De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Religieuze motieven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Religieuze motieven

7 minuten leestijd

Dr. A.A.A. Prosman uit Amersfoort is emeritus predikant.

In de kroniek van Kontekstueel (Tijdschrift voor gereformeerd belijden nú) gaat burgemeester Jos Wienen van Haarlem in op het dragen van gezichtsbedekkende kleding.

Kontekstueel

Rond 1 augustus gonsde het op radio en televisie van discussies. Het ging over een kledingstuk dat verboden werd. Slechts ongeveer vijftig tot tweehonderd mensen dragen dat kledingstuk. En het verbod geldt alleen op bepaalde plaatsen. Het was natuurlijk komkommertijd, maar was al deze aandacht niet wat overdreven? Eerlijk gezegd vond ik dat wel. Maar er is een aantal principiële punten mee verbonden, die het toch interessant maken om er aandacht aan te besteden in deze Kroniek. (...)

Moet de overheid zich bezighouden met de kleding van mensen? Kunnen we dat niet gewoon aan de burgers zelf overlaten? Kennelijk niet helemaal, want al is kleding normaal gesproken vrij, het boerkaverbod is zeker niet het eerste wetsartikel dat over kleding gaat. Zo is het verboden zich zonder kleding in de openbare ruimte te begeven (...) Ook aanstootgevende kleding is verboden, evenals het onbevoegd dragen van uniformen. (...) Hoe persoonlijk het dragen van kleding ook is, er is een brede acceptatie dat de overheid bepaalde aanstootgevende zaken rond kleding kan verbieden. Dat is ook precies waar het bij het boerkaverbod om gaat. Toch komt daar iets bijzonders bij. De draagsters van een boerka of nikab beroepen zich dus op de vrijheid van godsdienst. Dat maakt het wel heel gevoelig, want godsdienstvrijheid is een groot goed. (...)

Het is in dit verband nog wel interessant dat tot 1983 het dragen van kerkelijke kleding op straat verboden was in Nederland. Dat verbod stamde uit 1853 en was gericht tegen katholieke geestelijken en processies... maar gold ook voor protestantse voorgangers. Ik herinner me dat onze predikant op catechisatie vertelde dat hij in de kerk een toga droeg, maar dat hij er niet mee over straat mocht lopen. (...)

Is het boerkaverbod een stap terug in de tijd? Een beperking van de godsdienstvrijheid? Of is het goed dat dit verbod recht doet aan een breed in Nederland levende overtuiging dat het dragen van een boerka aanstootgevend is? Veel Nederlanders voelen weerstand als ze iemand met deze sluiers zien lopen. En eerlijk gezegd herken ik dat bij mezelf.

Zoals bekend is het verbod op van het dragen van gezichtsbedekkende kleding niet een algemeen verbod, maar geldt het slechts op bepaalde plaatsen.

Ook is bekend dat de handhaving van het verbod op z’n zachtst gezegd nogal onduidelijk is. Burgemeester Wienen illustreert dat met een voorbeeld.

Een paar jaar geleden werd door het stadsbestuur (van Amsterdam) een chauffeur van het gemeentelijk openbaar vervoer verboden een kruisje te dragen tijdens werktijd. Eerlijk gezegd kan ik deze benadering niet volgen. Een werknemer mag geen kruisje dragen, maar in strijd met de wet een boerka dragen in het Openbaar Vervoer mag wel. Het verschil zal zijn dat de één een overheidswerknemer is en de ander een klant. Toch geeft het een raar gevoel. Het verbod van een kruisje lijkt op het krampachtig weren van godsdienstige uitingen (terwijl kruisjes nota bene massaal als sieraad gedragen worden zonder religieuze motieven), terwijl het accepteren van een boerka op een bij wet verboden plaats juist lijkt op een extra bescherming van godsdienstige uitingen.

Nederlands Dagblad

Religie kruipt waar het niet gaan kan. Dat blijkt wel uit een boeiend verhaal dat ik in het Nederlands Dagblad las over het werk van Nederlandse missionarissen in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea, dat nu West-Papua heet.

Nederlands Nieuw-Guinea was in de eerste helft van de twintigste eeuw een onherbergzaam en deels onontdekt gebied vol woeste bergketens, in nevelen gehulde moerassen en dichtbegroeide oerwouden. Tot 1959 werden er nog expedities uitgerust die plekken in kaart moesten brengen waar geen westerling ooit was geweest.

