De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Over de geestelijke nalatenschap van wijlen onzen Penningmeester Referaat gehouden op de 23ste Jaarvergadering II

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over de geestelijke nalatenschap van wijlen onzen Penningmeester Referaat gehouden op de 23ste Jaarvergadering II

8 minuten leestijd

Fliehe was een nuchter mensch. Fliehe was een van God Zelven onderwezen mensch. Fliehe was een man, die net paste voor onze omgeving; een, die als een godsgeschenk op onzen weg was geplaatst. Vandaar, dat bij zijn heengaan allerwegen de verzuchting werd geslaakt: dat is reuzejammer.
Zulk een verzuchting is te verstaan. Even wel kan het ook anders worden geformuleerd. Wat zijn Gods ontfermingen toch groot geweest, en wat was Zijne genade ons gunstig, dat wij als Bond van gereformeerd-gezinden in de Hervormde Kerk hem mochten ontmoeten. En dat hij zoo net den tijd had en de lust om zich aan dezen arbeid onder ons te geven. Denkt u de situatie eens in: hij had wel den lust en ook de begeerte om zich te geven, maar daar wachtte een huisgezin of een werkkring, welke hem niet losliet, voor wie of waarvoor hij zich moest geven. Dan moest toch ook de hand op den mond worden gelegd. Nu was het zóó: naast zijn trouwe gade, behoefde niemand zijn teedere zorg. Zijn werkkring had hij volgemaakt. Daar was ruimte voor anderen arbeid gemaakt, door Gods hand. God had Fliehe voor den Gereformeerden Bond bestemd. Ziet, daarin vinden wij de oorzaak van zijn gunst bij de menschen. Wie voor Gods Koninkrijk voelde binnen het erf onzer Vaderen, voelde dit als bij intuïtie aan: dezen man heeft God aan ons gegeven! Zoo zagen velen 't, en zag ook hij het; vandaar dat hij zijn werk in ons midden ook niet losliet, zelfs toen de krachten bezweken. God moet het Zelf uit mijn hand nemen en dit geschiedt niet eer, voordat de dood alles afbreekt; ik word als Penningmeester uitgedragen; zoo sprak hij. Heerlijk, zoo te mogen staan in den arbeid des Heeren!
Fliehe is van ons heengegaan, wetende: dit is mij van God op de hand gezet. Vandaar ook zijn ijver, zijn vindingrijkheid om altijd maar weer nieuwe prikkels te vinden, om de liefde aan te wakkeren voor den arbeid van den Gereformeerden Bond in het algemeen en inzonderheid voor de beide fondsen, welke, zoo niet — en nu spreek ik alleen over 't eerste — onder zijn beheer zijn in het leven geroepen, toch zeker wel inderdaad tot eenige, ja, zelfs tot groote beteekenis zijn geworden.
Toen Fliehe kwam, bestond het oudste fonds, dat tot vorming van een leerstoel aan de Rijks-Academie te Utrecht, reeds een tweetal jaren. Gij weet zijn wording. Ook hierdoor loopt de mystieke ader. Vergeet dit nooit. Dit stemt uitermate tot behoedzaamheid en tot ongemeene teerheid en trouw. Wie dat zien mag, laat nooit den Bond in den steek, verlaat nimmer zijn banier, gaat niet twisten over theoretische oplossingen, maar beurt het hoofd hooger op, vragende: Is er, bij U, o God van trouw, geen samenbindende kracht? Wat Fliehe overnam uit de handen van zijn voorgangers, was een plantje, dat op bizondere wijze hier was ingedragen. Ik zal niet tot het ontstaan van den Bond in al zijn deelen met u afdalen, omdat dit te ver ons zou afvoeren van ons doel, maar toch mag deze opmerking niet achterwege blijven: de wording van den Gereformeerden Bond hebben wij te danken niet aan menschelijk overleg, daarin heeft het gereformeerde volk de leiding niet gehad. In een uiting van een jongen Dr. Theol. (die van de gereformeerde theologie niet 't meeste afwist en van de vergelijkende godsdienstwetenschappen meende alles te weten, in eene brute uiting van den geest onzer eeuw), waarin Christus werd achtergesteld bij Boeddha en die deswege voor de kerkelijke autoriteiten aangeklaagd, vverd vrijgesproken, moet de aanleiding worden gezocht, waarom werd uitgezien naar nauwere samenleving, om te geraken tot mogelijke actie, waardoor aan zulk goddeloos bedrijf paal en perk kon gesteld. De oogen van het volk begonnen open te gaan voor de geweldige gevaren, waaraan de studeerende jeugd was blootgesteld vanwege de opleiding aan de Academies.
