De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Antwoord aan ds. Hoekstra

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Antwoord aan ds. Hoekstra

6 minuten leestijd

Ik wil in mijn antwoord op de vragen en opmerkingen van ds. Hoekstra kort zijn, om niet in herhaling te vallen na de opmerkingen, die ik bij de vragen van S. J. de Groot maakte. Puntsgewijs volgen hier nog enkele opmerkingen.

1. De kranten gaven het bericht van het besluit van de Leeuwarder kerkeraad zonder nadere motivering. Op grond van dat loutere, besluit — met één stem meerderheid — gaf ik mijn opinie ten aanzien van het gebruik van kerkgebouwen door moslims in het algemeen, waarbij ik één en ander plaatste in het bredere verband van de discussies, die hierover de laatste jaren plaats vonden. Wélke argumenten de centrale kerkeraad van Leeuwarden ook (althans in meerderheid) heeft gehad, mijn mening is dat men een kerkgebouw niet gebruiken mag om te bidden tot God en tot Allah. Het is ook mijn overtuiging dat om dezelfde reden christenen géén beroep op moslims kunnen doen in andere landen om van hun moskees gebruik te mogen maken.

2. Spreek ik over vreemde zaken als ik beweer dat als argument voor de dialoog met moslims en ook voor het afstaan van kerkgebouwen vaak gespeeld wordt met de 'gedachte, dat we toch dezelfde God aanbidden? Ds. Hoekstra vraagt: wie zegt dat dan? Hij leze nog eens na het jaarverslag 1972 van de Raad voor de Zending, waarin uitvoerig over de verhouding van christendom en islam wordt gesproken. Daar lees ik letterlijk, dat christelijke presentie niet allereerst uit is op bekering maar op verzoening en genezing van verbanden en verhoudingen in vaak zo geplaagde samenlevingsvormen (p. 8). En als trekken van overeenkomst tussen christendom en islam worden o.a. genoemd: 'het geloof, dat God, de grond van alle dingen, de Schepper en Onderhouder van het heelal is en dat Hij bemoeienis met de mensen heeft, die door hen als zeer persoonlijk ervaren wordt; het geloof dat God Heerser is over de geschiedenis en dat Hij in het Oordeel daarover afrekening houdt, het geloof dat hun beider Schriften meer zijn dan menselijke documenten, omdat ze door God zijn gegeven en geïnspireerd (p. 6). Ik wil vragen: spreekt men hier over dezelfde God of gaat het over verschillende goden? Hoewel het verslag van de Raad voor de Zending ook wijst op het unieke karakter van Christus komt niet uit, dat alleen de God en Vader van onze Heere Jezus Christus de God is tot wie wij kunnen en mogen naderen in het gebed.

Men kan dit ondervangen door te wijzen op de Christus-presentie in andere religies. In Nairobi was dat herhaaldelijk aan de orde (men zie ook de rede van M. M. Thomas). Maar heeft een dergelijke gedachte enige bijbelse grond? Welnu, al deze dingen tezamen spelen in de huidige discussies over de verhouding tot andere godsdiensten en dringen het Sola van de Reformatie naar achter. De toenemende tendens om kerken voor moslims beschikbaar te stellen staat daar zeker niet los van.

3: De kwestie van de raadselachtigheid van de na-christelijke godsdienst die islam heet stelt uiteraard ieder, die over de dingen nadenkt, voor vragen. Maar dat geldt voor alle godsdiensten, het geldt ook voor alle secten, het geldt ook voor het ongeloof, terwijl we anderzijds weten dat aan de basis van dit alles ligt de ontwrichting van het leven door de zonde, die onze eigen schuld uitmaakt. Maar is de consequentie van die raadselachtigheid nu opeens dat ruimte moet worden geschapen, liturgische ruimte, dóór de kerk voor andere godsdiensten? Waarom dan de islam wél en bepaalde secten tot en met de Jehovahgetuigen niet? En als Luther dan de moslimse Turken een gesel Gods noemt wijst hij dan niet op het oordeel, dat hierin over de christenheid ging? Maar dan bedoelde hij dit toch niet als motief om met de moslims in een vriendschappelijke relatie of dialoog te treden of om ruimte te scheppen voor die gesel? Hitler was een oordeel Gods over Europa. Maar intussen was het de roeping om zich met hand en tand tegen deze gesel te verzetten. Ik vergelijk de Islam bepaald niet met Hitler, maar ik wil slechts het niet steekhoudende van de argumentatie bloot leggen. Boven het raadselachtige van de vreemde godsdienst gaat intussen uit het geheimenis van de verkiezing in Christus.

5. Wie laat de moslims toe in ons land? Dat is een politieke zaak. En hoewel ik daar theocratisch bezien nóg moeite mee heb — Alles moet hem eren, zegt Psalm 33 — meen ik toch dat wie politiek a zegt ook b moet zeggen. Hier ligt een politieke verantwoordelijkheid.

6. Tenslotte nog iets over de functie van het kerkgebouw. Is dat een sacrale ruimte? Neen en ja. Ik schrijf over enkele passages uit een rapport van de Raad voor de eredienst, uitgegeven in 1945, toen het bouwen van kerken weer actueel werd.

Het kerkgebouw een teken

De Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt in artikel 27 uit, te geloven en te belijden een enige katholieke of algemene Kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christ-gelovigen, al hunne zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. Deze Kerk is geweest van den beginne der wereld af en zal zijn tot het einde toe; gelijk daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, die zonder onderdanen niet zijn kan. Het kerkgebouw dient van deze Kerk een teken in de wereld te Wezens Dit betekent, dat het bouwwerk door zijn verheven waardigheid en rust, tot uitdrukking gebracht in ligging, vorm en verhoudingen, aan dit geloven en belijden gestalte geve. Ook een kleine dorps- of wijkkerk moet deze verhevenheid tot uiting brengen. 

En door de studiecommissie vóór kerkbouw werd o.a. gezegd:
'Het feit dat het kerkgebouw aan elk ander gebruik dan de eredienst onttrokken is, betekent nog niet, dat het reeds daardoor een sacrale ruimte is. Sacrale — tegenover profane — ruimte betekent in strikte zin een ruimte, die in zich zelf heiligheid bezit. (. . . .)

Daarom moet men, wil het woordgebruik zuiver en zonder verwarring blijven, zich er van bewust zijn, of men de eredienst sacramenteel opvat of niet. Doch zelfs indien men aan de eredienst dit karakter toeschrijft, is het kerkgebouw nog een sacrale ruimte, want het sacramentele karakter gaat van de eredienst niet over op het gebouw; alleen de gelovigen, die in de eredienst staan, hebben er deel aan. Niettemin blijft waar, dat het kerkgebouw door zijn bestemming een geheel eigen karakter bezit, dat geen enkel ander gebouw met het kerkgebouw gemeen heeft'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Antwoord aan ds. Hoekstra

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's