Christus zichtbaar maken
Het werk en de gaven van de Heilige Geest (3, slot)
In het boek Handelingen volgt na fase 1 (tot geloof komen) steeds fase 2 (het vervuld worden met de Heilige Geest). Dit betekent niet dat er een tweedeling bestaat tussen ‘gewone’ christenen en ‘begeesterde’ christenen alsof er twee categorieën zouden zijn.
Wat betreft de voorbeelden uit het boek Handelingen (in hoofdstuk 1, 2, 8, 19) is het belangrijk om onderscheid te maken tussen de ‘heilshistorie’ (de ontwikkeling van het heil) en de ‘heilsorde’ (hoe je het persoonlijk ondervindt). Dr. L. Floor wijst hier regelmatig op. De genoemde gebeurtenissen uit het boek Handelingen hebben betrekking op de ontwikkeling in de heilshistorie en zijn geen illustraties van de heilsorde. Ze beschrijven een situatie die eenmalig is.
Unieke tijd
In Handelingen 1 wordt de situatie van de gemeente beschreven na Pasen en voor Pinksteren. Dat is een uniek moment. Je kunt het niet zomaar doortrekken naar onze tijd. Opvallend is dat de wedergeboorte en de heiliging, het tot geloof komen en de toerusting om als gelovige te leven in Handelingen 2 samenvallen. Het zijn geen twee losse gebeurtenissen. De gelovigen ontvangen vergeving van zonden en hebben alle dingen gemeen. Het ene heil raakt en vormt hun leven.
Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Handelingen 19 kan gesteld worden dat wij de doop van Johannes niet meer bedienen. Ook das was dus een eenmalig gebeuren. Tussen de gebeurtenissen in Jeruzalem en Efeze in, ligt ook het gebeuren in Samaria (Hand.8).
Deze drie steden beschrijven drie strategische momenten in de geschiedenis van de kerk: het Woord van God gaat de wereld in. Eerst komt de Geest op de Joden in Jeruzalem, vervolgens op de Samaritanen (gemengd Joods-heidens) en vervolgens komen in Efeze de gelovigen uit de heidenen in beeld. Zo beschrijft het boek Handelingen de heilshistorie. Laten we dit echter niet als een methode op de heilsorde toepassen. Daar komen ongelukken van. We moeten sowieso oppassen om welke methode dan ook toe te passen, zeker als het gaat over de gaven van de Heilige Geest. Van belang is om ons (blijvend) te realiseren dat het Nieuwe Testament een unieke tijd beschrijft: de tijd van de apostelen. We hoeven niet krampachtig hun optreden te kopiëren: wij zijn immers geen apostelen.
Streeptheologie
Is het daarom verstandiger, zoals wel in de Reformatie is gebeurd, een streep te trekken tussen de tijd van de apostelen en de tijd daarna? We noemen dat de streeptheologie. Voor de streep: opzienbarende tekenen. Daarna: rust in de kerk.
Ook deze benadering moet kritisch tegen het bijbelse licht gehouden worden. Ik kom nergens in de Bijbel een aanwijzing tegen dat de gaven van de Geest alleen maar voor de begintijd van de kerk zouden gelden. Gelukkig niet. Ik zou me geen raad weten.
Genadegave
In de nieuwtestamentische brieven circuleren verschillende lijstjes die het functioneren van de gemeente met behulp van de gaven in kaart brengen. Ik richt me nu op het kleinste lijstje in het Nieuwe Testament (1 Petr.4:10): Laat ieder de anderen dienen met de genadegave zoals hij die ontvangen heeft.
Voor het woord ‘genadegave’ wordt in het Grieks het woord charisma gebruikt. Een woord dat ook in ons hedendaagse taalgebruik terugkomt. We noemen iemand een charismatische persoonlijkheid als hij een bepaalde uitstraling heeft. Hij heeft het, zo stellen we dan. En een ander heeft ‘het’ soms niet. Ondertussen dreigen we door dit gebruik op een verkeerd spoor te komen. Want ‘charisma’ betekent niet: wat jij hebt, wat er bij jou in zit. Nee, het is wat je krijgt en ontvangt van de Heilige Geest. Daar draait het om. Charismata zijn letterlijk geschenken van de Heilige Geest aan de gemeente. Gegeven voor Christus. We zijn weer terug bij de typering van Calvijn: pneumatologie (de leer van de Heilige Geest) is toegepaste christologie.
Anderen dienen
Zo is ‘dienen’ bijvoorbeeld een belangrijke gave. Sinds Zijn hemelvaart is Christus Kurios/Heer. En deze Kurios mag ik dienen door Zijn Geest. De Geest leert mij: ik sta in Zijn dienst.
