De tranen van God
Dr. A.A.A. Prosman uit Amersfoort is emeritus predikant.
Over ‘de tranen van God’ schrijft prof. dr. H.G.L. Peels in De Wekker, het orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Hij doet dit naar aanleiding van Jeremia 48, een profetie over de uitroeiing van Moab.
De actualiteit
Het artikel van prof. Peels is een exegetisch verhaal. Wat kan de actualiteit daarvan zijn? Maar misschien is dat nu wel het punt waar het om gaat in kerk en samenleving. Juist het feit dat alles actueel moet zijn, maakt het leven vluchtig en maakt ook het geloofsleven vluchtig. Het heden eist alle rechten op. Alleen wat vandaag gebeurt, is belangrijk. Gisteren is een ‘eeuwigheid’ geleden. Dat trekt een wissel op het leven van de christen. Van het zware accent op de actualiteit gaat namelijk een bepaalde dwang uit.
In allerlei verbanden móét het over het hier-en-nu gaan. Dat is logisch als we denken aan de media of aan de politiek. Zij houden zich bezig met de actualiteit. Maar met de kerk ligt dat toch anders. Juist de kerk moet het evenwicht bewaren tussen heden, verleden en toekomst, tussen tijd en eeuwigheid. De kerk staat in het heden maar staat ook boven het heden. Ze laat zich niet meesleuren door de waan van de dag.
Het is inderdaad een hele kunst om als het ware te balanceren op het koord van de tijd. Ook in dat opzicht is de kerk tot navolging geroepen van Hem Die in het vlees kwam. Het Woord, de Logos, daalde neer in de tijd en toch loste dit Woord niet op in de tijd. Het Woord is in de tijd en tegelijk boven de tijd. Is het vreemd om van de kerk te verlangen dat de twee-eenheid van tijd en eeuwigheid bewaard blijft en dat zij balanceert op het koord van de tijd?
Ik vrees dat zelfs een eeuwigheidszondag niet voldoende is om dit besef in de kerk weer wakker te schudden. Op eeuwigheidszondag ging het, neem ik aan, niet alleen over rouw en verdriet maar ook over de eeuwigheid. De ‘tranen van God’ brengen die twee-eenheid goed onder woorden. De tranen van God zeggen ons dat God indaalt in deze wereld, die in veel opzichten een tranendal is. Maar God valt niet samen met Zijn tranen. Hij is meer. Hij is God en daarom kan Hij verlossen.
De Wekker
Ook prof. Peels ontdekte goud in het donker. In De Wekker schrijft hij:
Weinig bijbelboeken zijn zo donkergekleurd als Jeremia, vol met teksten over oordeel en ondergang. De toorn van God bliksemt door het hele boek heen. Zo ook in de profetie van Jeremia 48, gericht aan Moab. Vermoedelijk wordt hier zelden of nooit over gepreekt. (…) Menig bijbellezer zal geneigd zijn snel door te bladeren, als hij bij een tekst als Jeremia 48 is aangekomen. Die vlucht was mij onmogelijk, omdat ik een bijbelcommentaar op deze hoofdstukken voorbereid. Des te groter was de vreugde toen ik, al exegetiserend, leerde lezen wat er echt staat. Juist hier in deze inderdaad schokkende profetie, ontvangen we een boodschap die zo machtig diep gaat en ver reikt, tot in het hart van de Here God. Goud in het donker. Overrompelend, om in de Moabprofetie een God te ontmoeten die tranen in de ogen heeft.
