De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Karl Barth en het Getuigenis 1

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Karl Barth en het Getuigenis 1

8 minuten leestijd

Bijgaand artikel van dr. W. Aalders zal voor menigeen van de lezers geen eenvoudige kost zijn. Het is echter wel een een zeer belangwekkend artikel omdat het wil zeggen dat het Getuigenis in feite stelling heeft genomen tegen de theologie van Karl Barth en de consequenties daarvan. Dr. Aalders geeft daarover een diepgaande toelichting, waarbij hij de theologie van Barth, met name de wending in diens thelogie in de zestiger jaren, grondig uiteenzet. We ruimen daarom graag ruimte in voor dit artikel omdat het — naar we hopen — mee zal mogen bijdragen tot een dieper verstaan van de oorsprong der dwalingen, die zich in onze tijd voordoen en zo tot een te bovenkomen van de heilloze weg waarin de theologie zich bevindt. Dit artikel zal theologen — maar niet alleen hen, ook de geïnteresseerde niet-theologen — veel stof tot nadenken geven. De Redactie.

Vorig jaar is bij Ten Have een vertaling verschenen van Kupisch' biografie van Karl Barth. Het geschrift van Kupisch was in 1971 al in Duitsland uitgekomen als deeltje van Rowohlt Taschenbuch Verlag en kostte ƒ 3,75. De prijs van de Nederlandsche vertaling is ƒ 17,50. Voor die veertien gulden méér krijgt men een linnen band, een grotere letter, en twee bladzijden meer druk, namelijk de mening van Dr. Buskes en Dr. Miskotte over Barth. Het boek van Kupisch is met veel bewondering en weinig critiek geschreven. Er waait ons de wierooklucht uit tegen, die indertijd ook zo sterk om Abr. Kuyper heeft gehangen. Dan is het goed, dat de Catechismus ons er aan herinnert, dat 'ook de allerheiligsten in dit leven maar een klein beginsel der gehoorzaamheid hebben'. Bovendien hebben wij allen het gericht nog vóór ons. Dat moet ons voorzichtig maken in ons oordeel. Daarom schrijft Paulus: 'Zo dan oordeelt niets voor de tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn. Welke ook in het licht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God' (1 Cor. 4:5). Er komt nog iets bij. De ware betekenis van iemands persoon en werk komt pas na verloop van tijd naar voren. Bij theologen is dat in versterkte mate het geval. Hun gedachten moeten eerst getoetst worden aan de geloofsconsciëntie der Gemeente. En haar oordeel is vaak heel anders dan dat van de officiële, wetenschappelijke theologie. 'Zij vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft of zij uit God zijn' (I Joh. 4 : 1). Zo zou na verloop van enige tijd wel eens kunnen blijken, dat de Gemeente over Barth heel anders oordeelt dan nu de leidinggevende theologen doen. Naar mijn overtuiging hangt de theologische strijd en de polarisatie der meningen in deze tijd voor een niet gering deel samen met de gewetensnood, waar de Gemeente in is gebracht door de doorwerking van Barths theologie in de kerk, en met name in de prediking. Ook heb ik het vermoeden, dat later zal blijken, dat de Open Brief en het Getuigenis er in belangrijke mate toe bijgedragen hebben, dat het in de Gemeente tot een bewuster critische stellingname tegenover Barths theologie is gekomen. Naar aanleiding van de onlangs verschenen biografie van Barth van de hand van Kupisch wil ik daarom in dit artikel enkele opmerkingen maken over de barthiaanse theologie en het Getuigenis. Een voordeel van het boek van Kupisch is, dat het in tegenstelling met vroegere soortgelijke werken meer aandacht geeft aan en informatie over de jaren, dat Barth predikant was in Safenwil en er de publicatie voorbereidde van de bekende Römerbrief. (Romeinenbrief). Juist de laatste tijd is daar veel over bekend geworden. Barth was toen socialist. En dat klonk soms maar al te duidelijk door in zijn preken. Hij ijverde ervoor dat de arbeiders in zijn gemeente vakverenigingen kregen. Ook had hij contact met religeus socialisten en vereerde hij Chr. Blumhardt, die zich als predikant had aangesloten bij de sociaal democraten en voor hun partij zelfs een tijd zitting had in de Würtemberger Landdag. Daaruit blijkt, dat de inzet van Barths theologie gelegen heeft in een tijd van grote politieke en sociale beroeringen. Prof. H. Gollwitzer vertelt daar meer over in zijn geschrift: Reich Gottes und Sozialismus bei Karl Barth (Rijk van God en Socialisme bij Karl Barth), dat kortgeleden ook in vertaling is verschenen. Het besef van de maatschappelijke nood is dus één van de belangrijkste wortels geweest van Barths theologie. Dat is een ander uitgangspunt dan de theologie van de grote Reformatoren! Minder religeus, minder geestelijk, minder nieuwtestamentisch. De felle critiek van Barth op kerk en theologie in deze jaren was in wezen een critiek op de politieke en sociale situatie van die tijd. Een situatie, die min of meer door de Evangelie-prediking dier dagen gesteund en in standgehouden werd; althans niet aangevallen werd. Onder zulke omstandigheden — aldus Barth — werd het Evangelie in de kerk eerder verloochend dan gediend. De ganse cultuursituatie riep erom, — zo stelde hij — dat God in Zijn openbaring nieuw en anders verstaan en gepredikt werd. Barths moedige getuigenis in de tijd van het Duitse nationaal-socialisme, toen