Zeldzame brieven
Dr. Enny de Bruijn schrijft beeldend boek over achttiende-eeuwse boerenleven
Historisch onderzoeker dr. Enny de Bruijn schreef een boeiend boek over het boerenleven in de Tieler- en Bommelerwaard, getiteld De hoeve en het hart. Een boerenfamilie in de Gouden Eeuw. Bijzonder is dat deze familie haar eigen voorvaders zijn.
Vrijwel niets is er bewaard van de gedachten en zienswijzen van boeren die honderden jaren geleden leefden. Maar toen Gijsbert van Rijckhuijsen verhuisde naar de stad, schreef zijn vader, Arien van Rijckhuijsen (1671-1750), hem meer dan honderdtachtig brieven. Dankbaar maakte dr. De Bruijn, naast allerlei archiefmateriaal, gebruik van deze brieven, die een inkijkje bieden in de mentaliteit van de boeren van toen.
Hier volgt een voorpublicatie uit hoofdstuk 6, getiteld ‘Geloof.’ De hoeve en het hart verschijnt deze week.
Klagende predikanten, eigengereide boeren
De zonden van de streek
Harde koppen hebben de boeren van de Tieler en Bommelerwaard: elke vermaning en opwekking tot een vromere levensstijl laten ze als water van zich afglijden. Tenminste, dat vinden de predikanten in de regio. De Gamerense predikant Michiel Spranger heeft er in zijn lange gedicht Silo achttien bladzijden voor nodig om te laten zien hoe de boeren in zijn omgeving alle tien de geboden met voeten treden.
Volgens hem vragen ze naar geen predikanten en naar geen hemel; ze reageren soms op zijn preken alsof hij hun een koeienvlaai aanbiedt. Het ‘kerkgaan’ zijn ze altijd weer snel moe, maar het ‘merktgaan’ nooit. Ze ontwijden stelselmatig de rustdag, ze vloeken en schelden, vechten en drinken, ze hebben totaal geen ontzag voor kerkelijke of wereldlijke gezagsdragers maar denken altijd dat ze het beter weten, ze plegen overspel en doodslag, ze sjoemelen met de handel, maken hun land en hun vee tot een afgod en ze denken over het algemeen alleen maar aan geld verdienen.
Spranger is van de harde, confronterende stijl – bepaald geen zachte heelmeester. Maar ook Alardus Tiele, die een wat vriendelijker indruk maakt, heeft het bij zijn vertrek uit Haaften in 1703 helemaal gehad met de plaatselijke boeren. Hij windt er geen doekjes om in zijn afscheidspreek: ‘Ik verlaet u om dat myn dienst gantsch onvrugtbaer is, en het alle dagen [eer] erger dan beeter is geworden.’ Toen hij in Haaften kwam, had hij het beeld van een ‘verstrooide kudde zonder herder’ voor ogen, ‘los, ongebonden, ongodsdienstig’, en hij hoopte dat dat tijdens zijn verblijf veranderen zou, maar tevergeefs. Als hij bepaalde zonden in de preek aan de orde stelde, dan verging het hem zoals de profeet Jeremia: tegenstand, haat en nijd, ‘beknibbelinge van myne leere’, eindeloze twistgesprekken, vervloekingen die hem op straat toegeroepen werden, dreigementen en harde klappen zelfs.
Toch kwamen er tijdens de jaren van zijn verblijf in Haaften altijd tamelijk veel mensen naar de kerk, en énige weerklank is er ook wel geweest: ‘’t waare onder u lieden voor ons niet te woonen geweest, zoo de Heere ons by eenige geen plaets hadde doen vinden’. Hij heeft zich gesteund gevoeld door de ouderlingen en diakenen: in de kerkenraad is er nooit een hard woord gevallen. En met name bij de kinderen en jongeren van de catechisatie heeft hij zich op z’n plaats gevoeld: ‘ik bekenne uwe liefde in deezen, dat uwe traanen en weenen over myn vertrek, my’t herte scheurden’. Maar verder is er weinig goeds te melden. Tiele gelooft dat een predikant nergens in de omringende dorpen zo veel tegenstand ervaart als in Haaften en dat de goede en vrome mensen er maar zéér gering in getal zijn. Zelfs wie maar een ‘schyn van deugt’ vertoont, wordt meteen belachelijk gemaakt. En wat de hele regio betreft, inclusief Hellouw en Herwijnen dus: Tiele denkt twintig jaar later nog altijd dat er maar ‘zeer weinige’ vromen te vinden zijn.
