De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingezonden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden

6 minuten leestijd

WelEerwaarde Heer,

Waar de WelEerwaarde heer ds. J. A. ten Bokkel Huinink in zijn antwoord (opgenomen in no. 32 van »De Waarheidsvriend*) mij beschuldigt van het geven van een valsch getuigenis zijn persoon betreffende, en het spreken van onwaarheden, verzoekt ondergeteekende beleefd een plaatsje in bedoeld orgaan voor zijn woord van verweer. Wel tracht Z.Eerw. dat te voorkomen door zijn zeggen, dat hij voornemens is verder over deze zaak niet te debatteeren, maar dat lijkt me toch wat al te makkelijk. Iemand openlijk beschuldigen en dan geen verweer! Behoort dat tot de goede manieren?  Zoo zou ik willen vragen, of geldt het hier: Ik, V.D.M., heb gesproken ; ergo : dat is de waarheid, waartegen niets in te brengen valt. Doch ter zake! 

1e. Onwaarheid zou mijn bewering zijn, dat hij. met de verklaring van de tweede Doopvraag een getuigenis eischte, dat hij Gereformeerd was. Maar hoe nu, Eerw. ? Is de logica hier niet ten eenenmale zoek ? H e r l e e s toch nog eens wat ge in hetzelfde stuk, een enkelen regel verder, schrijft n.l. „Het volk moet weten, dat het bij den Doop a l h i e r in de Kerk „ja" zegt op de leer, welke in de Kerk door den plaatselijken predikant geleerd wordt." Bovendien kan naar des predikants meening mijn vrouw de tweede vraag nooit met een gerust geweten beantwoorden, omdat ze hem nog nimmer had hooren preeken ! En waartoe moest dan toch Z.Eerw.'s naam voluit van den kansel genoemd ?
Wil Z.Eerw. nog een duidelijker bewijs, dat hij 'het letterlijk aldus geformuleerd heeft ? Welnu, dan wil ondergeteekende hem wel een exemplaar van »De Wekker«, orgaan der Chr. Geref. Kerk, bezorgen, n.l. no.. 3 van jaargang 34. In de vragenbus van dat blad is een Christelijk onderwijzer aan het woord, die bedoelde Doopsbediening persoonlijk bijwoonde.

2e. Ook zou het weigeren der aangifte en het laten halen van mijn vrouw eigenlijk gelegen zijn in mijin prikkelende houding. Ik wil mij in deze niet als de onschuld in eigen persoon voordoen, toch een vraag: waartoe diende die telkens herhaalde, en met klem uitgesproken vraag : „Vriend, wat doet gij hier ?" welke aan geen ander werd gedaan. Was dat misschien bedoeld om te prikkelen ?
Het volgende doet daar wel een eigenaardig licht op vallen. Toen Z.Eerw. mij daags na den Doop ambtshalve (het zijn zijn eigen woorden) kwam feliciteeren, zei hij, dat hij eigenlijk stellig verwacht en gaarne gewild had, dat ik om een bewijs gevraagd had om in een andere Gemeente te laten doopen. Zonder eenige tegenwerking zou ik dat gekregen hebben, maar... zulk één, waar ik nergens mee terecht kon. Of dat mogelijk is, weet ik niet ! Wel, dat ik in mijn onnoozelheid dien strik misgeloopen ben, omdat hij van ouden datum was.
Maar nu ik daarom niet gevraagd had, was het zijn stellige verwachting geweest dat ik (hadde ik een eerlijk man willen zijn; toch 's middags, toen hij die ernstige verklaring van de tweede Doopvraag gaf, wel weggeloopen zou hebben.

En dan die siddering van verontwaardiging ? ! wanneer hij daoht aan de ontza g g e 1 ij ke verantwoordelijkheid !
M de R., wat is het papier toch geduldig ! zoo moet ge uitroepen, wanneer ge wee t en z i e t en hoort, dat die siddering zich alleen maar zichtbaar openbaart, wanneer een kind van een voorganger eener Evangelisatie op Geref. grondslag gedoopt zal worden; doch achterwege blijft wanneer het een kastelein geldt, wiens café den ganschen Zondag open is. 