grote delen van de kerk zich karakterloos bij de nieuwe, heidense orde aanpasten, lag in dezelfde lijn. Het was eenzelfde geestelijke strijd als voorheen, om het bevrijdende uitzicht op het Rijk Gods, dat geen verbond sluit met de politieke, sociale en economische machten, maar dat alleen gegrond is op het enige fundament Jezus Christus. Ik ken geen geschrift van Barth, waarin deze evangelische bewogenheid klaarder en voller tot uitdrukking komt, dan zijn naderhand uitgegeven toespraak op de internationale studentenconferentie te Chataigneraie in het jaar 1934. Om Barth, zoals hij in die periode was, zuiver te beoordelen, moet er ook bij bedacht worden, dat hij naar alle zijden en consequent een grote mate van critische ingehoudenheid in acht nam tegenover elke verwerkelijking van het geloof; dus zowel naar rechts als naar links. Daarom brak hij spoedig met de religieus-socialisten, met Ragaz en de zijnen. Niet de wereldse werkelijkheid bepaalt onze houding, maar het Woord der openbaring. Het lag ook geheel in dezelfde lijn, dat Barth grote nadruk legde op het geloof, op de persoonlijke bekering, als de enige toegang tot de heilsheerschappij Gods. Zó dacht en sprak Barth in de twintiger en dertiger jaren. Maar in de vijftiger jaren werd alles heel anders. En ik acht het een groot tekort in Kupisch' biografie, dat daar nauwelijks aandacht aan is gegeven. Het is immers in strijd met de feiten, om hierbij te spreken van een consequente en logische doorwerking en uitwerking van Barths vroegere gedachten. In zijn bekende toespraak te Aargau in 1956, getiteld: Die Menschlichkeit Gottes (De menselijkheid van God), spreekt Barth zelf van een grote wending. Hij legt er de volle nadruk op, dat hij een andere lijn is gaan volgen. Hij corrigeert zichzelf in wat hij vroeger heeft geschreven. Hij neemt uitspraken van vroeger jaren terug. Wie Barth recht wil doen, moet dus aan deze omkeer volle aandacht geven. Men mag het niet zó voorstellen, alsof alles in wezen hetzelfde is gebleven. Barths grote werk, de Dogmatik, moet vanuit die wending gelezen en verstaan worden. Waarin bestond nu die wending? De titel van de toespraak in Aargau drukt het uit. Het was de ontdekking, dat de Heere God de partner, de bondgenoot van de mens is. In Jezus Christus is Hij een verbond, een partnerschap, een lotsgemeenschap met de mens aangegaan. Er is sprake van een dialoog, een gesprek tussen God en mens. De mens met zijn humaniteit, zijn cultuur, zijn historie 'interesseren' God. Deze nieuwe Godskennis ziet Barth gegrond op en geput uit het Evangelie. De consequenties ervan voor Barths gedachten over de kerk zijn vérstrekkend. Want als zó het Evangelie moet worden verstaan, dan is het de roeping der kerk en hoort het tot haar wezen, om zélfs een christocratische broederschap te zijn, waar de medemenselijkheid als de kroon van de humaniteit zichtbaar wordt. Dan heeft zij dat Evangelie van Gods menselijkheid de wereld in te dragen als een boodschap van bevrijding voor de armen, voor de ontrechten, voor de gevangenen, voor de verdrukten. Wij komen hierbij reeds al de woorden en begrippen tegen, die naderhand het kerkelijk leven en de prediking zijn gaan beheersen. Zoals Christus de 'partijganger' der armen was, en 'solidair' met de verachten en uitgestotenen, zo heeft ook de gemeente, zo heeft ook elk christen dat te zijn. Centraal staat dus van nu af in Barths theologie het verbond. In het vierde deel van de Dogmatik wordt dat breed uitgewerkt en verdiept. God heeft zichzelf verkoren en bestemd tot deelgenoot en vriend van de mens, zoals hij ook de mens verkoren en bestemd heeft tot vriend en deelgenoot van God. Dat betekent, dat de theoloog, die eerst een uiterste behoedzaamheid in acht nam ten opzichte van elke vorm van verwerkelijking, verwereldlijking, vermenselijking en verhistorisering van de openbaring, en die om die reden de kerk en de theologie, als uitermate gecompromitteerd en bezoedeld, onder zo scherpe critiek had gesteld; dat die theoloog nu alle nadruk gaat leggen op het verbond tussen God en mens, wel te verstaan de mens als aards, historisch wezen; en daarbij verklaart, dat de menselijke werkelijkheid en geschiedenis voor God een uitermate 'interessante' zaak zijn! Dus toch natuur èn genade, toch rede èn geloof, toch genade èn werk! Maar dan niet meer conservatief en rechts, zoals vaak in het verleden het geval was; maar progressief en links! Het is vanzelfsprekend, dat Barth door deze ommekeer niet alleen de geestelijke aansluiting op Kohlbrugge en Kierkegaard verloor; maar dat hij ook steeds meer vervreemdde van Calvijn. Vergeleken met Barths nieuwe interesse voor de cultuur, de wereld, de geschiedenis en de humaniteit, moesten Calvijns theologie, Calvijns Institutie en Calvijns Geneve voor hem wel een duistere aangelegenheid zijn geworden. Van nu voortaan zijn het de beide Blumhardts met hun wekroep: Jesus ist Sieger!' (Jezus is overwinnaar) en 'Ihr Menschen seid Gottes!' (u mensen bent van God) de kroongetuigen van Barth. Zijn theologie is daarmee gekomen op het spoor van de geschiedenis. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Karl Barth en het Getuigenis 1

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's