Het reformatorisch denken over de vrijheid
3
We willen in dit derde artikel nog weer terugkomen op de onderscheiding tussen het algemene werk en het, laat ik het maar zo zeggen, zaligmakende werk van de Geest. Ligt hier nu geen enkele verbinding tussen?
De vorige keer merkten wij op, dat Calvijn dit algemene werk van de Geest afleidt uit de algemene, deze wereld in stand houdende, goedheid van God de Vader en van Christus als de eeuwige Zoon van God. Echter op één plaats, nl. in een preek over Jes. 53 : 12, zegt Calvijn, dat alle genadegaven van de Geest gezien moeten worden als de overwinningsbuit op de opgestane Christus. Het zou niet onaantrekkelijk zijn om op deze uitspraak voort te borduren en dan b.v. tot deze opvatting te komen, dat de opgestane Christus niet alleen het Hoofd van zijn kerk is, maar ook het Hoofd van de wereld, van de kosmos, en dat hij zo de ganse schepping vervult met zijn gaven. Wat er dan aan goeds in deze wereld te vinden is, ook buiten de kerk en buiten het christelijk geloof om, zou dan toch aan de gekruisigde en opgestane Christus te danken zijn. Een gedachte, die ons niet vreemd in de oren klinkt. Maar toch doen wij dan aan Calvijn geen recht. Want deze gedachtenlijn komt bij hem gewoon niet voor. Er blijft een zorgvuldig onderscheid tussen het algemene en het zaligmakende, tussen God de Onderhouder en God die de verkiezende God is, tussen Christus als de eeuwige Zoon, die als zodanig bij de schepping en de onderhouding daarvan betrokken is en Jezus Christus, die de gestorven en opgestane Zaligmaker van zijn kerk is.
En als er dan toch een verbindingslijn getrokken moet worden, dan is het deze, dat er gaven van de Geest zijn om de gevallen mensheid voor de vernietiging te bewaren, opdat er zodoende ruimte komt voor de verkondiging van het reddende evangelie. Daarom zijn deze algemene gaven van de Geest tijdelijk. In het eschaton zullen zij er niet meer zijn. Want dan zijn alleen de eschatologische gaven van Geest er nog in de nieuwe creatuur, die er is dank zij de redding door Jezus Christus, in de gave van het kindschap van God.
Het Koninkrijk van God
Dit brengt ons tot de vraag, hoe Calvijn gedacht heeft over de aanwezigheid van het Koninkrijk van God in deze wereld. Dan blijkt, dat hij ook hier deze particularistische lijn voortzet. Wel weet Calvijn ook te spreken van de macht, die Christus bezit over deze gehele wereld, maar deze treedt bij hem geheel op de achtergrond vergeleken met Christus' heerschappij over zijn kerk. Dat Christus macht heeft over alles is Hem gegeven krachtens Zijn deelhebben aan de goddelijke kracht en majesteit, maar dit heeft niets te maken met het eigenlijke koningschap van Christus. Het behoort niet tot zijn heerschappij, die Hem als de verhoogde door de Vader is toebedeeld. Wanneer Calvijn daarover spreekt, denkt hij niet aan het algemene wereldonderhoudende werken van Christus, maar aan zijn regering, die geheel en al op de kerk zich richt en terwille van haar plaatsvindt. Het is het regeren van Christus door zijn Woord en Geest. Het is de spiritualis ecclesiae gubernatio (de geestelijke regering van de kerk). Wordt er dus door Calvijn over het Rijk van Christus gesproken, dan bedoelt hij daarmee de Kerk van Christus. Zij vormt het regnum Christi spirituale (het geestelijke Rijk van Christus). Waarbij vooral de woorden 'regnum' en 'spirituale’ voor ons, ik dacht ook in de discussie van vandaag, veelbetekenende woorden zijn. Tegenover dit regnum Christi staat het regnum Satanae. Want Christus heeft zijn residentie in de kerk, en daarbuiten, extra non est nisi Satanae dominium (is alleen de heerschappij van Satan). Zoals Christus regeert in de ecclesia regeert Satan buiten de ecclesia.
