De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

9 minuten leestijd

School en ouders, door de Werkgroep 'Unie' Ouderparticipatie, dl. 11 Cahier voor het christelijk onderwijs. Uitg. J. H. Kok, Kampen, 1975, 81 pag.
Op 1 januari 1976 zal ook voor het bijzonder onderwijs, althans voor de basisscholen, de wettelijke bepaling gelden: 'Het bestuur moet de ouders, voogden of verzorgers der leerlingen in de gelegenheid stellen aan de school een commissie te verbinden die het bestuur desgevraagd of eigener beweging van advies dient in aangelegenheden de school betreffende'. Nu omvat de ouderparticipatie duidelijk meer dan het instellen van een z.g. oudercommissie, maar de discussie over ouderparticipatie is door de wettelijke verplichting omtrent oudercommissies wel duidelijk op gang gekomen.
Dit Cahier wil aan de voortgang van de reeds ingezette diskussie bijdragen. Het is geschreven door een achttal scribenten die samen de Werkgroep 'Unie'-Ouderparticipatie vormden.
Wat is ouderparticipatie? Door de wat onsystematische opzet van deze uitgave — waarschijnlijk onvermijdelijk wanneer een boek door een werkgroep wordt geschreven — vinden we op deze vraag pas een antwoord in de derde bijdrage. Ouderparticipatie wordt daarin omschreven als het daadwerkelijk betrekken van de ouders bij het 'in daden omzetten' van de doelstellingen. Dat kan op verschillende manieren en op verschillende niveau's. Allereerst worden genoemd de onderwijsondersteunende aktiviteiten thuis in de belangstelling die ouders tonen voor de schoolloopbaan van hun kinderen.
In het verlenen van hand- en spandiensten, wanneer ouders de school helpen bij aktiviteiten die niet direct verband houden met het onderwijs zelf (schoolreizen, opknappen van de school). In de derde plaats de aktiviteiten op school ter directe ondersteuning van het onderwijs. Nog verder gaat het wanneer ouders deelnemen aan het didactisch handelen van de leerkracht of zelfs meebeslissen over opzet en organisatie van het onderwijls.
Niet ieder zal een aktieve deelname van de ouders op elk van de genoemde niveau's bepleiten.
De kernvraag waarom het gaat is echter: Wat hebben ouders en school met elkaar te maken? De christelijke school moet daar geen moeite mee hebben. Geldt daar niet van ouds: de school aan de ouders? In globale zin is dit juist, alhoewel Gilhuis in zijn historische bijdrage die zeer de moeite waard is om te lezen, enkele correcties op deze stelling noodzakelijk acht.
Groen van Prinsterer is lange tijd voorstander geweest van de christelijke staatsschool, en later ging hij over op de gedachte van de kerkgemeentelijke school. Natuurlijk achtte hij en anderen uit de Schoolstrijd het onderwijs wel een taak van de ouders, maar dan als leden der kerk. De meeste scholen die in de eerste tijd gesticht werden waren z.g. commissiescholen. Men liet de taak der ouders over aan enkele personen.
Pas langzamerhand werd van de regel uitgegaan: de school aan de ouders; duidelijk was wel dat de opvoeding van de kinderen de taak van de ouders behoort te zijn.
Hoewel met enige nuancering kunnen we dan ook spreken over de bijzondere school, als school aan de ouders. Het hoeft daarom geen verwondering te wekken wanneer het bijzonder onderwijs gereageerd heeft tegen de wettelijke verplichtingen tot het instellen van de oudercommissie als daarom gevraagd wordt, vanuit de gedachte: ouderparticipatie is in de bijzondere school ten principale altijd aanwezig geweest.
Het cahier wil bij de vormgeving en de discussie hiervan steun bieden. Voor oudercommissies is een modelreglement opgenomen, waar de besturen mee kunnen werken.
Ook schaduwzijden van ouderparticipatie in het algemeen en oudercommissies in het bijzonder blijven niet onvermeld. Zeer lezenswaardig is de bijdrage van drs. B. de Haan, direkteur Bureau Besturen- raad Prot. Chr. Onderwijs. Hij wijst erop dat naar zijn mening het schoolbestuur in hoofdzaak uit een vertegenwoordiging van de ouders dient te bestaan. Wanneer 'n bestuur verschillende scholen onder zijn beheer heeft kan voor elke school een z.g. schoolcommissie ingesteld worden, die bestaat uit enkele leden van het schoolbestuur, het hoofd van de school en een aantal ouders. Men voldoet dan geheel aan de voorwaarden.
Zeker op scholen waar een groot deel van de kinderen uit onkerkelijke milieus komt is het geboden dat de in te stellen oudercommissie niet een eigen weg gaat los van het bestuur. Men blijft echter als bestuur het bevoegd gezag van de school en als zodanig ook bevoegd tot het vaststellen van een reglement voor oudercommissies. Het lijkt mij een gevaarlijke zaak wanneer, zoals in deze uitgave gebeurt, ook de mogelijkheid open blijft dat ouders in een oudercommissie benoemd worden die zelf niet instemmen met de grondslag van de school, ook al bindt men het werk van de commissie wel aan deze grondslag. Hoe gemakkelijk kan zo’n commissie dan niet een instrument worden om het beleid om te buigen.
Daarom is 't goed deze zaken terdege te overwegen. Ouderparticipatie is meer dan het funktioneren van een oudercommissie, hoewel het instellen van zo'n commissie, gezien de wettelijke bepalingen momenteel wel het brandpunt vormen van de gedachten rond ouderparticipatie. Waar de verhoudingen goed liggen kan ouderparticipatie van grote betekenis zijn voor de school, maar het is belangrijk dit alles van te voren goed te overwegen.
Ieder die met deze vragen geconfronteerd wordt, doet er goed aan dit Cahier met aandacht te bestuderen. Het kan de discussie verhelderen.
Krimpen aan de IJssel M. Burggraaf

