Mag een gelovige eer hebben?
Pastorale overwegingen
4
Voorzichtigheid geboden
Kostelijk is het wanneer we ons ook bij de vraag naar de menselijke eer laten leiden door de Schrift. Maar dan moeten toch ook bepaalde dingen ondubbelzinnig worden gesteld. De Schrift is geen receptenboek. Men moet geen woord uit zijn verband rukken. Men kan maar niet met een bepaald woord overspringen in, onze tijd. Altijd moet men letten op tijd en omstandigheden waarin en waaronder door de Heere en Zijn apostelen is gesproken. Als men het door ons reeds aangehaalde woord van Paulus, dat allen, die godzalig in Christus willen leven, vervolgd worden als een wet voor ieder gelovige maakt, komt men scheef uit. Er is in ons land momenteel geen geloofsvervolging zoals vroeger of in de tijd van het Nieuwe Testament. En we wezen er ook al op, dat men ondervinding van haat en smaad niet als een kenmerk mag stellen, dat men dus genade bezit. Neen, waar komt die smaad vandaan; om welke oorzaak treft ze ons? En als men scherp alle eer onder de mensen afwijst, ziet men dan ook af van eer 'onder de broederen'? O, ons hart is zo verdorven en arglistig.
Men kan in de wereld trots zijn, zoals wijlen mijn Oudtestamentische leermeester zegt in zijn preken over Daniël, ja waarop? Nebukadnezar was het op Babel, door hem gebouwd. Velen in onze tijd op... de lak van hun nagels, de krul van het haar; de snit van de kleding, de brutaalheid van hun houding, de armoe van hun geest, de holheid van hun hoofd.
Scherp gezegd! Maar de trots is er ook op onze degelijkheid, op het-veracht-worden door anderen, de ervaring van allesbehalve bemind-zijn. En dat weten we nog aan te kleden. Het is niet tot eer van een kind van God om ergernis te verwekken. Het is niet tot eer van een gelovige door ieder aardig gevonden te worden.
Het is ook zeker niet tot eer van een gelovige eerloos te leven en eerloos te sterven. En wat dit laatste betreft, we zijn erg voorzichtig met te spreken van 'de laatste eer' aan een dode bij de begrafenis bewezen. Is het zeker ook niet de laatste schande? Maar ik lees ook in het woord, dat zelfs als 't kind van Jerobeam sterft, zij hem begroeven en gans Israël hem beklaagde, 1 Kon. 14. En vergaderde zich niet eenmaal gans Israël om rouw te bedrijven over Samuel, na diens dood, 1 Sam. 25? Is het dan niet waar, dat de Heere ook dan Zijn kinderen na de genade ook de eer geeft?
De bevordering van de eer
Nog iets anders nu. Ik lees in de Heidelberger in het onderwijs aangaande het negende gebod dat een christen zoveel als in diens vermogen is het goed gerucht, de naam, de eer van de naaste zal bevorderen. Zeker, de eer is betrekkelijk. Maar gaarne zullen we door genade pogen de goede naam en dé eer van de naaste voorstaan. Hebben anderen wel gedaan, waardevolle arbeid verricht, zullen we hen niet er om achten. Slechts een afgunstig mens, aldus Soe in zijn Christlichte Ethik, ontzegt een ander de waardering en erkenning of verkleint de verdienste van wat gepresteerd is. Maar een oprecht gelovige weet op zijn tijd woorden van waardering te spreken. Niet om mensen in de hoogte te steken en te verafgoden. Niet om het menselijk genie hulde te betuigen. Het is alles van God. En wat het ambtelijk werk betreft zij er dan maar op gewezen, dat we onze ambtsdragers naar de Schrift moeten eren, niet om huns persoons wil doch om huns werks wil. Zeker mogen we anderen niet kleineren, niet krenken, niet miskennen. Dat is. geen vrucht en blijk van genade. Zeker zullen we niet meedoen aan roddelpraat, lastering, zwart-makerij. Zelfs als we voor de waarheid van iéts kunnen instaan, moeten we nog opassen. Is het een doordenkertje voor u, als ik citeer wat eens werd opgemerkt: 'wat gezegd wordt, moet wel waar zijn, maar alles wat waar is, moet nog niet gezegd worden'? Weinig wordt ervan in praktijk gebracht, in de samenleving, maar ook in het kerkelijk leven, onder gemeenteleden en onder dominees. Mij trof wat enige tijd geleden onze voorzitter opmerkte in Hervormd Nederland: men zij bedacht op de zachtmoedigheid. Men is zo hard tegen elkaar en over elkaar. Men polariseert bij opzettelijk scherpe opstelling. Men is scherp, hard en bekommert zich niet om het feit of ook anderen worden bezeerd en geraakt'.
En dan een Zaligmaker te horen prediken en te hebben, Die zegt: 'leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart’. Ja op kosten van de rust onzer zielen zullen we deze lering nalaten. Dat heeft met slapheid en beginselloosheid niet van doen. Trouwens men zij maar niet te haastig om 'de beginselen' er bij te halen. Ik vrees dat het meer gaat om indruk te maken en zichzelf de eer van beginselvastheid te geven dan dat de voetstappen van Christus worden gedrukt in ootmoed. Zijn niet van Datheen afkomstig de regels: geen groter goed Gij mij geven moogt, dan dat Gij mij maakt nederig en klein?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's