De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stenen of diamanten?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stenen of diamanten?

Leven naar Gods geboden (2, slot)

7 minuten leestijd

Bijna vijftig jaar geleden verscheen er een boek met de opmerkelijke titel De wereld van het optimisme. De auteur was de bekende en begaafde rabbijn J. Soetendorp. Met de titel van zijn boek gaf hij een rake typering van de Joodse religie.

Het optimisme overheerst daar in meer dan één opzicht. Om te beginnen is er het optimisme van de hoop. Ondanks alle vernederingen en vervolgingen door de eeuwen heen bleef de vlam van de hoop branden. Men bleef uitzien naar de vervulling van Gods beloften, het aanbreken van Gods rijk van vrede en gerechtigheid.

Optimistisch is het religieuze Jodendom ook als het gaat om de betekenis van de geboden. Gods Thora is heilig en goed en de Joodse gelovige wordt in staat geacht deze ook te houden. Als dat niet zo was, waarom zou God dan Zijn geboden hebben gegeven? De trouw aan Gods geboden en inzettingen bergt de belofte van een eeuwig geluk in zich. Het onderhouden van de Thora is de poort waardoor de (Joodse) mens het Koninkrijk van God kan binnengaan.

Genuanceerd

Vinden we dit optimisme op dezelfde wijze terug in de Bijbel? Ik denk dat we in dit opzicht genuanceerd moeten spreken. Enerzijds treffen we in het Oude Testament herhaaldelijk teksten aan die wijzen op het heilzame van Gods geboden. ‘Doe dat en U zult leven,’ is het adagium. In het onderhouden van Gods wet ligt groot loon, lezen we in Psalm 19. Steeds weer vernemen we de indringende oproep: ‘Indien U Mijn geboden en inzettingen zult onderhouden, dan zal Ik u zegenen in het land dat Ik u geven zal.’ Dit soort teksten veronderstellen een optimistisch mensbeeld. Anderzijds treffen we ook meer dan eens een veel negatiever mensbeeld aan. De dichter van Psalm 14 noemt alle mensen zonder uitzondering goddeloos en zondig. ‘Zij zijn allen afgedwaald, samen zijn zij verdorven. Er is niemand die goed doet, zelfs niet één.’

Dezelfde geluiden klinken in het Nieuwe Testament. Vooral de apostel Paulus is in dit opzicht radicaal. Hij spreekt geen kwaad woord over de Thora. Integendeel, de Joden zijn bevoorrecht vanwege het feit dat Gods woorden hun zijn toevertrouwd. Vanwege de verdorvenheid van ons hart zijn wij mensen uit onszelf echter niet meer in staat om Gods goede geboden na te komen. Onze godsdienstige inspanningen kunnen ons het eeuwige leven niet bezorgen. Klip en klaar schrijft de apostel in Romeinen 3: ‘Uit de werken der wet zal niemand gerechtvaardigd worden. Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God’ (vs. 23). Hoe dan wel? ‘Wij worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is’ (vs. 24).

Heidelbergse Catechismus

Onwillekeurig dringt zich een vraag op; een vraag die we ook in de Joodse religie tegenkwamen: wat hebben de geboden eigenlijk voor zin als we toch niet in staat zijn om ze te houden? Die vraag wordt ook opgeworpen in het leerboekje van onze kerk, de Heidelbergse Catechismus. Na de bespreking van de Wet des Heeren, waarbij de Tien Geboden één voor één de revue passeren, komt deze vraag aan de orde. En dan volgt er een tweeledig antwoord:

- opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken;

- dat wij zonder ophouden ons benaarstigen en God bidden om de genade van de Heilige Geest, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld van God vernieuwd worden, totdat wij tot de volkomenheid na dit leven geraken.

Goede werken

Van onszelf zijn we onbekwaam om de geboden te houden. Daarin is ons leerboekje in navolging van de apostel Paulus duidelijk. Toch is daar niet alles mee gezegd. Want behalve Paulus mengt ook een andere apostel zich in dit gesprek. In de brief van Jakobus lezen we met zoveel woorden dat een geloof zonder werken dood is.

Zoals bekend had Maarten Luther de nodige moeite met de woorden van Jakobus. Hij noemde zijn schrijven een ‘strooien brief’, waarmee hij de kachel kon aanmaken. Vanuit Luthers perspectief is zo’n opmerking wel te plaatsen. Hij had het immers voortdurend te stellen met de rooms-katholieke rechtvaardigingsleer, waarin de goede werken een grote rol speelden. Luther zelf was daar volledig mee vastgelopen. Niet door onze eigen inspanningen om de geboden te houden worden wij gered. Sola fide, door het geloof alleen en sola gratia, door genade alleen. Toch moeten we ook de boodschap van Jakobus voluit laten wegen.