‘Daarom moet Ik over Moab jammeren, ja over geheel Moab geschreeuw aanheffen, over de mannen van Kir-Cheres zuchten. Meer dan Jazer weent, zal Ik over u wenen, o wijnstok van Sibma (…).’ In mijn vertaling staan de woorden ‘Ik’ en ‘Mijn’ met hoofdletters. Maar is dat wel juist? In de bijbeltekst wordt de ik-figuur niet nader geïdentificeerd. Zou het niet om de profeet Jeremia kunnen gaan, die hier geschokt reageert op de verwoesting rondom? Toch is er veel meer voor te zeggen dat hier daadwerkelijk God zelf aan het woord is. Nadrukkelijk is God het onderwerp in het hele gedeelte van hoofdstuk 48:30-39. ‘Ik ken Moabs trots, zegt de Here.’(vs. 30) ‘Ik heb de wijn uit Moabs persbakken geweerd.’(vs. 33)
Dr. Peels draagt nog meer argumenten aan die aantonen dat het ‘Ik’ van dit hoofdstuk op God betrekking heeft. Hij vervolgt dan:
Er waren en zijn uitleggers die ondanks alles wat hiervoor is opgemerkt, toch menen dat het Jeremia zelf moet zijn die aan het woord is in de ‘tranenteksten’. Echter, ook dan predikt het boek ons de tranen van God. De profeet is namelijk niet een individu op zich, maar vertegenwoordigt helemaal God als zijn zender. Daarom kunnen in het boek Jeremia het profetische ‘ik’ en het goddelijke ‘ik’ zo naadloos in elkaar overgaan. Jeremia verkondigt Gods boodschap zowel in zijn woorden als in zijn emoties. Hij kan vol zijn van de grimmigheid van God (Jer.6:11) en ook Gods pijn belichamen. Je kunt geen strikte scheiding maken tussen het lijden van de profeet en wat in God zelf leeft. Het lijden van de profeet weerspiegelt Gods lijden, in Jeremia’s klacht weerklinkt Gods klacht over zijn volk. (…)
Jeremia’s volkenprofetieën (Jer.46-51) verkondigen ons God als de Here die het oordeel over de wereld velt. Hij is echter niet een onbewogen rechter of kille beul, maar Hij is zelf diep betrokken bij wat gebeurt. God beleeft geen genoegen aan het gericht dat een trotse natie als Moab ondergaat. Eigenlijk een heel bijzonder hoofdstuk in onze Bijbel, ja, met goud in het donker. Dat God over Juda weent (…) kunnen we misschien nog enigszins verstaan, zeker als we denken aan Zijn verbond en verkiezing. Maar waarom zou de Here ook over een vreemd volk als Moab wenen? De enige parallel van Gods compassie met een vreemd volk vinden we in het boek Jona. (…) Eens zal dit hoopvolle perspectief verdiept en heerlijk verbreed worden naar alle volken van deze wereld. Dan rijst voor ons oog de gestalte van onze Heiland op, Hij die met tranen in de ogen naar Jeruzalem kijkt (Luk.19:41, vgl. Matth.23:37) (…) In onze Here Jezus Christus wordt de spanningsvolle boodschap van de wenende profeet Jeremia ten volle vervuld.
Gods binnenkamer
Het artikel van prof. Peels doet mij denken aan een rabbijn in Warschau ten tijde van het getto (1940-1943): rabbi Kalonymus Shapira. In Warschau werden de Joden bijeengedreven in een getto. Niet alleen de Joden van Warschau werden daar verzameld, maar ook Joden die vanuit de provincie naar de stad waren gevlucht, werden daarnaartoe gebracht. Drie jaar heeft het getto bestaan, toen werden de nog overgebleven Joden naar Treblinka gebracht en vermoord. Onder erbarmelijke omstan-digheden werkte, schreef en preekte Shapira. Van zijn gezin bleef niemand gespaard en ook hijzelf kwam om. Veel Joden waren wanhopig en keerden zich ook tegen elkaar. Want zulke omstandigheden brengen het beste maar ook het slechtste in de mens naar boven. Alle Joden wisten waar het op uit zou lopen: Treblinka zou het einde zijn. In een wanhopige opstand tegen de Duitsers probeerden zij het tij nog te keren.
Binnenkamer
Rabbi Shapira schreef treffende dingen over de tranen van God. God weent met Zijn volk, zei hij, maar God doet dat in Zijn binnenkamer. De engelen mogen Zijn tranen niet zien. Een koning wil niet huilen in de nabijheid van zijn personeel, maar wel samen met zijn volk. In het licht van het Nieuwe Testament mogen we zeggen dat God inderdaad een binnenkamer heeft, namelijk Zijn Zoon. Daar weent God over Zijn volk Israël, over de kerk en over deze onverloste wereld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 2019
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's