De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Brief aan de Romeinen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Brief aan de Romeinen

6 minuten leestijd

Romeinen 3 vers 20—24. Daarom zal uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd worden voor Hem, want door de wet is de kennis der zonde. Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten. Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen, die gelooven; want er is geen onderscheid. Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods en worden om niet gerechtvaardigd, uit de genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is.

Voor hen, die den draad zijn kwijt geraakt, is het misschien goed om nog even terug te blikken. In Rom. 1 vers 16 en 17 heeft de apostel reeds duidelijk geponeerd, dat de weg tot zaligheid alleen, is te vinden door de rechtvaardigmaking door het geloof in Christus' kruisverdienste.
Reeds hier beneden bezoekt God de zonde met Zijn straffende hand. Het volle oordeel Gods zal pas voltrokken worden in den jongsten dag. En dit geldt zoowel Jood als heiden. (Rom. 1 vers 18—2 vers 29.
In Rom. 3 vers 1 moge van Judaïstische zijde nog een tegenwerping gewaagd worden, alsof  de Jood dan geen enkel voorrecht had boven den heiden, in het 2de— 4de vers van datzelfde hoofdstuk komt hij tot de conclusie, dat alle menschen voor den rechtvaardigen Rechter als leugenaars komen te staan.
In het 5e—8e vers verdedigt hij dit oordeel wat breeder. En om den schijn te ontgaan, alsof hij zichzelf met zijne vrienden niet onder dit vonnis zou begrepen willen achten, zegt hij in 3 vers 9 dat allen, zoowel Joden als heidenen, onder de zonde zijn.
Vorige week bepaalden we u bij vers 10—20, waar Paulus met een beroep op de Schrift bewijst, dat het aan niemand gelukt is of ooit gelukken zal om door de werken der wet gerechtvaardigd te worden. Uit de werken der wet zal geen vleesch gerechtvaardigd worden voor Hem. Neen, daartoe is de wet niet bij machte. Zij mag het middel wezen, waardoor God den zondaar aan zijn diepe verdorvenheid ontdekt, zij moge het richtsnoer blijven voor al Gods kinderen op den weg der heiligmaking, maar zelf redden vermag zij niet.
De spiegel moge voor u een middel zijn om u uw bezoedeld gelaat te doen zien, om het te reinigen, daarvoor zijn andere middelen noodig.
Men moge zich toeleggen op de werken der wet, men moge al in een klooster gaan om daar te vasten en te bidden en zichzelf te striemen, die heilige Wet Gods zegt onverbiddelijk, dat vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet om dat te doen. En nu hebben velen bij het lezen van deze regelen misschien aan hunne Roomsche medemenschen gedacht. Maar vergeet niet, dat er ook onder onze menschen duizenden en nog eens duizenden gevonden worden, die heimelijk hopen dat op grond van hun deugden, die ze hebben betracht, en de plichten, die ze hebben vervuld, hun wel ingang in het Koninkrijk Gods zal worden verleend. Sommigen spreken het in hun eigenwaan en blindheid uit: Ik gaf ieder het zijne en heb netjes geleefd; het is te hopen, dat de Heere datgene, waaraan ik mank ging, mij verder zal vergeven.
Neen, lezers, dat is de weg niet! Langs dien weg wordt ge nooit met God verzoend! Doch laat ons luisteren naar Paulus, die met zijn: „Maar nu", uit het een en twintigste vers overgaat op iets, waarop tot nog toe het licht niet was gevallen.
Rom. 1 vers 16 en 17, waar de rechtvaardigmaking door het geloof in Christus als het cardinale punt was gesteld, moet nader worden toegelicht. In Rom. 1 vers 18—3 vers 20 waren het slechts negatieve bewijzen, die voor de waarheid van deze stelling konden worden aangevoerd.
Maar nu in het 21ste vers komt het stellige bewijzen.
