De begrafenis van onzen Penningmeester
De begrafenis van onzen Penningmeester.
De 3de Februari blijkt voor het Hoofdestuur van onzen Bond een dag van rouw te zijn. Den 3den Februari 1920 werd ds. Boontra, het eerste lid van het Bestuur dat ons door den dood ontviel, te Elburg grafwaarts gedragen. Den 3den Februari 1928, dus juist acht jaar later, was de dag waarop voor onzen hooggeschatten Penningmeester op de begraafplaats „Moscowa" te Arnhem de groeve gedolven lag. Een der laatste wenschen van den geliefden doode was geweest, dat zijn begrafenis door den Voorzitter en den Secretaris van onzen Bond geleid zou worden. Bij onderling overleg was door deze beiden beslist dat op het kerkhof, waar de begrafenis uit den aard der zaak een meer officieel karakter draagt, door den Voorzitter van ons Bestuur gesproken zou worden, terwijl de rouwdienst in het sterfhuis door den Secretaris zou worden geleid. Op het bepaalde uur ten sterfhuize aanwezig, werd dan ook in het bijzijn van familieleden en verdere genoodigden door den Secretaris een gedeelte van Gods Woord voorgelezen en wel het bekende 2 Cor. 5. Daarna hield hij een toespraak, die hier verkort wordt weergegeven:
Het is een droeve plechtigheid, waartoe wij hier zijn saamgekomen. God heeft onzen vriend en broeder Fliehe door den dood van ons weggenomen. Het aardsche huis van zijn tabernakel werd verbroken en wij zijn hier gekomen om de stoffelijke overblijfselen er van naar het graf te zien uitdragen en straks in de groeve der vertering te zien wegzinken. Zijn heengaan is voor ons allen een ernstig en droevig verlies. Wie zou niet weenen, als wij denken dat wij dat vriendelijk oog niet meer zullen zien? Wie zou niet weenen, als wij denken dat wij die blijmoedige stem en dat opwekkende woord nooit meer zullen hooren? O, wij verstaan de tranen, die daar in de eerste plaats geschreid worden door zijn weduwe, door haar, met wie hij zooveel jaren de vreugde van dit leven heeft gedeeld, maar ook het kruis en de smarten van dat leven gedragen heeft. We verstaan de tranen, die daar door zijne beide zusters en verdere betrekkingen worden geweend, en ook wij, die hier als zijn vrienden zijn saamgekomen, hebben zooveel reden tot droefheid over 't smartelijk verlies dat de arbeid in Gods Koninkrijk en niet het minst zeker onze Gereformeerde Bond door het ontslapen van dezen vriend en broeder geleden heeft.
Toch willen wij niet alleen denken aan het groote, onherstelbare verlies dat door ons werd geleden, maar ook aan de nog grootere winst die door hem is behaald. Immers hiervan zullen wij allen overtuigd zijn: het heengaan van onzen vriend is een ontslapen in Jezus geweest, en als ons leven Christus was, dan is immers het sterven gewin. Ja, zijn leven was Christus. Daarvan heeft hij niet alleen op zijn sterfbed mogen getuigen, maar daarvan is ook heel zijn leven een doorgaande prediking geweest. Dat leven is geweest een levend getuigenis van het laatste woord uit het hoofdstuk dat wij gelezen hebben: „Dien, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem". Ziet, dat was de grond zijner hope en dat was tevens het geheim van zijn kracht. In zichzelf een zondaar, een verloren zondaar, maar dan een zondaar, die gerechtvaardigd was door het bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. Dat was voor broeder Fliehe de weg ten leven, de weg dien hij niet alleen kende, maar waarop hij door God Zelf was geleid. Vandaar altoos zijn vreeze dat men ook maar iets in hem zelf zou zoeken of dat men hem de eer zou toekennen van den arbeid, dien hij met zooveel lust en liefde en ook met zooveel vrucht voor onzen Gereformeerden Bond heeft gedaan. Hoe diep was hij overtuigd dat al dat werk eigenlijk niet 't zijne, maar alleen een vrucht van Gods genade was. Ook in dat werk zag hij niet anders dan Jezus en Jezus alléén. En omdat Jezus alléén de grond zijner hope in leven en in sterven was, ziet, daarom behoeven we niet te treuren als degenen die geen hope hebben, daarom is deze beker der smarte ook met druppelen van vreugde gemengd. Wij hopen, dat dit in de eerste plaats zijn weduwe tot vertroosting mag wezen. Waar zij weet dat niet alleen de verbreekbare band van het aardsche huwelijk haar bond aan haar man, maar, veel meer nog die onverbreekbare band der hefde, die zelfs door den dood niet verbroken kan worden, daar wenschen we haar in dezen weg der smarten zoo van harte toe, dat zij zich mag vastklemmen aan het woord van Gods belofte, immers ook in Christus vervuld: „Uw Maker is uw Man, Heere der heirscharen is Zijn Naam". En moge voorts dat Woord des Heeren, waarin hij bij het licht des Geestes zijn Heiland vond, al zijne betrekkingen, ja ons allen tot bemoediging en vertroosting zijn. Immers wij zijn allen op denzelfden weg, waarop onze broeder ons is voorgegaan. „Wij allen", zegt de apostel, „moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad". In ons niets dan kwaad, maar in Christus niets dan goed. Dat is de levens- en stervensbelijdenis van onzen vriend Fliehe geweest. Welnu, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel, het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden. De waarheid van dat woord zal thans volkomen door hem gesmaakt en genoten worden. Geve God ons allen genade dat het Middelaarswerk van de gerechtigheid van Christus, waarin de gestorvene zijn zaligheid vond, ook de grond onzer hope mag zijn, opdat als ook ons aardsche huis van dezen tabernakel straks verbroken zal worden, wij dan ook zullen weten een gebouw van God te hebben, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen, eeuwig op die plaats waar dan ook onze stem zich met de zijne zal paren ter eere van het Lam dat geslacht is en dat waard is te ontvangen de lof en de eer, de aanbidding en de dankzegging.