Voor eeuwig gered worden is geen eigen verdienste, geen loon op onze goede werken. Maar zonder goede werken komen wij er ook niet. De rank die aan de wijnstok verbonden is, draagt vrucht. Wie – door het geloof – vergeving ontvangen heeft vanwege de verdienste van Christus, zal ook verlangen naar vernieuwing van zijn of haar leven.

Gods goede geboden worden ons lief. Dat kan niet anders en dat mag ook niet anders. In de Evangeliën verwijt Jezus de Farizeeën en schriftgeleerden dat zij door het houden van de geboden de hemel willen verdienen. Maar tegelijk zegt Hij tegen Zijn volgelingen: ‘Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan.’ (Matt.5:20) Vormendienst en uiterlijke plichtpleging zijn niet genoeg. Het gaat om de liefde van ons hart. In Psalm 119 lezen wij: ‘Hoe lief heb ik Uw wet! Hij is heel de dag mijn overdenking.’ (Ps.119:97) En de dichter voegt eraan toe: ‘Wie Uw wet liefhebben, hebben diepe vrede.’ (Ps.119:165)

Volmaakte gehoorzaamheid

Eén was er die Gods geboden volkomen heeft gehouden. Van kinds af aan was Jezus thuis in de Schriften van Thora, Profeten en Psalmen. Hij was erin bezig en hield Zich eraan als een vrome Jood. Er is geen sprake van dat Hij de Thora zou hebben afgeschaft. Hij zegt het Zelf: ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen maar te vervullen.’ (Matt.5:17)

Het was Zijn lust en Zijn leven, Zijn intense vreugde om de wil van Zijn Vader te volbrengen. In Zijn prediking en levenswandel heeft Hij de diepste betekenis en bedoeling van de Thora aan het licht gebracht. Laten wij Zijn voorbeeld volgen en in afhankelijkheid van Hem gaan in het spoor van Gods geboden. En laten we beseffen dat Jezus de schuld van onze ongehoorzaamheid wilde overnemen en de doem van onze onmacht en onwil heeft gebroken in Zijn kruisdood en opstanding. Door Zijn Geest wil Hij ons hart neigen, zodat we breken met de zonde en Gods opdrachten gewillig en met vreugde zullen doen.

Een wedergeboren christen beseft dat Hij zonder de genade van Christus de geboden onmogelijk kan nakomen. Daarom bidt hij elke dag: ‘Gun door het geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid.’ (Berijming Tien Geboden vs. 9)

Twee bergbeklimmers

Simchat Thora, vreugde der wet! Misschien kan het verhaal waarmee ik wil eindigen, ons bemoedigen. Mijn goede vriend opperrabbijn Jacobs vertelde ooit het verhaal van twee bergbeklimmers. Aan de voet van de berg krijgen ze allebei een rugzak mee. De opdracht luidt: elke vijf minuten een steentje oprapen en in de rugzak stoppen. Na een poosje begint de ene bergbeklimmer al moe te worden; hij klaagt over het toenemende gewicht van de rugzak. De andere bergbeklimmer loopt vrolijk door. Hij heeft totaal geen last van de stenen.

Hoe dat komt? Wel, hij denkt bij zichzelf: het zijn geen stenen die ik meedraag maar diamanten, kostbare edelstenen.

Gods geboden zijn een kostbaar geschenk. Het gelovig onderzoeken daarvan brengt grote zegen met zich mee: omkeer en levensvernieuwing. God heeft ze niet gegeven om ons leven zwaar te maken. Het zijn geen stenen maar diamanten. Ze verrijken ons leven. Ze beschermen ons bestaan, ons huwelijk, ons bezit, onze samenleving. Het zijn Gods spelregels die ons laten zien hoe we in deze wereld Zijn liefde moeten beantwoorden en hoe we kunnen leven tot eer van Hem, ook in relatie tot de mensen, de dieren en de schepping om ons heen.

Hoe meer we daarin vorderen, des te meer zullen we de vreugde van de wet ervaren, en het de psalmdichter nazeggen:

Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis;
dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen.
Uw woord kan mij, ofschoon ik alle mis,

door zijnen smaak, én hart én zinnen strelen.
Gij weet mijn weg en hoe mijn wandel is;
’k wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.
(Ps.119:84)

Dr. M. van Campen uit Ede is emeritus predikant.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 2019

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Stenen of diamanten?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 2019

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's