Is er een grens aan transplantaties?
Mogen de doktoren alles wat ze medisch kunnen doen?, luidt de vraag die mij gesteld werd. Het gaat daarbij met name om transplantaties van verschillende organen. Is het geoorloofd dat de ene mens voor de ander een nier afstaat? Mag men van een ander zoiets vragen of ontvangen?
Het zal duidelijk zijn dat er aan het aldus gestelde probleem op zijn minst drie kanten zitten: die van de gever, ook wel donor genoemd; die van de ontvanger; en niet in de laatste plaats die van de arts. Hij moet het toch maar doen.
Zijn er ethisch gezien grenzen aan de mogelijkheden, die de medische wetenschap op dit ogenblik ter beschikking staan ? Wordt er eigenlijk niet met mensen geëxperimenteerd ? Is iemand die bijvoorbeeld het hart van de ene mens, en een nier van een ander mens heeft — gesteld dat dit mogelijk is — eigenlijk niet een 'samenstelling' van drie mensen ? Hijzelf en degene die hem zijn hart gaf en degene van wie hij een nier kreeg ? Het probleem lijkt wat simpel gesteld. Toch roept de vraagstelling zulke vragen op. Dat is begrijpelijk.
Zit het probleem nu alleen in het meervoudige van de transplantatie — bijvoorbeeld én hart én een nier — of zit het probleem in het feit van de overplanting van, een orgaan van het ene lichaam naar het andere lichaam ? We willen proberen een beetje helderheid in de vraagstelling te brengen.
Laat mij mogen beginnen met het antwoord: niet alles wat medisch-technisch mogelijk is, is daarom ook geoorloofd. Dat geldt voor veel meer terreinen van het leven. Als iets mogelijk is, mag het nog niet omdat het mogelijk is. Er zijn nu eenmaal regels, geboden, voorschriften, waaraan we ons te houden hebben. Dat is ten aanzien van de medische techniek ook het geval. Het lijkt me daarom een heel zinvolle vraag, hoever we bij dit alles mogen gaan.
Op die vraag is door prof. dr. J. H. van den Berg, hoogleraar in Leiden, een duidelijk antwoord gegeven. In zijn boekje 'Medische macht en medische ethiek’ heeft hij ontkennend geantwoord op de vraag of alles wat kon, ook moest of mocht gebeuren. Hij stelde heel duidelijk een grens. Het ligt in de aard van de opvattingen van Van den Berg dat hij die grens vooral, getrokken wil zien, daar waar de patiënt hem gelegd wil hebben. Zijn norm ligt eigenlijk in wat de patiënt wil. Hij heeft zelfs voorgesteld tot een heel nieuwe medische ethiek te komen.
Doelstelling van zulk een nieuwe medische ethiek moest zijn, dat arts en patiënten samen bepalen wat zal gebeuren.' Het heeft er veel van weg dat in de visie van Van den Berg de arts de uitvoerder van de wil van de patiënt wordt. In elk geval moet de patiënt veel meer inspraak hebben dan hij tot heden had. Vandaar dat de in de titel genoemde medische macht, in het boekje van prof. Van den Berg niet onverdeeld gunstig wordt beoordeeld.
Wij zouden de oplossing in een andere richting willen zoeken. Voor ons kan de wil van de patiënt nooit het laatste woord betekenen. Een patiënt is onderworpen aan de wil van God. Hij zal in zijn beslissingen moeten rekenen met de wil en de wet van God. Dat komt helaas in het boekje van Van den Berg niet of nauwelijks naar voren. Bovendien lijkt het ons voor de arts een weinig aantrekkelijke gedachte dat hij niet anders te doen heeft dan de wil van de patiënt uit te voeren. Op dit punt lijkt ons het betoog van Van den Berg naar een andere eenzijdigheid doorgeslagen te zijn. De arts heeft ook zijn eigen verantwoordelijkheid.
