Macht en onmacht van Satan
4
Christus Victor
Christus is machtig in woorden en in werken. Hij heeft genezen wie door de duivelen overweldigd waren Hand. 10 : 38. En de mensen hebben zich verwonderd, zeggende in de synagoge: Wat woord is dit, dat Hij met macht (volmacht, exousia) en kracht (dynamis) de onreine geesten gebiedt en zij varen uit! Luc. 4 : 36. Het rijk van Satan wordt door een sterk gewapende overwonnen: Christus verbreekt de poorten der hel. De duivel ligt onder het oordeel, maar dat betekent nog niet, dat zijn rol is uitgespeeld. Onder het oordeel : De Heere heeft de engelen, die gezondigd hebben niet gespaard, maar hen in hel (de tartaros, een woord dat slechts eenmaal in het Nieuwe Testament voorkomt; de afgrond) geworpen hebbende overgegeven aan de ketenen der duisternis om tot het oordeel te worden bewaard. (2 Petr. 2 :4; zie Jud. vs. 6) Maar dat woord laat zien, hoe de rol des bozen nog niet uit is. De duivel weet, dat hij een kleine tijd heeft (Op. 12 : 12) en daarom zijn grote haast. Hoe dichter bij de eindtijd hoe meer energie zal de boze ontplooien tegen het koninkrijk van Christus. Het boek der Openbaring is er vol van. Wee degenen, die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is tot u afgekomen en heeft grote toorn, 'ziedend van woede en wetend, dat zijn dagen geteld zijn’. Zou het niet van menig leven gelden, dat de duivel zijn aanvallen verhevigt hoe meer het einde nadert om u de grond onder de voeten weg te trekken? De duivel is er op uit zoveel mogelijk mensen mee te slepen in de zuigkracht van de golven des doods en des verderfs, waarin hijzelf zal wegzinken. De duivel is een macht om voor te schrikken; niet zomaar staat in het gebed des Heeren: Verlos ons van de boze. En de Heidelbergse Catechismus herinnert er ons aan, dat wij in onszelf zo zwak zijn, dat wij niet één ogenblik kunnen bestaan, terwijl de doodvijanden, de duivel (die voorop), de wereld en ons eigen vlees niet ophouden ons aan te vechten. (Zond. 52a). Wie zal zichzelf uit het geweld van de duivel bevrijden? Daarvoor is meer nodig dan menselijke overreding! De strijd met de doodvijand gaat alle menselijke inspanning en bevatting te boven. Maar één ding is zeker: Satan staat onder Gods almachtige regering en kracht, onder 's Heeren bevel en toelating. 'Houd het daarvoor, dat de duivelen zo aan God onderworpen zijn, dat zij zonder zijn verlof (permissio) zich in genen dele kunnen roeren en bewegen’ (Calvijn). In dit verband (1 Sam. 16 : 14) herinnert Calvijn aan de geschiedenis van Job. Al worden wij door God geslagen en al verleent Hij aan de duivel enige macht over ons (let eens extra op dat woord enige!) dan is het niet zo, dat de duivel mag doen wat hij wil en de moeiten en plagen en rampen zullen niet ter verderve voeren, welke hij ook toebrengt'. Daarom, als wij door de duivel gekweld worden, laten wij dan niet menen, dat Gods hand niet machtiger (superior) is (dan die van de boze), maar veelmeer, dat God de duivelen als instrumenten gebruikt, als gesels om onzer zonde wil’ (Calvijn). En dan is de belofte nog altijd waar: De God des vredes zal Satan haast onder uwe voeten verpletteren. Rom. 16 :20. En de Heere maakt Zijn Woord waar en Hij doet geen half werk, vroeger niet en vandaag niet!
De leeuw aan de ketting
Als Christenen in de Pelgrimsreis geen stap verder durft te gaan uit vrees voor leeuwen op zijn pad, dan vermaant Waakzaam hem: Vrees de leeuwen niet, want zij zijn geketend en liggen hier om het geloof te beproeven en hen te ontdekken, die het niet bezitten. Toen hij al bevende voortging uit vrees voor de leeuwen hoorde hij hen wel brullen, maar zij deden hem geen kwaad!
