De denkende mens centraal
Scheppingsordeningen (2)
Volgens velen kunnen we in de discussies over huwelijk en de verhouding tussen man en vrouw geen beroep meer doen op de zogenaamde scheppingsorde. In vroeger tijden gebeurde dat echter volop. Hoe verklaren we dit verschijnsel?
Ds. C.H. Hogendoornis predikant van de hervormde gemeente te Katwijk aan Zee.
Volgende week deel 3, het slot van deze serie: hoe de Bijbel spreekt over het huwelijk en de verhouding tussen man en vrouw.
Wanneer Calvijn in de Institutie schrijft over de schepping, noemt hij haar een schitterend schouwtoneel, een zichtbare afbeelding van Gods heerlijkheid. God toont Zijn majesteit in de ordening van de schepping en de mens ziet er Zijn wijsheid, macht, gerechtigheid en goedheid in. Tegelijk wijst de reformator erop dat er niets is wat niet door de zonde is ‘verward, verminkt en besmet’.
Toch is er door de zondeval heen iets bewaard van de door God gegeven orde, want Hij geeft de wereld en het menselijk samenleven niet over aan ontbinding en ontwrichting. De schepping openbaart iets van Zijn wil, daarover kende Calvijn geen aarzeling. Uiteraard erkende hij dat het menselijke verstand zo door de zonde is verduisterd dat deze kennis getoetst en gecorrigeerd moet worden. Daarvoor is de Schrift nodig, als een bril, die de mens moet opzetten om de schepping te kunnen ‘lezen’.
Verlichting
Tot de Verlichting waren de gedachten zoals Calvijn ze weergeeft, gemeengoed. Dat veranderde in de achttiende eeuw (voorlopers eind zeventiende eeuw) toen in Europa een stroming op gang kwam die grote nadruk legde op de vermogens van het menselijke verstand. Voortaan stonden niet God en Zijn wereld, maar stond de denkende en onderzoekende mens in het middelpunt. Was bij Calvijn de schepping een groot theater van Góds grootheid en macht, nu stond de verlichte, uit zijn onmondigheid verloste, mens op het toneel.
Anders gezegd: benadrukte Calvijn, en anderen voor hem, de rol van de mens in de schepping als die van ontvankelijkheid, na de Verlichting zijn de rollen radicaal omgedraaid. De verlichte mens benadert de schepping technisch, slechts als een object van onderzoek en vermag in de schepping niet meer de wijsheid te zien waarmee God haar heeft ingericht. In plaats van het ontvangen van zin door de schepping gaan we nu zelf zin verlenen. Jonathan I. Israël noemt dit in zijn vuistdikke Radicale Verlichting de mechanisering van het wereldbeeld.
Kerk en theologie
Kerk en theologie ontkwamen niet aan deze ontwikkeling. Men moet zelfs eerlijk constateren dat ook de theologische bezinning de schepping uit het oog verloor. Er was (en is nog altijd) bijvoorbeeld weinig diep bijbels-theologische doordenking en verwerking van de zogenaamde wijsheidsboeken van het Oude Testament, waarin de schepping en Gods wet en wijsheid in hun onderlinge samenhang uitvoerig aan de orde komen.
Oriëntatie op de schepping leverde binnen het theologische nadenken sowieso spanning op vanwege de zonde. Zou een zelfstandige plaats van de schepping niet op gespannen voet staan met de verwoestende gevolgen van de zondeval? Het gevolg van dit alles was dat men ten slotte alleen de Bijbel overhield, een ontwikkeling die parallel liep met een verschuiving waarbij er meer aandacht kwam voor het individuele: God en de enkele ziel.
Bij de theoloog Karl Barth viel de ‘genadeklap’: hij ontkende iedere vorm van scheppingsopenbaring, hij liet alles opgaan in de bijzondere openbaring in Christus. In zijn spoor volgden in ons land op dit punt, ieder met eigen accenten, onder anderen de dogmatici Noordmans, Berkhof en Van de Beek. En wanneer ik me niet vergis, zijn er vandaag de dag veel theologen bij wie de schepping niet meer zelfstandig functioneert.