Onder de talloze etnische groepen die in Nederlands

Nieuw-Guinea woonden, waren er die voortdurend strijd met elkaar voerden, die koppen snelden en

kannibalisme praktiseerden. Het bestuur en de missionarissen deden er verwoede pogingen om deze praktijken te veranderen. Als ze dat nodig vonden, trokken de bestuurders en hun patrouilles daarbij hun wapen of staken ze stukken land in brand om te laten zien dat het hun menens was. Ook een enkele missionaris kreeg weleens een berisping omdat hij het nodig had gevonden mensen met een revolver naar de kerk te krijgen.

Gerard Zegwaard was een van de missionarissen die door de Missionarissen van het Heilig Hart naar deze streken werden gestuurd. In 1952 vestigde hij zich als eerste blanke bij de Asmat, in een streek vol modderige moerassen en donkere mangrovebossen. (...)

Missionarissen van het Heilig Hart wilden de bevolking naar eigen zeggen bevrijden van oorlog en dood, van ziekte en ellende. Voor Zegwaard betekende dat luisteren naar de verhalen van de Asmat en van daaruit een pastoraat opbouwen. Zo konden hier parochies worden opgericht en mensen na hun doop worden bijgeschreven in het register.

Zegwaard beschreef de Asmat als mensen die staand in hun prauwen met schilden, speren en trommels de kreken en rivieren afgingen. Hij hoorde van hen hoe ze vijanden met pijlen doorboorden, zoals ze dat met krokodillen deden. Hij zag hoe ze hun prauwen beschilderden met oker en kalk en zichzelf tooiden met veren van de kasuaris. Opengewerkte varkensbotten of schelpen dienden als neusversiersel.

De missionaris hoorde ook hoe de Asmat bij het koppensnellen het hoofd van de gedode vijand van diens lichaam sneden, het haar verbrandden en de hersenen met een stenen bijl uit de schedel klopten. Het vlees vermengden ze met zetmeel uit de sagopalm om het vervolgens op te eten. Ondertussen klonken liederen uit de overlevering.

Volgens de Asmat bleef door dit ritueel de wereld in balans. Hun geloof was dat dader en slachtoffer één werden. Dat brachten ze ook in praktijk: Zegwaard maakte meer dan eens mee hoe de familie van een onthoofd slachtoffer de daders als eigen familie behandelde

en hen enthousiast verwelkomde. ‘Ik gebruikte hen dikwijls als gids op tochten naar stammen met wie hun dorp in vijandschap leefde’, schrijft Zegwaard daarover in zijn artikel ‘Koppensnellerspraktijken van de Asmatters van Nederlands Nieuw-Guinea’ (1956).

Het Nederlands bestuur verbood koppensnellen, maar had niemand ter plaatse die kon zorgen dat het verbod ook werd nageleefd. De bevolking ging er nog tot in de jaren zestig mee door.

Vier jaar nadat Zegwaard naar de Asmat was gekomen, ging hij tegen zijn zin in naar Merauke, zo valt in zijn verslag te lezen. Merauke was de grootste plaats in het zuiden van Nederlands Nieuw-Guinea. Zijn medemissionarissen en de bisschop hadden zijn hulp er hard nodig om het steeds maar groeiende werk gedaan te krijgen.

Dat koppensnellen en kannibalisme tot de praktijken van deze primitieve stammen behoorden, was mij wel bekend. In mijn jongensjaren las ik het boek Het witte hart van Nieuw-Guinea, Met de Nederlandse expeditie naar het Sterrengebergte, van L.D. Brongersma. Daarin gaat het ook over koppensnellen. Maar dat het eten van de hersenen verzoening bewerkt tussen de vijandige stammen, is voor mij nieuw. Het was dus niet alleen een daad van wreedheid maar het had een diep religieus motief. Eten en drinken van de vijand – hoe gruwelijk in dit verband – had als doel om vrede te bewerken. Het zorgde voor balans in de samenleving. Zo had ik het nog nooit gezien.

Het is goed om West-Papua weer in beeld te hebben. Op het moment dat ik dit schrijf, zie ik een bericht op mijn mobiel: ‘Nederlandse organisaties die zich inzetten voor het welzijn van de Papoeabevolking luiden gezamenlijk de noodklok. Aanleiding zijn recente beelden waaruit blijkt dat er een etnische zuivering van de Papoeabevolking dreigt.’ Dat is zeer verontrustend. Een volk dat nog maar zo kortgeleden uit de wereld van duistere machten bevrijd werd, wordt nu door andere machten bedreigd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 2019

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Religieuze motieven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 2019

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's