Het is dus wel heel duidelijk, dat Calvijn het Rijk van Christus vereenzelvigt met de ecclesia. Daarbij verdient het opmerking, dat hij Rijk van Christus en Rijk van God naast elkaar gebruikt. Dit Rijk van God kan ook weer de algemene heerschappij van God over de gehele wereld aanduiden, maar het eigenlijke accent ligt toch in Zijn heerschappij, die gaat over de kerk. Er is dus een zeer nauwe verbinding, om niet te spreken van een identificatie tussen het Koninkrijk Gods in de wereld en de ecclesia.
En dan komt daar nog bij, dat deze heerschappij van Christus, die langzaamaan in deze wereld zich uitbreidt, een duidelijk individueel karakter draagt, namelijk in deze zin, dat de strijd tussen het Rijk van Christus tegen dat van Satan zich voltrekt op de manier, dat mensen door het geloof in het Evangelie uit de macht van de duivel worden getrokken en onder de koninklijke heerschappij van Christus gesteld, die hun de zonden vergeeft en de macht der zonden in hen te niet doet. De progressiviteit van het Rijk van Christus is dus de progressiviteit van de heiliging. Waar de Geest zich doorzet tegenover het vlees, de zondige begeerten langzaamaan worden uitgedreven, want dat zijn de soldaten van de duivel, die het Rijk van God weerstaan, daar komt het Rijk van Christus. Christus verovert de wereld door zijn Woord en Geest, d.w.z. door het toebrengen van zondaren, in vergeving en vernieuwing. Wanneer wij om het Rijk van God bidden, bidden wij om deze overwinning.
Wet en gehoorzaamheid
Voordat wij aan een afronding toekomen, wil ik eerst nog enkele woorden wijden aan de betekenis van de wet en de gehoorzaamheid bij Calvijn. Zo juist spraken wij over de heiliging, waarin het Rijk van Christus aanwezig is en zich doet gelden. Nu kunnen wij van deze heiliging zeggen, zoals P. Jacobs dat doet, dat zij de ontvouwing is, de tertius usus (het derde gebruik) van de Wet, namelijk in het stuk van de dankbaarheid. Zij wordt door Calvijn ook genoemd de usus spiritualis (het geestelijk gebruik) en vormt in onderscheid met Luther de voornaamste functie ; van de wet.
Ze hoort bij de heiliging omdat de Geest in de wedergeboorte de mens in staat stelt om de wil van God te kennen en hem gewillig maakt tot de gehoorzaamheid aan deze wil. Dat is geen gedwongen maar een spontane gehoorzaamheid. De wil wordt bevrijd tot gehoorzaamheid. Daarin beleeft zij haar vrijheid. De Geest drijft ons, en toch worden wij niet gedreven. Ze is een ethelodouleia, een gewillige dienstbaarheid.
Deze gehoorzaamheid is gehoorzaamheid aan Gods wet. Het is belangrijk daarop te wijzen, omdat Calvijn tegen de Dopers, die zich beriepen op de leiding van de Geest, altijd hardnekkig gesteld heeft, dat die leiding van de Geest geen leiding is, die aan de Wet van God voorbijleidt. De Geest is namelijk geen unruhiges Gespenst (onrustige spook), maar Hij is de Geest, die uit de Schrift gekend wordt en die zich aan de Schrift bindt en die zich ook aan de Wet van God bindt en die naar de gehoorzaamheid aan deze Wet toeleidt. Er is wel een buitengewone leiding van de Geest, maar die is dan ook buiten-gewoon. Daar mag geen regel van gemaakt worden. De Geest maakt mij bekend, wat God van mij vraagt in zijn Woord. En Hij beweegt mijn hart en maakt het bereid tot gehoorzaamheid. De directio spiritualis (de leiding van de Geest) is onlosmakelijk verbonden met Gods gebod en vermaning in de Heilige Schrift.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's