De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

3 minuten leestijd

In het boek van de Kamper emeritus hoogleraar Frank van der Pol, De vliegende bij zoekt naar Honing (Brevier, Kampen) schrijft hij over Kampen in de tijd dat Simon Oomius (1630-1706) er predikant was:

Het zeventiende-eeuwse gereformeerde Kampen heeft niet alleen een houding moeten bepalen ten opzichte van kerkelijk pluralisme, de stad kreeg ook te maken met vormen van toverkunst. In samenwerking tussen kerk en stadhuis werden daar in de loop van de eeuw allerlei maatregelen tegen genomen. In 1686 – Oomius was toen al 8 jaar predikant in Kampen – raakte heel de stad in rep en roer omdat een dertienjarige jongen had aangegeven, betoverd te zijn. De inwoners maakten zich ongerust, omdat de jongen spelden en naalden in zijn urine had en potscherven, haarballen en zelfs manuscripten uitbraakte. Een groentevrouw die lidmaat was van de gereformeerde kerk werd door de jongen aangewezen als de schuldige. Inwoners bestormden hierop haar huis, waarna het stadsbestuur ingreep en de jongen op het stadhuis onder bewaking stelde. De predikanten toonden medelijden met de betoverde knaap. Vanaf de kansel werd er voor de jongen gebeden om bevrijding uit de duivelse greep. Uiteindelijk gaf de jongen toe dat alles door hem verzonnen was en dat iemand hem de tovertrucs geleerd had. In opdracht van de magistraat kreeg de knaap van zijn vader een stevige geseling.

Wiebe Bergsma schreef in zijn Gelovigen, dominees en gereformeerden. Opstellen over Friese en Nederlandse geschiedenis in de vroegmoderne tijd (uitg. Verloren, Hilversum) over (sporadische) tuchtzaken in Friesland:

Wolter Gerritsz (Sint Annaparochie) was een groot zondaar. In juli 1601 kwam zijn ongeregeld leven ter sprake. Op 11 april 1602 was Wolter wederom onderwerp van discussie. Hij leefde onchristelijk en had een ongezonde leer. Hij hechtte geen waarde aan de uiterlijke kerk. De kerkelijke discipline noemde hij een ‘paepsche biecht’. Op grond van die aantijging wendde de kerkenraad zich tot de classis om advies. Op 18 april viel het besluit dat Wolter, al tweemaal met bedekte naam genoemd, nu met openlijke naam aan de gemeente zal worden voorgesteld. Hij luisterde niet naar vermaningen en bleef onboetvaardig. Uit de aard der christelijke liefde en het bevel van Christus werden de broeders opgeroepen voor hem te bidden, ‘ter eeren Gods, tot verhoginge aller vromen ende sijner eigener salicheit’. Op 23 januari 1603 werd de conduitestaat van Wolter verder ingevuld, nu vermeerderd met dronkenschap, vechten en andere werken des vlezes. Hij lasterde openlijk de tucht en de Kerk. De kerkenraad dreigde nu met excommunicatie. Op 5 februari werd Wolter, tot leedwezen der vromen, vanwege zijn hardnekkigheid door predikant Arcerius afgesneden van het lichaam van Christus.

In 1626 werd nog een lidmaat afgesneden, Michiel Jansz. Die excommunicatie viel deze broeder ten deel vanwege dronkenschap en het niet verschijnen onder het gehoor van Gods Woord in een periode van meer dan drie jaar. In 1633 wordt Pieter Nannesz genoemd; hij ‘heeft een tijtlanck een onstichtelijck leven geleyt’, dat wil zeggen ‘bij de wederdoopers oock geloopen.’

Hij moet zijn schuld bekennen en verklaren te blijven ‘in de ware gereformeerde leer’ aleer hij weer kan worden toegelaten tot het avondmaal.

Twee excommunicaties in ruim een halve eeuw is niet veel. Toch werden in een stad als bijvoorbeeld Bolsward, met veel gereformeerden, in de periode 1635-1685 ook slechts drie lidmaten afgesneden. De kerkenraad probeerde kijvende vrouwen en twistende echtelieden zoveel mogelijk te verzoenen. De vreugde was groot wanneer geschillen in de gemeente met een handdruk werden beëindigd. Ook in Sint Annaparochie stond de verzoening van het zondige schaapje met de avondmaalsgemeente centraal. In Sint Annaparochie doen de vrouwen niet onder voor de mannen, want de zonden zijn min of meer evenredig over beiden seksen verdeeld: achttien vrouwen en veertien mannen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 2019

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 2019

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's