De Gereformeerden in de Kerk, tot nu zich niet of weinig inlatende met wat buiten eigen kring zich voordeed, liepen te hoop. Dit mocht niet langer geschieden. Hiertegen moest protest worden aangeteekend. De Kerk, welke nog altijd haar belijdenis had, moest worden vrijgemaakt van de haar knellende banden. Zoo mogelijk moesten middelen worden gevonden om te komen niet tot gedeeltelijke, maar tot algeheele vrijmaking. Zietdaar, in het kort, het ontstaan van den Gereformeerden Bond; en wat er dadelijk mede in besloten lag: de wording van het Leerstoelfonds. Onmiddellijk bij zijn ontstaan werd tot de oprichting van het laatstgenoemde besloten. Het lag er zoo onlosmakelijk aan vast, dat toen het Statuut van den Bond werd vastgesteld, ook het Leerstoelfond s op diezelfde vergadering in principe werd geregeld. De groote vergadering, waarin Prof. Visscher zijn epoche-makende rede: „G o d en Z ij n  r e c h t" uitsprak, werd gehouden 18 April 1906. Wie, die haar meemaakte, zou het vergeten? Op den 20sten Mei werd besloten om gelden in te zamelen voor den Gereformeerden leerstoel. Ziehier de zaak in wording. Wanneer we een feit mogen vaststellen? De vijand, die zijn wapentuig zich zag uitgereikt uit de wapenburcht, waar, in de z.g.n. vergelijkende Godsdienstwetenschappen, Boeddha en Christus naast elkander werden gedoceerd, was, onwetende en zeker onwillende, de oorzaak geworden, waaraan de hernieuwde levensactie voor de Gereformeerde theologie in onze kringen haar ontstaan ontleende. God werkt wonderlijk: de vijand wordt gebruikt om het volk, dat voor Zijn Woord buigt, tot elkander te brengen. Van stonde afaan werd door geschrift en door samenspreking het oog in steeds breederen kring geopend voor de ontzettende gevaren, waarin onze a.s. predikers verkeerden. Wel werden zij van de verkeerde zijde voorgelicht, terwijl aan opzettelijke verbreiding en verdediging van de gereformeerde Waarheid niet werd gedacht. Dit was onverantwoordelijk.
De meer of minder gerefomeerde gezinden onder de professoren konden bij het doceeren van de hun opgedragen vakken wel onderscheidene stukken te berde brengen, maar een overzichtelijk geheel, de noodzakelijke samenhang, de wetenschappelijke ordening, ontbrak ten eenenmale. De wapenen, om te staan in den kerkelijken strijd, om op te komen voor den Naam des Heeren, moesten ook hun worden uitgereikt. God wilde het. Zijn Kerk vorderde het, het heil van zielen was hiermee ten nauwste verbonden. Het Leerstoelfonds vormde al heel spoedig, zonder dat hiervoor expresselijk ruimte werd gemaakt, als vanzelf een der hoofdschotels op onzen Bondstafel. Liepen over de vrijmaking de gedachten zeer uiteen, en was het niet gemakkelijk den vragers, die zich van alle kanten aan ons opdrongen, een altijd afdoend antwoord te geven, was de uitroep van een onzer leiders uit die dagen na een gehouden referaat zelfs: nescio, ik weet het niet. Werd het met den dag moeilijker hier het verzamelpunt te blijven vinden, met den leerstoel voor de Gereformeerde theologie was dit in geenen deele het geval. Zonder dat aan een negatief besluit zelfs in de verte mag worden gedacht — immers wie zou niet het oogenblik wenschen aangebroken te zien, dat de organisatie onzer Kerk zulke vormen had aangenomen, dat ook in kerkregeering en in heel haar bestaan naar gereformeerde beginselen kon worden geleefd en gehandeld — het „mot" werd uitgevaardigd, om althans nu niet verder te grijpen, dan onze hand reikte: aan de verbreiding en verdediging van de gereformeerde Waarheid zouden thans alle krachten worden gewijd.
De eerste jaren van het bestaan van den Gereformeerden Bond waren uit den aard der zaak verre van gemakkelijk. Van de voormannen, die het werk ter hand hadden genomen, was zoo goed als niemand staande gebleven. De kleine luiden — en hierin mag niets kleineerends worden beluisterd — zagen zich, zou de Gereformeerde Bond blijven voortbestaan, tot leiden en voorgaan geroepen. De arbeid — om een beeld te ontleenen aan den klinischen arbeid aan de Hoogeschool — kwam te staan op naam van wie tot nu als assistent en coassistenten hadden gefungeerd. We merken hier al weer iets op, dat niet achteloos kan worden gepasseerd. De Heere liet zien, dat Hij het allerkleinste en het allergeringste, als Hij een arbeid wil volvoeren, gebruiken kan. De ledige plaatsen werden ingenomen door hen, die daaraan eigener beweging niet zouden hebben gedacht. Zoo zien wij in de vergadering van October 1909 twee Delftenaren hun intrede doen in ons Bestuur. De een was de nog jeugdige Pastor van Vinkeveen, ds. Remme, de ander onze Fliehe, een man van zaken; een tweetal, waaraan de Bond veel heeft te danken. Laten we den eerste thans onbesproken, wijl zijn medeleven met ons nog geenszins is beëindigd en van hem nog zeker veel mag worden verwacht — van wat Fliehe voor ons geweest en wat hij voor ons heeft gedaan, wat hij voor geestelijke nalatenschap ons heeft gelaten, mag thans niet worden gezwegen. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Over de geestelijke nalatenschap van wijlen onzen Penningmeester Referaat gehouden op de 23ste Jaarvergadering II

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's