Gegeven macht
Iets van de kracht des Heeren is in de apostelen openbaar geworden. Zij hebben in de naam des Heeren zieken genezen en in de naam des Heeren duivelen uitgeworpen. En vol vreugde kwamen zij met hun ervaringen tot hun Meester: Zelfs de duivelen waren ons onderworpen in Uw Naam. En wat was Christus’ antwoord? Ik geef u macht... over alle kracht des vijands... Doch verblijdt u daarin niet dat de geesten (de pneumata) zijn onderworpen, maar verblijdt u veelmeer, dat uwe namen zijn geschreven in de hemelen. Zij wierpen de duivelen niet in eigen kracht uit, de kracht van Christus werd openbaar. En toch — Verblijdt u daarover niet. Dat is een ernstige waarschuwende vermaning om niet bij de uiterlijke wonderen te blijven staan. ’Aan deze ziekte lijden bijna alle gelovigen, dat zij zich bovenmate verheugen in genade, die betrekking heeft op tijdelijke dingen, en het hart niet opheffen naar de hemel, Van vreugde, die voorbijgaat moeten zij weggetrokken worden om te roemen in het eeuwige leven en daarom leidt Hij hen terug naar de oorsprong en de fontein daarvan, dat zij van God uiterkoren en tot kinderen zijn aangenomen. Uwe namen geschreven in de hemelen, dat is daar waar de duivel niet komen kan.
Dan ligt er nog een waarschuwing. Heeft Christus aan zijn discipelen niet voorgehouden, dat er in de grote dag mensen zeggen zullen: Heere, hebben wij niet in Uw Naam duivelen uitgeworpen en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hen openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend, gij, die de ongerechtigheid wekt. Matth. 7 : 22.
Het gekraakte pand
Niet minder worden wij gewaarschuwd door wat Christus ons leert over de onreine geest, die van de mens is uitgevaren. Hij zoek rust ’in dorre plaatsen', d.i. in de woestijn, waar de duivelen huizen, maar vindt het met bezemen gekeerd en versierd d.w.z. alles is netjes en opgeruimd. Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf is en ingegaan zijnde wonen zij aldaar en het laatste van die mens is erger dan het eerste.
De verklaring van deze gelijkenis is verre van eenvoudig. De toepassing ligt in het woord: Alzo zal het zijn met dit boos geslacht. ’t Zal met dat volk gaan van kwaad tot erger. Het lege hart trekt de boze geesten tot zich. Dat pand wordt gekraakt door de boze geest, die anderen met zich meeneemt. Alleen als Christus door het geloof in het hart woont is het hart des mensen bewaard. En alleen in die weg. Spreekt dit woord van bekering van de zonde tot de deugd? Iemand leeft in uitbrekende zonde, waardoor hij zich zelf en misschien ook zijn gezin ruïneert. Als deze man van de duivel van drankzucht en speelzucht of van de duivel van geldzucht of één van de vele zonden, waarvan de duivel de inspirator is, is bevrijd, is hij dan een kind van God en naar ziel en lichaam behouden? Wee als deze man niet boven alles begeert de inwoning van Gods heilige Geest om hem te reinigen van alle zonde en te heiligen tot een tempel des Geestes. De duivel zal terugkomen en anderen met zich nemen en de uiterlijke vernieuwing en verbetering is weg en dieper dan óóit is deze mens aan de macht der bozen overgegeven. Moeten wij ook niet denken aan de afval van het geloof? Men zegt wel, dat deze gelijkenis een treffende illustratie is van wat in 2 Petr. 2:19v en in Hebr. 6 : 4-8 over de afval geschreven is. Daar wordt erop gewezen hoe degenen die nadat zij door de kennis van de Heere en Zaligmaker Jezus Christus de besmettingen der wereld ontvloden en in deze weer zijn ingewikkeld en verstrikt en daardoor overwonnen zijn, in hun laatste erger geworden zijn dan het eerste. Want het ware hun beter, dat zij de weg der gerechtigheid niet gekend hadden en dat zij die gekend hebbende zich weder afkeren van het heilige gebod dat hun overgegeven was. Het is een verschrikkelijk woord, maar het is wel in overeenstemming met wat Paulus zegt, als wij proberen dit schriftgedeelte weer te geven met: beter een heiden dan een renegaat.
De zonen van Sceva, een waarschuwing
En dan is er nog een geschiedenis, die in dit verband moet worden vermeld, en wel over de zeven zonen van Sceva (De Statenvertaling spreekt van duivelbezweerders, waarbij het woord duivel cursief gedrukt wordt ten teken, dat dit woord in de Griekse tekst niet staat; het Grieks heeft exorcisten, duiveluitbanners). Over wie boze geesten hadden waagden zij het de naam van Jezus uit te roepen: Wij bezweren u bij Jezus, die Paulus predikt; maar dat pakte verkeerd uit. De boze geest riep: Jezus ken ik en van Paulus weet ik, maar gijlieden, wie zijt gij? (Hand. 19 : 13v). En de mens in wie de boze geest was sprong op deze duivelbanners af en naakt en gewond moesten zij uit het huis vluchten. De naam des Heeren wordt hier 'tot toverij’ gebruikt en dat valt onder zonde tegen het derde gebod; hier wordt de Naam des Heeren ijdel gebruikt. Calvijn tekent hierbij aan: De wonderen, die de naam van Christus verduisteren zijn niet anders dan gegoochel van Satan waardoor de ogen worden verblind.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's