Het pleidooi voor openheid tussen arts en patiënt willen we graag ondersteunen. Men mag gerust zeggen dat er sinds de verschijning van dit boekje een veel groter openheid gekomen is. Van den Berg heeft een discussie op gang gebracht, die er moest komen. Dat is de niet geringe verdienste van dit boekje. We willen dat graag duidelijk stellen, ook al delen we het uitgangspunt van de schrijver niet. Maar nu de vraag: hoever mag men gaan. Mag er wel iets op dit gebied gebeuren ? Het wil mij voorkomen dat we een vergelijking mogen trekken met het afstaan van bloed voor een medemens. Zeker, bloed is niet hetzelfde als een bepaald orgaan. Daartussen is nog wel verschil. Het punt van vergelijking ligt in het afstaan van iets dat wij ontvangen hebben ten gunste van een ander mens, wiens leven daardoor verlengd wordt. Met opzet gebruikte ik zo straks het woord donor ( = gever). Dit woord wordt ook gebruikt als het om het afstaan van bloed gaat.
Wanneer de medische wetenschap zover is voortgeschreden dat men een nier kan transplanteren en daarmee het leven van een medemens kan verlengen, lijkt mij dat niet ongeoorloofd.
Voor mijn besef wordt daar de grens bereikt waar de individualiteit van de mens in het geding is. Wanneer iemand bijvoorbeeld de hersenen van een ander mens 'overgeplant' zou krijgen, dan zou dat, voorzover ik kan zien, zijn hele persoonlijkheid wezenlijk beïnvloeden en veranderen. Hij verandert dan als individu door hetgeen hij van een ander krijgt. Het is niet aan mij te beoordelen in hoeverre iemand die door de nier van de één, en het hart van de ander, en het bloed van een derde in het leven gehouden wordt, in hoeverre deze mens het gevoel heeft dat hij zichzelf niet meer is. Zodra dat gaat optreden, lijkt mij de grens bereikt te zijn waar we niet overheen mogen gaan. Het ik van de mens als aanduiding van zijn persoon-zijn moet geëerbiedigd en bewaard blijven.
Daarnaast zou ik nog op een andere grens willen wijzen. Er mag niet naar hartelust met mensen en organen van mensen geëxperimenteerd worden. Het moet na al het voorbereidend onderzoek een redelijke kans van slagen hebben. Over de uitslag, het verloop en de afloop is in zulke gevallen zelden van te voren iets met zekerheid te zeggen. Er zullen altijd enige risico's — menselijkerwijs gesproken — genomen moeten worden. Dat is bij een operatie trouwens ook het geval. Nooit kan een arts met zekerheid een goede afloop voorspellen. Hij kan daar in het ene geval meer hoop op hebben dan in het andere geval. Hij kan in een bepaald geval zelfs vinden dat de operatie een te groot risico meebrengt en er daarom van afzien.
Welnu, zo ook bij orgaantransplantaties. Er moet een redelijke kans van slagen zijn. Het is zelfs denkbaar dat men in het begin — vanwege de onbekendheid en het gebrek aan ervaring — meer risico's moet nemen dan later nodig is. Maar een transplantatie waarvan men bij voorbaat weet dat ze zinloos is mag men niet om het maar te proberen uitvoeren. Dat geldt niet alleen van transplantaties, maar ook van andere medische ingrepen. Een mens is nu eenmaal mens en geen proefkonijn.
Daar waar het leven van een mens verlengd kan worden — zoals wij dat dan uitdrukken — door transplantatie, mag geholpen worden door de donor en de arts, mits de mens die geholpen wordt het individu blijft dat hij is.
Wel moet ik nog wijzen op de gevaren die het overbrengen van bijvoorbeeld het hart meebrengt voor mensen die aan het einde van hun leven gekomen zijn en dan als donor 'gebruikt’ worden. Men kan in de verleiding komen hun levenseinde te bespoedigen teneinde het hart in een goede staat te transplanteren. Een dergelijke bekorting van het leven van de één — met hoe weinig tijd ook — ten gunste van de verlenging van het leven van de ander lijkt mij niet geoorloofd. Ook hier zou ik willen zeggen dat in de naam donor, net als bij het afstaan van bloed, het element van de vrijwilligheid moet zitten. Daarom lijkt het mij de vraag te zijn of men organen mag nemen, zonder dat de donor daarin heeft toegestemd. De vrijwilligheid van het af staan is mede een grens aan de transplantaties van organen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's