3°. Zonderling doet in dat antwoord ook aan het vermaan tot gemeenschappe1ijk schuld belijden voor 's Heeren aangezicht tot oplossing der breuke, waar de zelfde boetgezant elk voorstel in dien geest gedaan verwerpt met een : daar valt niet te redeneeren, jullui hebben je eenvoudig onvoorwaardelijk te buigen onder en te schikken naar den kerkeraad. Dat doet denken aan een zeker soort van menschen, die altijd den mond vol hebben over liefde en verdraagzaamheid, maar die in de practijk niemand en niets verdragen kunnen dan zichzelf en eigen meening. M. de R., ik vrees reeds te veel plaats van U gevergd te hebben, anders zou ik nog gaarne iets gezegd hebben over de censuur, die Z.Eerw, bijzaak noemt, doch de oorzaak is van deze onverkwikkelijke doopgeschiedenis en ook over het lichtvaardig zweren in het stuk, waartegen de Heidelbergschc Catechismus zoo ernstig waarschuwt in Zondag 36 en 37. De hoofdzaak, „het valsch getuigenis geven en onwaarheid spreken" meen ik voldoende weerlegd te hebben. Geen wonder dat Z.Eerw. er het zwijgen toe doet! Hij is niet in staat met feiten zij; beschuldigingen te staven. U bij voorbaat dankende, ook nog voor Uw uitvoerig antwoord op mijn vragen, verblijf ik inmiddels van U, WelEerw. heer, de zeer dw. dnr.,

A. HEEMSKERK. Numansdorp, 11-7-21.

Geachte Redactie, Met volle instemming las iemand in Uw blad »De .Waarheidsvriend« van 17 Juni het.: „Wee de Kerk, als ze niet getrouw bewaart het pand ; wee haar als nooit om der Waarheld wil iemand wordt geweigerd, dan trilt de kompasnaald der Waarheid niet meer, dan is Christus geen Koning meer, dan is de Kerk geen Kerk meer." Hier kan schrijfster dezes wel met den profeet der oudheid uitroepen : „Ach, dat mijn oog water ware." Want helaas de gevallen zijn niet buitengesloten, dat zelfs predikanten, die zich rechtzinnig noemen, zich te buiten gaan aan leden der gemeente. De Heere zegt hiervan : „Het ware hun beter nooit te zijn geboren, dan dat ze een van deze kleinen ergeren." Maar, waarde Redacteur, wie zal de kat de bel aanbinden ? Met het in „De Waarheidsvriend" plaatsen alleen komt men er niet af, er moet handelend opgetreden worden. Zeer wel weet ik, dat zulk werk buiten menschelijk bereik ligt, rnaar Nehemia sprak : „Wij, Zijne knechten zullen ons opmaken en bouwen, en God van den hemel zal het ons doen gelukken." Ik ben zelf vele jaren lid der Gereformeerde Kerk geweest, maar heb die Kerk moeten verlaten om vreeselijke misstanden door predikanten en kerkeraadsleden, die tot heden straffeloos heengaan. Wel roept Gods stem in het Oude Verbond en roept in onzen treurigen tijd nog luider : „Land, land, hoort des Heeren Woord". Dat .,De Waarheidsvriènd" niet alleen in woord, maar vooral in daad toonen mag, dat de woorden, vervat in het nummer van 17 Juni j.l. niet geschreven zijn met het hoofd, maar deze met het hart ten volle beaamd worden ; opdat er spoedig verandering kome. Met groete en heilbede van haar, die zich noemt als droevig zijnde, maar altijd blijde volgelinge van Christus, R., H. C. E. A.  

Evangelisatielokaal „Rehoboth" Nieuw-Leusen. . Ontvangen : twee giften elk van ƒ 5.—, door gevers die onbekend wenschen te blijven ; ƒ 67.— collecte Evangelisatie te Vriezenveen ; ƒ 2.— van v. d. M. te Onnen. Hasselt. W. W. BOUWHUIS. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ingezonden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's