Nu moeten we dit soort uitspraken misschien met een korreltje zout nemen. Schrijvende predikanten hebben met hun teksten vaak een uitdrukkelijk doel: het volk oproepen tot boete, berouw en bekering. Ze hebben hun informatie geselecteerd en geordend met het oog op dat doel. (...)
Overigens zijn het vaak juist zulke predikanten, nauwgezet en gedreven, die zich geroepen voelen om boeken te publiceren. Degenen die hun ambt wat pragmatischer benaderen, zijn – uit de aard der zaak – als schrijvers in de minderheid. Vandaar dat het niet hoeft te verwonderen dat de schrijvende predikanten die hier ter sprake komen, (...) zonder uitzondering bij de meer ‘bevindelijke’ en ‘precieze’ stroming in de kerk horen. Al zijn er tussen hen wel de nodige accentverschillen waar te nemen.
(...) Wat geloofsbeleving betreft, leggen ze de nadruk op zondebesef, bekering en persoonlijke ervaring van de verlossing door Christus, een ervaring die in het leven van de gelovige noodzakelijkerwijs samengaat met levensheiliging. Zelfonderzoek is belangrijk, bekering is een kern-woord. Maar het is vooral in het zware, puriteinse accent dat ze leggen op de levensheiliging, dat ten volle hun karakter van ‘nadere reformator’ tot uitdrukking komt. Ze besteden – in verhouding tot andere predikanten – veel aandacht aan het boetvaardige, toegewijde leven van de christen, en dat uit zich in een heel program op het gebied van zondagsrust, zedigheid, tijdsbesteding en cultureel vermaak.
Het zijn deze predikanten die het niet moe worden om het volk te waarschuwen tegen werken of feestvieren op zondag (de zondag is slechts voor kerkgang, gebed en stichtelijke lectuur), tegen herbergbezoek, kermis, kaartspel, dobbelen, dansen, ‘blanketten’ (make-up), uitbundige kleding, lange haren voor mannen, lichte liedjes en lichte muziek, verzonnen verhalen, carnaval, toneelspel en wat dies meer zij. In plaats daarvan pleiten ze voor een uiterst strikte, puriteinse levensstijl. Maar wat dat betreft hebben ze een harde dobber aan de plattelandscultuur: hun concrete en gedetailleerde geboden en verboden gaan vaak dwars tegen de opvattingen en gebruiken van de plaatselijke bevolking in.
Misschien is dat wel de reden dat hun pleidooien voor een precieze levensstijl verbonden worden met een scherpe boodschap van bekering en oordeel. Het is dé manier om de boeren onder hun gehoor bij de les te houden: werken op het eergevoel en dreigen met straf. Tegelijk brengen ze hun boodschap wel degelijk met veel bewogenheid en bezieling. Deze mannen hebben het gevoel dat ze niet anders kúnnen, dat het hun hoge roeping is om andere mensen te confronteren met Gods oordeel, tenminste, als die mensen hun leven niet beteren.
Johannes Quintius schrijft zelfs met zoveel woorden dat hij eigenlijk liever bemoedigende en troostende preken zou houden, maar hij ziet dat zijn tijd en zijn omgeving om iets anders vragen en ervaart dus de goddelijke opdracht om het tegenovergestelde te doen:
Ick wenschte te mogen spelen op de Fluyte van’t lieflijck-klinckend Evangelium, en als een geestelijcke Archangel [aartsengel] de Basuyne des vredes blasen; maer ick worde, tot leetwesen van mijn, genootsaeckt de Rou-basuyne op te heffen, om over ons soo lang gesegende Vaderlant Alarm te blasen, dewijl ick verscheyde malen de stercke winden van Gods gramschap heb hooren wayen [...].
Enny de Bruijn, ‘De hoeve en het hart. Een boerenfamilie in de Gouden Eeuw’, uitg. Prometheus, Amsterdam; 368 blz.; € 24,99.
Dr. Enny de Bruijn (1971) promoveerde in 2012 op een biografie van de zeventiende-eeuwse dichter Jacob Revius, Eerst de waarheid, dan de vrede. Ze redigeerde de bundel Volk in verwarring. Reformatie in Nederlandse steden en dorpen (2017). Enny de Bruijn is cultuurredacteur bij het Reformatorisch Dagblad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's