Nadat de Secretaris hierop in gebed is voorgegaan, werden aanstalten gemaakt voor den gang naar het graf. Nadat ook door ons nog een laatste blik op het vriendelijke gelaat, waarop de dood thans zijn valen stempel gedrukt had, geworpen was, werd de kist op het nachtslot gedaan en nu volgde de droeve gang naar den akker der dooden, naar de plaats, waar de stem van den drijver niet wordt gehoord, maar waar rusten de vermoeiden van kracht.
Op den doodenakker.
Toen ging het op den bestemden tijd naar „Moscowa", een uur buiten Arnhem, waar de dooden begraven worden. Een droeve gang, maar 't ging naar den doodenakker, waar het sterfelijke lichaam in de aarde begraven wordt, zooals men het zaad zaait op het veld, dat door 't scherpe ploegijzer opengescheurd, het zaad begeerig opneemt, om het straks in veelvoudiger vrucht terug te geven. Zóó worden onze dooden, die in Christus ontslapen zijn, weggeborgen in het geopende graf, dat straks de dooden teruggeeft, als Christus komt op de wolken, opdat het sterfelijke dan onsterfelijkheid aandoet en een heerlijkheid verkregen wordt veelvoudig heerlijker dan de heerlijkheid hier op aarde voor den mensch is.
Zoo reden we, pratend over den doode, om hem de laatste eer te bewijzen, wetend, dat dit de laatste schande was die over hem komen zou, om dan door de vernedering in te gaan in de hemelsche heerlijkheid. Dat troost; en dat geeft ook aan een zwarten lijkstoet een ander licht.
Toen de stoet te ruim drie uur op de begraafplaats aankwam, was hier een zeer groote schare belangstellenden reeds aanwezig, onder wie wij o.m. opmerkten de predikanten B. Batelaan en J. Goslinga uit Utrecht, J.G. Kruisbergen te Barneveld, de heer L.F. Duymaer van Twist te Den Haag, namens den Gereformeerden Bond. Voorts de predikanten N.A. Becht, A. Drost en E.J.H. van Leeuwen uit Arnhem; prof. dr. Hugo Visscher uit Utrecht. Voor de Vereeniging ter Chr. verzorging van Krankzinnigen waren aanwezig dr. Gerard Bakker, ds. W. Drenth en de heer W.A.J. de Winkel en 't oud-bestuurslid de heer D. Lijberse; het Bestuur der Chr. School op Lombok was vertegenwoordigd door de heeren J. Weber en het hoofd der school D.G.P. Mullaard; Notaris J.C.D. Roscam Abbing; namens het College van Notabelen de heeren P.J. Holzscherer en R.J.W. ten Cate; de heer J.N. van Munstey als vriend, en tal van personen, die met den overledene in een of andere bestuursfunctie zitting hadden.