Dr. C. H. Lindijer, Handelingen van de Apostelen I (De prediking van het Nieuwe Testament, theologische commentaar onder redactie van dr. A. F. J. Klijn), 350 blz., paperback; ƒ52,50; bij intekening ƒ47,25; Nijkerk 1975.
Het blijkt geen eenvoudige zaak een volledige commentarenreeks op tafel te leggen. De al voor de oorlog geplande serie 'de prediking van het Nieuwe Testament' is nog steeds niet voltooid. Wie enigermate op de hoogte is van de stand van zaken op het gebied van de bijbelwetenschap zal zich daarover ook niet verbazen. De literatuur over de verschillende bijbelboeken is een steeds aanzwellende stroom die oeverloos dreigt te worden. Dat stelt aan de auteur die zich aan het schrijven van een commentaar zet hoge eisen. En deze eisen worden nog verzwaard wanneer men niet slechts wil volstaan met grammaticale, oudheidkundige, of historische opmerkingen, maar een voluit theologische uitleg wil geven, toegespitst op de prediking en de theologische vragen.
Nu ligt dan het eerste deel van een commentaai op de Handelingen der apostelen voor ons. De schrijver heeft de eerste twaalf hoofdstukken becommentarieerd. En er valt van deze publikatie veel goeds te zeggen. Het is in het Nederlandse taalgebied een welkome aanvulling op de literatuur over Handelingen.
In een (te) korte inleiding geeft de schrijver zijn visie op de bedoeling van Handelingen: Lucas wil evangelist zijn, prediker van het geloof in Christus. Handelingen is een vervolg en aanvulling van Lucas' evangelie. De vraag blijft dan wel: Hoe is de verhouding tussen verkondiging en historie?
Met belangstelling nam ik van deze commentaar kennis. Ten aanzien van Hand. 2:42—47 schrijft Lindijer voorzichtig-kritisch over het m.i. voor misverstand vatbare woord 'communisme' in dit verband. Bij Hand. 8:1—4 had ik graag wat meer gehoord over de achtergronden van het begrip 'verstrooiing'. Ten aanzien van de naam 'christianoi' in Hand. 11:26 verdienen de destijds door Van Stempvoort gemaakte opmerkingen over een spottende klank in deze benaming nog altijd aandacht. Zo zou er meer te noemen Zijn. Maar dat neemt niet weg dat de commentaar elke gebruiker goede diensten kan bewijzen. De aantekeningen achterin het boek verwijzen,— zonder te streven naar volledigheid — naar recente literatuur.' Zoals gezegd: vooral wie op het Nederlands is aangewezen zal deze commentaar dankbaar begroeten. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat wie de Duitse taal machtig is, in Lindijers boek niet zoveel nieuws tegen komt. Veel zal hij dan terugvinden in de commentaar van Stahlin in het NTD. En vergeleken met dat werk is de prijs buitensporig hoog. De uitgever zal daar natuurlijk wel zijn redenen voor hebben. Maar ruim ƒ 100,— (en daar zal de prijs van het volledige werk toch straks wel op neerkomen) voor een commentaar die toch op een breder publiek mikt dan de vakwetenschappers is toch wel erg hoog.
Utrecht A. Noordegraaf

