De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het reformatorisch denken over de vrijheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het reformatorisch denken over de vrijheid

2

9 minuten leestijd

In het vorige artikel hebben we kennis genomen van Calvijns nogal pessimistische visie op de gevallen mens. Toch zouden wij ons vergissen, wanneer wij zouden menen, dat deze uitspraken hun bron bij Calvijn vinden in een erfzonde-pessimisme. Nee, het is juist het opvallende, dat Calvijn deze visie op de mens ontleent aan wat volgens hem de Schrift zegt over de vernieuwing van de gevallen mens. Wanneer de Schrift spreekt over de noodzakelijkheid van de wedergeboorte, wanneer zij spreekt over het goddelijk geschenk van een nieuwe geest en een nieuw hart, kan dat alleen, wanneeer de mens door de zonde niet slechts verwond is, maar hij daardoor verdorven is. Wanneer Paulus over onze verlossing spreekt, zegt hij niet, dat wij nog half in leven zijn en genezen kunnen worden, maar dan spreekt hij over doden, die opgewekt moeten worden De bede uit Psalm 51: schep een reine Geest in mij, is de bede van als het ware een dode om een nieuwe schepping. De vervreemding van God is volledig, en deze vervreemding betekent de dood voor de ziel. Zoals het onttrekken van de verborgen kracht van de geest een lichamelijke dood tot gevolg heeft; zo heeft het verlies van de gaven van de Heilige Geest de geestelijke dood tot gevolg. De mens als tempel van de Geest is de behuizing van de Satan geworden. Daarom is de wedergeboorte een nova creatio of een secunda creatio (nieuwe schepping of tweede schepping).

Wel verderving maar geen vernietiging
De vraag, die hier boven komt, is, of er dan werkelijk niets meer van de oorspronkelijke goedheid van de mens is overgebleven.
In dit verband gaat de onderscheiding die Calvijn maakt tussen de mens als schepsel en als beelddrager van God een rol spelen. Want nu kan Calvijn zeggen, dat het onttrekken van de gaven van de Geest wel het goede gebruik van verstand en wil onmogelijk heeft gemaakt, maar niet het gebruik daarvan alszodanig. De zondeval betekent, dus wel de verderving van de menselijke natuur, maar geen vernietiging van de menselijke natuur.

Er is zoiets als een restant van het beeld van God overgebleven. Calvijn zegt ergens, dat dit beeld van God bijna uitgeroeid is.
In de loop van de tijd heeft men op verschillende manieren van deze uitspraak van Calvijn gebruik gemaakt. Wij denken aan het geschil tussen Barth en Brunner over het aanknopingspunt, waarbij beiden meenden te kunnen teruggrijpen op Calvijn. Maar het is toch wel duidelijk, dat deze rest van het beeld Gods bij Calvijn niet de betekenis heeft van 'n 'Offen- barungsmadhtigkeit’ (het vermogen om de Openbaring te beantwoorden) of ’Wort- empfanglichkeit' (ontvankelijk voor het Woord) of een aanspreekbaar zijn.
Wat Calvijn ermee heeft willen zeggen, is dat de mens na het verliezen van het beeld Gods in de zondeval geen dier is geworden. En dan is het van het grootste belang, waartoe de gevallen mens mens is gebleven. Niet om hem toch weer ’n duwtje te geven in de richting van God. Want dan geldt, dat hij zelfs minder dan een hond en een ezel is geworden. Maar dat de mens ondanks en in zijn verdorven zijn toch mens is gebleven, is daarom, omdat God deze zondige mens toch verantwoordelijk blijft stellen en deze mens omdat hij mens is zich niet zou kunnen verontschuldigen. Het feit, dat de mens geen dier is geworden, betekent voor hem, dat hij het gericht van God niet ontloopt.
Maar het betekent ook, dat God toch ergens aan zijn mens als schepsel ook trouw blijft. Ook in de gevallen mens blijft het herkenbaar, dat hij uit Gods hand komt. God houdt ook in de gevallen mens het doel voor ogen, dat Hij met die mens in zijn schepping gehad heeft.
Het kan ook anders benaderd worden, vanuit het wezen van de zonde bezien. De zonde is geen substantie in en van de natuur, maar zij is accidens, bijkomende oriëntatie, desoriëntatie van deze natuur. Die desoriëntatie heeft wel volkomen ruïneuze gevolgen, maar zij ruïneert niet de natuur van de mens als mens.
Söhngen spreekt in dit verband van twee-erlei natuur-begrip, dat bij Calvijn gevonden kan worden. Het bijbels-heilshis- torische als door de zonde verdorven natuur, en het abstract-metafysische, waarin de natuur van de mens blijft die ze is.
In feite overheerst echter de eerste. Pat blijkt vooral, zoals wij reeds opmerkten, uit de radicaliteit van de verlossing, in de wedergeboorte van de mens. Die radicaliteit is die van de goddelijke genade. Calvijn zegt dan, dat Gods genade ondeelbaar is. Wanneer de mens begint Gods wil te doen, gebeurt dat niet in een samenwerken van God met de vrije wil van de mens. Van een coöperatie of een concursus (samengaan) van God en mens is geen sprake. Wie zo denkt, maakt zich schuldig aan een nieuw Pelagianisme. Het gaat niet minder dan om een scheppen van een nieuwe wil. En waar het om cre-atio gaat, is God uitsluitend aan het werk. De Heilige Geest is nooit alleen maar coöperator (medewerker), maar Hij is altijd creator (Schepper).
Alleen kunnen wij hier niet spreken van een creatio e nihilo (Schepping uit het niets). Het betreft veeleer een vernieuwing van de wil, een ’Wiederherstellung’. Maar dit herstel heeft de kwaliteit van een creatie.