Toen de kist in de groeve was neergedaald, trad allereerst ds. M. van Grieken uit Rotterdam, voorzitter van den Gereformeerden Bond, naar voren. Hij zei: We zijn hier gekomen, om onzen gestorven vriend en broeder Fliehe aan den schoot der aarde toe te vertrouwen, opdat aan hem vervuld zal worden: „stof zijt gij, tot stof zult gij wederkeeren!" Dat is ons tot groote droefheid en smart. We werden van morgen bepaald bij wat we lezen, in Gen. 22. Wat zware gang wordt ons daar geteekend! Een vader met z'n eénigen jongen naast zich; en hij gaat naar den berg, dien God hem gewezen heeft, om straks z'n jongen, dien hij zoo lief heeft, te slachten als een lam voor het altaar; om hem aan den dood over te geven, met eigen hand, op Gods bevel. Hoe hij 't kan? Hij heeft in hemelsch letterschrift heel duidelijk gelezen: „De Heere zal voorzien!" En het is gezonken in z'n hart met zoo wondere vertroosting, dat hij 't geloovig ook zeggen kan tot z'n jongen: „God zal voorzien!" Wij zijn ook nu opgetrokken naar deze plaats, om een offer, een zwaar offer te brengen; want hij was ons lief; en wat verliest onze Gereformeerde Bond ontzaglijk veel in hem, onzen besten, vriendelijken, ijverigen Penningmeester, die voor den Gereformeerden Bond zoo onzegbaar veel heeft gedaan. Neen, we willen niet vergeten, dat er één is, die zwaarder offer moet brengen nu; de weduwe, die eenzaam achterblijft en in haar man schier alles van haar leven nu weet weggenomen. Gelukkig, dat zij dat hemelsch schrift ook heeft gezien en ook heeft weten te ontcijferen; dat zij ook gelooven en spreken mag: „De Heere zal 't voorzien!" Maar heeft de weduwe recht om hier het eerst te getuigen: ik moet een offer, een zwaar offer brengen — de Gereformeerde Bond mag daar dan toch vlak naast gaan staan; om dan ook datzelfde na te spreken: „wij moeten een offer, een zwaar offer brengen — schier alles wordt ons nu ontnomen". Ongeveer 20 jaar geleden mochten we den heer Fliehe voor 't eerst ontmoeten in Delft en als een aanwijzing door den Heere Zelf hebben we het altijd beschouwd, dat we, in Ameide teruggekeerd, aan collega Beekenkamp schreven: „de heer Fliehe moet penningmeester worden van den Gereformeerden Bond!" Wat heeft hij veel voor onzen Bond gedaan! Eerst wilde hij niet; natuurlijk niet. Wat zou hij nu penningmeester worden van den Gereformeerden Bond? Wat zou hij nu in de courant schrijven? Dat was niets voor hem! Maar de Heere heeft het gewild en Hij heeft het aan niets doen ontbreken. Week aan week, jaar aan jaar, heeft Fliehe geschreven en heeft hij geld, veel geld, ontzaglijk veel geld bij elkaar weten te brengen, alles voor den Gereformeeïden Bond en de fondsen! Wat was hij gelukkig, wanneer er veel binnenkwam. En dan niet om dat geld. Ja, óók om dat geld; want zonder geld kan de zaak van Gods Koninkrijk niet; maar juist als hij merkte, dat er in dat geld liefde sprak voor des Heeren Koninkrijk, voor de waarheid naar Gods Woord, óók voor de Kerk onzer Vaderen, die hij zoo zéér liefhad — dat was dan z'n vreugd en blijdschap. En telkens als met nieuwe krachten aangedaan, schreef hij maar weer, bedelde zonder ophouden en geestig en geestelijk zijnde was z'n woord altijd allen aangenaam, zóó, dat ieder lezer van „De Waarheidsvriend" 't eerst, week aan week, naar de rubriek „Financiën" greep, om te zien, wat Fliehe weer te vertellen had!
Moedig is hij altijd voortgegaan. Niet dat hij geen teleurstellingen gehad heeft: want ook in zijn leven was de zwarte draad van smart geweven en in zijn beker is menige bittere druppel gemengd. Maar met den staf van Gods beloften in Christuf mocht hij wandelen in het bergland van de vrijheid der kinderen Gods en telkens troostrijk ervaren: „De Heere zal 't voorzien!" Het Woord van God was hem zoo alles! Daarom kon hij zoo moedig voortwerken. De een heeft z'n geld, de ander de wetenschap, een derde z'n zaken, een vierde weer wat anders, maar Fliehe had den Gereformeerden Bond, het Studiefonds, de courant, en daarbij ging 't hem om de zaak des Heeren en God heeft hem door den Bond en den Bond door hem rijkelijk willen zegenen. Wat is ons veel ontvallen in hem. Wat is ons veel ontnomen. Het offer dat we brengen moeten is groot. Hoe kan de Gereformeerde Bond zonder Fliehe verder reizen? Wat moet er van onze fondsen komen? Hoe moet de rubriek „Financiën" verzorgd worden? Hoort — uit het graf komt een stem — hij, wiens mond gesloten is, hij roept ons toe: ik ben er niet meer, dat is waar; maar de Heere is gebleven en — „De Heere zal 't voorzien!"