Vervolgens werd door de architect, dhr. van Beek, het kerkgebouw aan de Kerkvoogdij overgedragen. Hierop volgden diverse toespraken, o.a. door Burgemeester Stam, de Geref. predikant, ds. v. Buuren (die een klok aanbood) en de oud-predikant, ds. v. d. Graaf, die dieper inging op horizontale én verticale prediking.
’s Avonds was de kerk geheel gevuld, toen de president- kerkvoogd de bijeenkomst opende met de lof aan God toe te brengen naar aanleiding van Psalm 150. Hij sprak de hoop en wens uit, dat alles wat er in dit kerkgebouw zou gebeuren tot eer van God mocht zijn. Hierna werd het kerkgebouw door de Kerkvoogdij aan de Kerkeraad overgedragen.
Onder leiding van ds. Koele werden daarna nog door diverse personen cadeaus aangeboden, w.o.: het doopvont door de Hervormde Schoolvereniging, de daarbij behorende schaal door de Dameskrans, de kleine kanselbijbel door de Mannenvereniging, de psalmborden door de jeugdverenigingen, een wandkleed (voorstellende het anker en het kruis) door de gecombineerde jeugdvereniging, en een klok door de leidsters en leiders van de jeugdverenigingen.
Als laatste der sprekers beklom de oudste ouderling, br. Te Brake, de kansel, die namens de leden van de Centrale Kerkeraad de grote kansel (Staten) bijbel aanbood en deze op de kansel openlegde, waarbij hij een toepasselijke toespraak hield.
Onder het zingen van Psalm 122: 1 en 3 werd daarna de praeses van de Centrale Kerkeraad, ds. v. Assenbergh, door br. Te Brake naar de kansel geleid, die vervolgens de eerste kerkdienst leidde. Als uitgangspunt van de prediking was genomen 1 Kon. 8 : 20. Dat Uw ogen open zijn nacht en dag over dit huis, over deze plaats van welke Gij gezegd hebt: Mijn naam zal daar zijn’.
De tijdens deze dienst gehouden collecte bracht ƒ 2.865 — op.
Op de muur in de kerk staat de tekst: Ik ben de Opstanding en het Leven. God geve, dat er velen in deze kerk door de prediking mogen opstaan tot een nieuw leven met en in Christus. Rest nog te vermelden, dat de Fa. Pijpers gratis de bronnering en de Fa. v. d. Horst gratis het betonvlechtwerk hebben verzorgd.

TE VEEL
Wegens een overvloed aan kopij en advertenties moeten deze week enkele verslagen en berichten blijven overstaan tot het volgende nummer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's