Evolutie
Om het ten slotte nog een klein beetje ingewikkelder te maken: wanneer we hierbij ook de discussie over schepping en evolutie betrekken, wordt de mist en verwarring nóg groter. Hoe kunnen we ethische richtlijnen aan de schepping ontlenen wanneer deze geen zelfstandigheid meer heeft, of wanneer evolutie ons uitgangspunt is? Dr. A.A.A. Prosman geeft in zijn jongste studie Gedoofd licht. Christenen tussen schepping en secularisatie uitvoerig rekenschap van de veranderingen die zich in het denken over de schepping vanwege de secularisatie, juist in kerk en theologie, hebben voltrokken.
Schepping en herschepping
We vatten een en ander kort samen. Hoe stevig staat de bewering dat de schepping ons niets meer te zeggen heeft in verband met de ethiek? Ondanks verzet tegen de gedachte van een ordenend principe van God in de schepping, is de grote rode draad vanaf de Vroege Kerk altijd geweest dat christelijke theologen het verband tussen schepping en het heil fors onderstreepten. De discussie ontstond echter over de vraag hóe die relatie gedacht moest worden. We stellen vast dat er een onlosmakelijk verband is tussen schepping en herschepping.
Verder leiden we uit de Bijbel af dat God wel degelijk orde in de schepping aanbrengt. In Genesis 9, na de zondvloed, worden dergelijke ordeningen zelfs bij name genoemd: de afwisseling van dag en nacht, de opeenvolging van de seizoenen en ook de vruchtbaarheid van mens en dier. Geen weldenkend mens die hieraan tornt door voortaan in de winter te gaan zaaien, of (tenzij vanwege het werk noodzakelijk) dag en nacht om te keren. We zouden dat vreemd vinden. Eerder in Genesis wordt ook het man- en vrouw-zijn tot de orde van Gods schepping gerekend, en ook de instelling van de sabbat.
In de wijsheidsboeken van het Oude Testament is er duidelijk sprake van dat God Zich bekendmaakt in de schepping, naast dat Hij van Zich laat horen door de priester en de profeet. Daarbij heeft de schepping niet alleen de status van een ‘zijn’, maar ze maakt óók Gods wijsheid bekend (G. von Rad).
Er zijn wel degelijk, zo stelt dr. Emil Brunner in zijn (vaak niet helemaal begrepen) studie Das Gebot und die Ordnungen, door God ordeningen in de schepping gegeven. Zij worden in het geloof gezien en opgemerkt. Bonhoeffer noemde dat mandaten of onderhoudingsordeningen, die God ook na de zondeval in stand houdt om deze wereld te dragen totdat Christus wederkomt.
Andere weg
Nu is het inderdaad waar dat het Nieuwe Testament ons leert dat het schema van deze wereld zal verdwijnen (1 Kor.7:31; Openb.21:5). Er zal immers naar het woord van de Heere Jezus in Gods toekomst geen huwelijk meer zijn (Mark.12:25), in de hemel geen dag en nacht (Openb.21:25) en de apostel Paulus lijkt het gehuwd zijn niet aan te moedigen (1 Kor.7:29), om maar enkele dingen te noemen.
Volgens sommigen vormt dit een duidelijk argument om de scheppingsordeningen sterk te relativeren. Het is de vraag of we ons er dan niet te snel van afmaken. In déze bedeling houden ze haar kracht, wat het huwelijk betreft zelfs een vernieuwde kracht.
Er is een andere weg denkbaar. We leven niet meer in het ongeschonden begin van de schepping, evenmin in het volmaakte van de herschepping. De Heere Jezus en de apostel Paulus verwijzen echter nadrukkelijk, met name op het punt van het huwelijk en de verhouding tussen man en vrouw, naar de schepping terug. Wat betekenen deze teksten in onze theologische bezinning?
We constateren overigens een merkwaardige dubbelheid: het frappeert dat men in verband met bijvoorbeeld relatievormen binnen en buiten de kerk een beroep op de scheppingsorde resoluut van de hand wijst, terwijl in – om maar een andere actuele kwestie te noemen – het milieuvraagstuk de schepping ineens weer ten tonele wordt gevoerd om te onderstrepen dat er grenzen gesteld moeten worden aan ons gedrag. Een merkwaardige tweeslachtigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's