Groot is onze dankbaarheid. En dan spreken we namens het Hoofdbestuur; namens alle leden van den Bond; namens alle lezers van „De Waarheidsvriend"; namens duizenden in den lande, die nu in den geest hier zijn; ook als oud-predikant van Delft namens de vele vrienden daar, die dankbaar gedenken, wat ook zij in Fliehe hebben mogen genieten al die jaren dat hij daar mocht ijveren voor de waarheid naar Gods Woord.
Groot is onze dankbaarheid. Daarom is ook onze droefheid groot; want groot is het veriies. Maar nu niet hier blijven staan. Wij moeten voort, weer 't leven in. Ook met onzen Gereformeerden Bond moeten we verder. Zij 't in de kracht Gods, welke kracht het genadig deel mocht wezen van Fliehe. Br. Fliehe is ingegaan in de ruste, die er overblijft voor het volk van God. Zijn arbeid is tot een eind gekomen. Hij, de werker in Gods Koninkrijk, is afgelost van z'n post. Tot hem is gezegd: Kom in, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten; ga in in de vreugde des Heeren!" Fliehe, onze schatmeester en schatbewaarder, kende de parel van groote waarde. Dat is nu zijn eeuwige vreugd en heerlijkheid en zaligheid: als een arm zondaar in Christus gerechtvaardigd en geheiligd en verheerlijkt nu. Wij misgunnen hem de zaligheid, de vreugd en de heerlijkheid niet. Geve de Heere ons maar te kennen datzelfde groote goed, dat Hij in Christus aan zondaren wil schenken om niet, opdat straks ook ons belijden en ons ervaren mag wezen: „Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid!"
Namens het College van Notabelen der Ned. Hervormde Kerk herdacht de heer P.J. Holzscherer den overledene, hem dankende voor wat hij verricht had. Zijn arbeid laat een leegte na. Daar is een strijd gestreden, maar de rust die hij geniet, is niet hier, doch duurt tot in eeuwigheid.
De heer D.G.P. Mullaard, hoofd der Chr. School op Lombok, sprak namens het Schoolbestuur en onderwijzend personeel, en getuigde, dat de verwachting die van den overledene was gekoesterd, eerst als secretaris en later als voorzitter, niet beschaamd is geworden. De heer Fliehe had een buitengewoon practischen blik en een eigenaardige, bijzondere manier om iets te zeggen, die tot luisteren en tot volgen dwong. De liefde tot Christus drong hem en de genade van Christus zelf deelachtig zijnde, was hij mededeelzaam en kon ook voor de School en haar kinderen die rijke gave Gods afdragen. Wij weten dat de School zijn liefde had, omdat daardoor weer velen kunnen komen tot Jezus, dien Hij kende als zijn eigendom. Ons einde zij gelijk het zijne, bewust van de liefde Gods.
Namens het Centraal Bestuur der Vereer. tot Chr. verzorging van Krankzinnigen en het Stichtingsbestuur van Wolfheze heeft dr. Gerard Bakker gesproken, die herinnerde hoe de heer Fliehe sinds 1914 zitting had in het Stichtingsbestuur, waar zijn arbeid met groote dankbaarheid gedacht wordt. Hij was een man met rijke gaven, van gemoed en van geloof. Er ging een kracht van hem uit en nu een sprake als waarvan Hebr. 13 vers 7 getuigt om zijn geloof te volgen, aanschouwende de uitkomst ook van zijn wandel. De uitkomst van zijn leven is geweest in overeenstemming met dat leven in het geloof. Daarom was de dood voor hem geen vrees. Zijn geloof stond vast en, ziende op dat geloof en leven, moeten wij hem navolgen. Zijn uitgang zij ons als het Woord zelf tot troost.
Ds. W. Drenth sprak nog namens den Stichtingsraad van Wolfheze eerst over de droefheid, die 't heengaan met zich bracht, vervolgens over den troost die er overblijft voor het volk van God en lettende op het einde van dezen man, dat vrede was, aansporende om bij het leven te denken aan den dood. Dan zal er ook zijn bereid-zijn om te sterven; want het woord: Bereid uw huis, want gij zult sterven, gaat door. Als dat de winst ook mag zijn van het leven en sterven van br. Fliehe voor ons, dan zou deze zich daarover verheugd hebben.
Door den heer J. van Woerden, een zwager van den overledene, werd namens de weduwe, dank gebracht voor de buitengewone groote belangstelling, hier betoond. Veel eer is hem bewezen en toegebracht, maar wij weten, dat hij het zou hebben afgewezen en gezegd zou hebben: niet mij, maar God zij dank gebracht, Die ons eerst heeft liefgehad.
Op verzoek van den heer Van Woerden werd gezongen Psalm 43 vers 4: „Dan ga ik op tot Gods altaren", waarna de plechtigheid was afgeloopen en ieder huiswaarts keerde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's