De menselijke goedheid
Nu komt natuurlijk wel de vraag naar voren, hoe Calvijn dan een plaats weet (te geven aan wat er in deze wereld aan menselijke goedheid op allerlei gebied te vinden is. Het is bekend, dat Calvijn daar zelf niet blind voor geweest is en daar zelfs nog al positief zich over uitgesproken heeft. Wij denken dan allicht aan de betekenis, die de z.g. algemene genade bij Calvijn heeft ontvangen, die later in de gemene gratieleer van Kuyper in het neo-calvinisme zo’n grote rol is gaan spelen, en die toch eigenlijk ook in de discussie van vandaag op de achtergrond van grote invloed is.
Als wij Calvijn lezen, blijkt, dat het feit, dat de mens sinds de val geen dier is geworden, maar mens is gebleven, te danken is aan de algemene genade in standhouding van deze mens door God. Het is zijn gratia generalis (algemene genade).
Ook hier speelt de Heilige Geest weer een centrale rol. Calvijn spreekt van de natuurlijke werkzaamheid van de Geest. We moeten echter niet denken, dat dit een relativering inhoudt van de radicale negatieve beoordeling van de zondige mens. Integendeel. Zij accentueert juist deze radicaliteit. Want dat er in deze wereld toch nog zoveel goeds en zoveel gerechtigheid en menselijke kundigheid te vinden is, dat kan nooit, gezien zijn vergaande verdorvenheid door de zonde, van de mens zelf uit te verklaren zijn. Zij is alleen te verklaren uit de genade van God. De verdorvenheid van de mens gaat namelijk zo ver, dat zelfs deze algemene menselijke goedheid van daaruit onverklaarbaar is.

Nu stoten wij hier bij Calvijn op een uiterst belangrijke onderscheiding. Was het bij Zwingli zo, dat dit algemene werk van de Geest, dat ook bij de heidenen valt aan te treffen, een teken is van goddelijke verkiezing, zodat zelfs Plato en, zoals Zwingli zegt, de grote theoloog Seneca een geopende hemeldeur zullen gevonden hebben, Calvijn maakt dan een wezenlijk onderscheid tussen de algemene gaven van de Geest, die uitgaat van God die de wereld onderhoudt en van Christus als de eeuwige Zoon van God èn de gave van de Geest van het kinderschap, die uitgaat van de Verkiezende God en van de middelaar Jezus Christus en die het eeuwig behoud insluit. Vandaar Calvijns spreken over een gratia generalis.
Calvijns leer van de algemene genade komt voort uit de verwondering, dat deze zondige wereld nog geen hel is geworden. Dat het nog menselijk toegaat. Dat is niet aan de mens zelf te danken, maar aan de Heilige Geest, de unicus omnium bonorum fons (de enige bron van alle goede dingen).
In feite geeft dit slechts aan deze gratia generalis een bescheiden plaats, die lang niet zo ver reikt als de gemene gratie bij Kuyper. Want alles wat door deze genade gegeven en in stand gehouden wordt voltrekt zich in het kader van de zonde. Ze is geen structuurprincipe van een cultuurfilosofie en ook geen verklaringsprincipe van alles wat goed en Waar en mooi is in deze wereld, zoals de oud-kerkelijke apologeten dit maakten van de idee van de Logos spermatikos (de in deze wereld aanwezige goddelijke Logos).
En wat vooral belangrijk is, is dat Calvijn deze gratia generalis zorgvuldig gescheiden houdt van de gave van de Geest van het kindschap. We zullen in het vervolg nog zien, dat dit verstrekkende gevolgen heeft.

De algemene gaven
Ik wil eerst er nog even op wijzen, dat die algemene gaven van de Heilige Geest bij Calvijn wel het volle pond krijgen. Wij zouden in dit verband kunnen spreken over de speciale charismata van de Geest, die toch onder dit algemene werk van de Geest ressorteren, omdat zij niet de zaligheid insluiten. Deze speciale gaven van de Geest worden vooral aangetroffen bij degenen, die de openbare ambten bekleden bij de overheid en in de kerk. Vandaar, dat Calvijn speciale voorkeur had voor een aristocratische regeringsvorm, wel te onderscheiden van de plutocratische. De laatste wordt gevormd door hen, die de meeste rijkdom bezitten, maar de eerste wordt gevormd door hen, die de gaven hebben ontvangen om dit ambt te bekleden. Het staat dus in verbrand met wat wel eens genoemd is het pneumato- cratisch denken van Calvijn. Vandaar dat hij ook de erfelijke monarchie afwees. Want de gaven van de Geest gaan hun eigen weg. Je zou hier zelfs een parallel kunnen ontdekken met Calvijns verkiezingsleer. Zoals de verkiezing Gods in de zaligmakende genade van de Geest haar eigen weg gaat, zo gaat de gratia generalis van diezelfde Geest in het openbare leven ook haar eigen weg. En zoals het voor de christen geboden is om aan dit souvereine handelen tot behoud zich gewonnen te geven, zo is het ook voor hevolk geboden zich aan deze openbare ambtelijke charismatische souvereiniteit van de Geest zich gewonnen te geven. Daarom wees Calvijn niet alleen de erfelijke monarchie af, maar ook de democratie. Beide staan onder de critiek van de pneumatocrptie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het reformatorisch denken over de vrijheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's