Dat is een heel andere manier van omgaan met de geestesgaven dan velen in Korinthe deden. Er waren daar gelovigen die, wat de charismata betreft, elkaar de loef probeerden af te steken. Het was een soort wedstrijdje: wie heeft de meeste, wie de opzienbarendste? Er werd neergezien op christenen die op dit terrein niet veel presteerden. Dan krijg je pneumatologie los van christologie. Berg je dan maar. Als ons ‘ik’ niet met Christus gekruisigd is, komt er van dat dienen helemaal niets terecht.
Vandaar dat Petrus hier fundamenteel inzet met: laat een ieder de anderen dienen. Een ieder staat met nadruk voorop, niemand uitgezonderd. Daarom is het nooit een vraag voor de gelovige: heb ik een gave? Iedere gelovige heeft een gave. Hij kan dienen, zeker weten.
Soms haken mensen, al dienend, na verloop van tijd teleurgesteld af. Ze zien weinig resultaat en vinden het daarom maar ondankbaar werk. Maar, opnieuw: pneumatologie is toegepaste christologie. Dat betekent concreet: de kracht die Christus uit de dood heeft opgewekt, die kracht is beschikbaar. In ons dienen handelt God Zelf. Zijn kracht wordt in onze zwakheid volbracht.
Spreken
Dat geldt voor ons ‘dienen’. Dat geldt ook voor ons ‘spreken’, het tweede begrip dat Petrus ter sprake brengt. Door ons spreken heen spreekt God Zelf, door Zijn Woord. Zo wordt de gemeente gebouwd. Daar gaat het om. Gaven zijn dus bedoeld om de aandacht op Hem (Christus) te vestigen en niet op onszelf.
Opvallend hoe in de tijd van de Reformatie een hervormer als Martin Bucer de gemeente al zag als een charismatische gemeente. Daar heeft ieder een taak. In zijn commentaar op Efeze (aldus de weergave van dr. W. van ’t Spijker) omschrijft Bucer deze gemeente als volgt: ‘Het is niet alleen maar de taak van de dienaren, maar van allen en een ieder als leden van Christus, de anderen, voor zover zij maar kunnen, in het geloof van Christus te vernieuwen en met hun gehele leven in Christus te doen groeien, dat is hen te onderwijzen, waarschuwen, aansporen, berispen, afschrikken, troosten en oprichten.’ Inderdaad: ‘iedereen’ heeft een gave. Iedereen heeft zijn ‘eigen’ gave. Nog een verhelderend citaat: ‘Uit die genade waardoor God eerst de heiligen rechtvaardigt, vloeien de andere geestelijke gaven voort, die Hij aan hen verleent.’ Dit is niet alleen maar gereformeerde taal, in deze woorden hoor ik de echo van Paulus’ spreken over de gaven: de gaven zijn geen doel op zich maar dienen de opbouw van de gemeente van Christus. Zo krijgt het zinnetje ‘pneumatologie is toegepaste christologie’ handen en voeten in het leven van de gemeente van alledag.
Vrucht
Nog één onderwerp vraagt onze aandacht: de vrucht van de Heilige Geest. Is mijn waarneming terecht dat ik meer hoor spreken over de gaven van de Geest dan over de vrucht van de Geest? En, als dat zo zou zijn, is dat terecht? Als we de typering van Calvijn overnemen (pneumatologie als toegepaste christologie), dan moet ons antwoord luid en duidelijk ‘nee’ zijn.
Door het geloof worden wij immers met Christus verbonden. Zoals een rank aan de wijnstok, zegt Jezus in Johannes 15, om vrucht te dragen. Af en toe ééntje? Vooruit, meer dan één? Gaat het er net zo aan toe als met de charismata, dat we niet alle gaven vinden in één en dezelfde persoon? In Galaten 5:22 volgt een hele lijst met vruchten. Niet om uit te kiezen. Zo van: doe mij maar… en dan noem je een vrucht die je wel aanspreekt. Zo werkt het niet, zegt Christus. Het gaat net als met dat zaad dat in de grond gestopt wordt. Het ontkiemt. Het sterft. Zo dragen mensen veel vrucht. De Heilige Geest drukt het stempel van Christus’ kruis op ons leven.
Tegenover de vrucht van de Geest staan in de Galatenbrief de werken van het vlees. En, eerlijk gezegd, ik sta machteloos tegenover het geweld van het vlees. Maar pneumatologie is toegepaste christologie. Christus woont met Zijn Geest in de gemeente. Dat wordt zichtbaar. De Engelse theoloog John Stott schrijft: ‘Als ik goed naar deze vruchten kijk, zie ik het portret van de Heere Jezus Christus.’ Pneumatologie is toegepaste christologie. Is daar alles mee gezegd? In principe wel, denk ik. We leggen de Geest niet aan banden. Tegelijkertijd fladdert Hij ook niet alle kanten op. Hij Die gedoopt is met de Geest, doopt met de Geest. Dat doet Hij nog steeds. Dat belooft wat.
Ds. C. van Duijn is namens de GZB uitgezonden naar Noord-Afrika.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's