeschouwing concludeert de schrijver dat intellectualisme en mysticisme zich in de wijsbegeerte van Spinoza hebben verenigd. Tegenover elkaar staan de opperheerschappij van de rede en de suprematie van de Godsopenbaring. Tegenover de leer der kerk staat het Spinozisme vijandig. ‘Spinoza leeft nog en openbaart een wondere vitale kracht.’ Zijn ‘invloed doet zich tot in onze dagen zeer krachtig gevoelen’.
Daartegenover staat de grote denker van Genève, die onsterfelijk bleek, staan de gereformeerden, die ‘een vorm der Christelijke religie aanhangen, die op de schoonste wijze in de historie heeft bewezen, dat zij een onuitputtelijke cultuurkracht in zich draagt, die ontplooiing weet te schenken aan de schoonste gaven van den mensch en, sociaal van karakter, rekent met alle nooden en behoeften die hem eigen zijn.’ ‘Calvijn zal immer moeten blijven de antithese van Spinoza. Voor beide stroomingen dreigt gevaar uit de verdoezeling der grenzen, maar voor het Calvinisme allermeest,’ aldus de slotzin van de dissertatie, waarmee de Leerdamse predikant cum laude (met lof) de doctorstitel verkreeg.
Reacties
Ds. Severijn was de eerste predikant die behoorde tot de nog jonge organisatie, de Gereformeerde Bond, die de doctorstitel verwierf. De doctores die lid van de GB waren, hadden deze titel reeds behaald voor 1906.
Wat is er bekend van reacties op deze promotie? Merkwaardig genoeg heb ik in De Waarheidsvriend niets hierover kunnen vinden. Het antirevolutionaire dagblad De Standaard, waarvan dr. A. Kuyper de eerste hoofdredacteur was, maakt er wel melding van. Prof. W.J. Aalders (Groningen) heeft in Nieuwe Theologische Studiën wel wat kritiek, maar sluit zijn korte recensie af met de zin: ‘Zóó bepaald is het een krachtig boek met groote lijnen en breede perspektieven.’
In het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift gaat prof. T. Hoekstra (Kampen) uitgebreider op het proefschrift in. Hij toont zich blij met de Gereformeerden in de Hervormde Kerk en noemt het proefschrift ‘uitnemend.’ Enige kritiek heeft hij wel. De schrijver had meer duidelijk moeten maken wat hij onder filosofie verstaat. En de samenhang van religie en filosofie is niet hetzelfde als van theologie en filosofie. En waarom het archaïsche ‘kennisse Gods’?
Hoogleraar
Dr. Severijn werd in 1921 predikant in Dordrecht, in 1929 lid van de Tweede Kamer voor de Antirevolutionaire Partij, in 1931 hoogleraar te Utrecht om onderwijs te geven in ‘de wijsgeerige ethiek, de wijsgeerige inleiding tot de godsdienstwetenschap en de encyclopaedie der Godgeleerdheid.’ Na zijn emeritaat in 1951 werd hij hoogleraar namens de Gereformeerde Bond.
Rector van de Universiteit Utrecht was hij in het academiejaar 1951/52. Onder zijn leiding vonden negen promoties plaats, onder andere die van de latere hoogleraren S. van der Linde, A. Szekeres, H. Jonker en R. Bakker. Ook dr. H. Schroten en dr. F. de Graaff promoveerden bij hem. Zijn bekendheid strekte zich uit tot in het buitenland: in 1938 werd hij benoemd tot eredoctor van de Universiteit van Debrecen, in 1939 ontving hij het ereprofessoraat van de universiteit van Boedapest. Van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond was hij voorzitter van 1940 tot zijn heengaan in 1966.
Ds. L.J. Geluk uit Rotterdam is emeritus predikant.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 2019
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 2019
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's