Er is eene gerechtigheid openbaar geworden, die van de wet onafhankelijk is. Het is een gerechtigheid Gods, d.w.z. dat de Heere van deze gerechtigheid de bewerker is. Deze gerechtigheid is geen vrucht van onze gehoorzaamheid aan eenige wet; zij is de betooning van Zijne genade door Jezus Christus.
Toch meene niemand, dat deze gerechtigheid ook maar eenigszins in strijd zou wezen met de wet en de profetie. Neen, in hoofdstuk 4 hoopt Paulus juist hiervan getuigenis te geven, dat de weg der rechtvaardigmaking door het geloof beide, door Wet en Profetie, bewezen wordt. Hij volstaat er hier mee, om slechts te zeggen, dat Wet en Profeten van deze gerechtigheid getuigen.
De apostel omschrijft die gerechtigheid nader als de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus tot allen en over allen, die gelooven. De drager van die gerechtigheid is alleen de Heere Jezus Christus. Hij was het, naar Wien de Heere volgens Psalm 14 tevergeefs onder alle menschenkinderen had gezocht. Hij alleen was verstandig en heeft in de dagen Zijns vleesches met vele smeekingen den Vader gedurig gezocht.
Die in Christus geopenbaarde gerechtig­heid wordt nog weer telkens geopenbaard aan den enkeling, zoo vaak het gepredikte Evangelie in geloof aangenomen wordt. Daarom had men ook beter gedaan om te vertalen: „het geloof in Jezus Christus voor allen die gelooven"; gelijk de grondtekst dit ook toelaat.
Het geloof van Jezus als herstel van onze gerechtigheid, kan immers onmogelijk bedoeld zijn. Ook mag het geen oogenblik worden opgevat als zou de gerechtigheid door ons geloof worden bewerkt. Het geloof is slechts het instrument, waardoor de heilsgoederen worden aangegrepen. Die gerechtigheid des geloofs in Christus Jezus strekt zich uit tot allen en over allen, die gelooven. Met dat „tot allen" bedoelt de apostel, dat ze voor alle geloovigen bestemd is. Met dat „over allen" heeft de apostel zeker bedoeld, dat door die gerechtigheid ook inderdaad alle geloovigen gerechtvaardigd worden.
Het is niet overbodig om op te merken, dat de apostel hier allerminst een algemeene verzoeningsleer wenscht te brengen. De woorden „over allen" en „tot allen" beteekenen geenszins ieder, hoofd voor hoofd; hetgeen dan ook door de toevoeging „die gelooven", genoegzaam bewezen wordt.
Het geloof toch is een vrije genadegift Gods. Het is de Heere, die Zijnen kinderen de mate des geloofs heeft toebedeeld, naardat Hij in Zijn vrijmachtig welbehagen besloten heeft.
De woorden „tot allen" en „over allen" slaan meer op het onderscheid tusschen Joden en heidenen. Het is immers de bedoeling van den apostel om te laten gevoelen dat er in het stuk der rechtvaardigmaking tusschen Jood en heiden geen verschil is. „Want er is geen onderscheid", zegt de apostel in vers 23. .
Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods en worden om niet gerechtvaardigd door de verlossing, die in Christus Jezus is.
Jood en heiden hebben de heerlijkheid Gods door den val in Adam en Eva verloren.
Hoe zal Jood en heiden in het heden nog gered worden? Alleen doordat God hen uit genade rechtvaardigt. Dat ,,uit genade" vormt een tegenstelling tot elke tegenprestatie des menschen. Uit genade spreekt God hen dus vrij van alle schuld en straf. Is dat geen verkrachting van het recht? hoor ik u vragen. Wordt hier maar niet door de vingers gezien wat eigenlijk nimmer geschieden mag? Wordt dan 't woord van Jesaja gelogenstraft, dat Sion door recht zal verlost worden? Neen, lezers, want er staat bij: door de verlossing, die in Christus Jezus is.
Doch daarover een volgende maal, D.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 oktober 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Brief aan de Romeinen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 oktober 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's