Kerk en Jeugd
door THIJS BOOIJ. Vierde druk. Uitgeverij W. ten Have N.V., Amsterdam
Als het de bedoeling is, dat dit boek gelezen wordt, behoeft het geen nadere aanbeveling. De vierde druk! Toch zouden wij wel willen weten, wie het lezen, waar en in welke kring wordt dit boek gelezen? Door de dominees, voor wie het, althans naar de inhoud geoordeeld, niet in de laatste plaats bestemd lijkt te zijn. Deze worden door de schrijver op een allermerkwaardigste wijze geëerd. Gij zijt eigenlijk het naarste soort mensen, maar uw ambt is ook zo moeilijk en
gevaarlijk. Wij zullen bidden voor u, dat gij wordt, zoals wij dominé's gaarne zouden hebben.
De schildering van velerlei onhebbelijkheden, die helaas bij dominees nogal eens voorkomen en juist bij hen meer opvallen dan bij „gewone" mensen, is voor sommige lezers wellicht een welgekruide spijze, doch het is volstrekt niet nieuw, tenzij het nieuwe mocht zijn, dat het op een onbeschaamde wijze wordt gezegd, welke moeilijk als een juiste toepassing kan worden gewaardeerd van de bijbelse vermaning, dat men elkander moet opscherpen in de liefde.
Of is het niet een welsprekende en treffende spreekwijze, dat de weg naar de hel met dominees is geplaveid? En dat is toch een oud spreekwoord!
De ouderwetse mensen hadden nog een ander spreekwoord: „Een dominé draagt een
zwarte jas en daar ziet men gauw een vlek op". Dit is een beetje uit de tijd voor vele
dominees, die de zwarte jas slechts „bij gelegenheid" dragen. Maar die ouderwetse mensen bedoelden, dat de ondeugden van een dominé meer opvallen.
De Heilige Schrift zegt, dat de ouderling,
die in het Woord arbeidt, dubbele eer waardig is, en gebiedt, dat men niet haastig een
beschuldiging tegen een ouderling zal aannemen. .
Het is de vraag, of de wijze van uitdrukking door Thijs Booij, als bepaaldelijk de jeugd passende en de door hem bedoelde jeugd eigen, wel in alle delen overeenkomt met deze Schriftuurlijke vermaningen. Trouwens ook de waardering van het ambt van de ouderling, die in het Woord arbeidt, als zou dit een toespitsing van het ambt der gelovigen zijn, is ook niet helemaal in overeenstemming, maar dat is een theologische kwestie. En hoewel de schrijver menige theologische kwestie aanraakt en zich zelfs nogal apodictische uitspraken veroorlooft, zou het
toch niet billijk zijn hem daarover aan te vallen. Daarom zullen wij er ook niet te diep op
ingaan, als hij nogal uitvoerige wenken geeft op, wat wij zouden kunnen noemen het
terrein van de practische theologie, of misschien nog beter de-vorming van jeugd dominé's. Het is wel heel duidelijk, dat hij een geheel speciaal soort jeugddominé's zou willen kweken, althans zou wensen, dat zij gekweekt werden naar zijn opvattingen en aanwijzingen en dit het zwaartepunt van kerk en toekomst op de jeugd vallende, alle dominé's naar zijn mening tenslotte zoveel als jeugddominé's behoorden te zijn en dan van het genre, zoals hij het voorstelt.
Immers iedere dominé behoort volgens de schrijver jeugddominé te zijn. (blz. 56).
Wij zullen er niet op ingaan, wat hij alzo van zulk een dominé verlangt, om van de
practische moeilijkheden, indien men naar zijn pijpen zou proberen te dansen, maar in 't geheel niet te spreken. Wie zal ook al die jeugddominé's en hun opleiding financieren?, om
maar iets te noemen.
Doch ook nog afgezien van dit alles, indien het ambt der gelovigen de grondslag
van het predikambt is, waartoe zoveel, jeugdpredikanten en zoveel omhaal?
Maar dan komen wij bij de ouders en het gezinsleven terecht, bij de beoefening van het
ambt der gelovigen in het gezin, bij vader en moeder en bij de jeugd zelve.
Wij willen niet tegenspreken, dat daar, helaas, de schoen kan wringen, dat in het
ontwrichte gezinsleven een wrede en zondige oorzaak kan worden aangewezen van de
„nood der jeugd". Maar men wil toch niet beweren, dat het „Christelijk huisgezin" —
hoewel het niet vrij uitgaat — in het algemeen alzó verdorven is, dat er eigenlijk ook
van een „Christelijke" opvoeding niets meer terecht komt? Er zullen ook wel jonge mensen zijn, die ondanks een „Christelijke opvoeding" toch bij „de jeugd in nood" worden gevonden. En er zullen ook ongetwijfeld ouders zijn, die ondanks de zorgen aan hun kinderen besteed, te worstelen hebben met de moeilijkheden van de jeugd.
De jeugd staat althans van huis uit niet zo geisoleerd, als sommigen het doen voorkomen. Onverminderd allerlei oorzaken, die aanleiding zijn geworden van, de „nood der jeugd", is er ook zoiets als een geest, die de jeugd bezielt en die aanstekelijk werkt. Nog eens, vele ouders ervaren daarvan iets, hebben er zorg over en zijn daarmede bezig. Onder die ouders zijn ook de dominé's. Thijs Booij doet over die dominé's, alsof ze
alle coelibatair zijn. Zo groot is dat getal niet en de dominé's hebben ook in eigen gezin
wel enige aanraking met de jeugdvraagstukken. Als wij zo de gedachten laten gaan over
een en ander, rijst de vraag, hoe dat nu zit met die jeugd van Thijs Booij, wel te verstaan de jeugd, die hij ons voorstelt en waartoe hij zegt zelf te behoren ? Is, dat nu wel onze jeugd?
Hij tracht ons die jeugd nader te doen kennen door niet minder dan 500 vragen te releveren, waarmede zij loopt of waarmede. zij „zit”.
Intussen moge worden opgemerkt, dat wij verscheiden van, die vragen ook reeds in de
jeugd van de oudere generaties hebben, gehoord, die belust was op de werken van dé
mannen van tachtig en verwantschap zochten of schenen te gevoelen met de geest van
Douwes Dekker. Uit dit oogpunt beoordeeld, is het al evenmin nieuw als de klachten over
de dominé's.
Wij bedoelen hiermede niet uiting te geven aan een standpunt van „laat maar gaan",
„het is altijd zo geweest". En wij ontkennen ook niet, dat met recht zelfs van een noodtoestand kan gesproken worden. Maar wij zien niet in, dat alleen de jeugd in dié nood verkeert. Er zijn ook zovele ouders, die in dezelfde nood verkeren. Daarom geloven wij ook niet, dat de zaak van de jeugd wordt gediend door de nood zo eenzijdig op haar te betrekken en centraal te stellen.
En wat die ± 500 vragen aangaat? Indien de auteur deze eens had teruggebracht tot rubrieken — er zijn ook nog al doublures onder — en hij ware dan eens overgegaan tot beantwoording van die vragen, zo mogelijk en zo nodig op tweeërlei wijze: n.l. met het antwoord, dat naar geloven en weten het juiste is, en het antwoord, dat de jeugd, die hij op het oog heeft, graag zou willen horen, c.q. zelf geeft. Het zou voor de jeugd leerzamer zijn geweest en voor de ouderen nuttiger en mogelijk ook vruchtbaarder.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's