De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

10 minuten leestijd

Gevulde algemeenheid met betrekking tot het onderwijs
Wat verstaan we hieronder? Is gevulde algemeenheid hetzelfde als neutraliteit? Dat wil het niet zijn. Men bedoelt met deze term samenwerkingsvormen van verschillende levensovertuigingen waarbij men vanuit eigen overtuiging komt tot ontmoeting met de ander en ook zijn inbreng heeft. In gezinsverzorging, kruisverenigingen enz. komen we deze gedachtengang al jarenlang tegen. In het blad 'De vrije natie' van december 1975 staat een verslag van een lezing van drs. G. van Leyenhorst waarin deze laat zien wat met betrekking tot die gevulde algemeenheid op het spel staat inzake het christelijk onderwijs. Een en ander hangt samen met de onderwijsplannen zoals die in enkele nota’s door de minister van onderwijs ontvouwd zijn. Genoemde nota is een soort blauwdruk voor de komende jaren. Een discussiestuk dat uiteraard toch grote gevolgen kan hebben. Allereerst is er de stapeling van het onderwijs: de basisschool (leerlingen van 4-12 jr); de middenschool voor leerlingen van 12-16 jaar met als motief: gelijke kansen voor iedereen. Deze beide onderwijsvormen worden dan funderend onderwijs genoemd, daarop komt dan de bovenschool (welke Havo, Atheneum, Gymnasium, MTS en Middelbaar huishoudonderwijs omvat) voor de leerlingen boven 16 jaar. Men leidt op voor een beroep, ze omvat ook een groep leerlingen die door kan gaan naar het Hoger onderwijs (Hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs). Beide hogere onderwijsvormen zullen gaan samenhangen, in die zin dat b.v. de P.A. verbonden wordt aan een sociale faculteit. Nogmaals dit zijn plannen die in een discussienota uiteengezet worden, maar Van Leyenhorst wijst erop dat de minister met name met de middenschool méér wil dan experimenteren. Bovendien kan een experimenteel plroces toch het risico in zich bergen dat men op een gegeven moment niet meer terug kan. Willen deze schooltypen kans van slagen hebben dan zullen grote scholen moeten worden gesticht. Deze schaalvergroting betekent dat het in kleinere plaatsen moeilijk kan worden een protestants-christelijke school op te richten naast een openbare b.v. Die schaalvergroting kan dus een aantasting van vrijheid in zich bevatten.
Bovendien is de koppeling van de Pedagogische Academies aan een sociale faculteit niet zonder gevaren voor de zelfstandigheid van de christelijke instellingen.
Maar er is meer. Ter begeleiding en ondersteuning van die vernieuwingen stelt men zich voor een verzorgingsstructuur op te stellen (schoolbegeleidingsdiensten, die in samenwerking met CRM werken; stichting- leerplan-ontwikkeling).
Wat die laatste stichting betreft zou dat een neutrale stichting moeten worden met een bestuur van 30 leden waarin dan 5 protestantse en 6 r.k. vertegenwoordigers zitting hebben. Ruim een derde dus, terwijl deze 2 onderwijstypen in Nederland ongeveer 65 procent vertegenwoordigen van het onderwijs. Ook hier zou de minister een grote invloed krijgen door een vetorecht en voorkeursrecht. Een alternatief leerplan (b.v. van een christelijke school) kan slechts ingediend worden indien 8 van de 30 leden van de SLO hier mee instemmen. Terecht schrijft Van Leyenhorst dat, wanneer dit ooit gerealiseerd wordt, de vrijheid van onderwijs via het getal 8 veroverd moet worden. Van Leyenhorst acht een dergelijke centralistische opzet (gezien de invloed van CRM enz.) problematisch voor het protestantschristelijk onderwijs.

Leerplanontwikkeling, begeleiding en ondersteuning van het onderwijs zijn inrichtingsaspecten. Behalve de vrijheid van richting is ook de vrijheid van inrichting vanhet onderwjs in art. 208 van de grondwet vastgelegd. De minister ontkent die vrijheid van inrichting, maar er staat duidelijk dat de school zelf zijn leermiddelen mag bepalen en ook kan komen tot aanstelling van eigen leerkrachten. Er staat met name leermiddelen, dus je kunt dit op twee manieren lezen: met name in de zin van: dat in elk geval, doch ook naast andere dingen die daarbij te pas komen. De tekst moet gelezen worden vanuit zijn historische achtergrond, het jaar 1917, toen de gelijkberechting van openbaar en bijzonder onderwijs tot stand is gekomen.
Natuurlijk zijn in de grondwet deugdelijkheidseisen gesteld welke bijvoorbeeld betrekking hebben op de wijze, waarop overheidsgelden worden en besteed en op het onderwijs niveau, dat centraal wordt geregeld. Maar de minister gaat die deugdelijkheid afhankelijk stellen van de nieuwe maatschappelijke inzichten welke moeten worden gerealiseerd.
Dan spreekt hij over een ontmoetingspunt tussen die deugdelijkheidseisen en de vrijheid van inrichting van onderwijs. Dat ontmoetingspunt is een woord, waarmee de zaak niet scherp kan worden aangedufd en dus vaag blijft.
Uit de Contourennota blijkt dat voor de minister vrijheid van onderwijs in het algemeen decentralisatie betekent. Dat is dan een gedelegeerde vrijheid aan de school.
De grondwet spreekt in art. 208 niet over decentralisatie maar over de vrijheid van bijzonder onderwijs en die vrijheid komt van onderop. Die grondwettelijke vrijheid betekent, dat ouders het recht is gegeven eigen scholen te stichten voor hun kinderen overeenkomstig datgene wat zij vanuit hun eigen levensovertuiging noodzakelijk achten. Dat kan een samenwerkingsschool zijn, een protestants-christelijke school, een bepaalde reformatorische school of een vrijgemaakte school.
Het type school mag echter niet van bovenaf opgelegd worden, zo mag de vrijheid van onderwijs niet onmogelijk gemaakt worden doordat de overheid b.v. een samenwerkingsschool tracht op te leggen.
Wat wordt nu de vulling van de algemeenheid?
Uit de socialistische hoek komen dan stemmen die in alle toonaarden de lof bezingen van de samenwerkingsschool. Op zo’n school immers kunnen de protestants-christelijken met volle overtuiging brengen wat zij noodzakelijk achten, maar de roomskatholieken moeten het ook kunnen en ook de humanisten en de mohammedanen. De protestantschristelijken komen dan echter in conflict met het christelijk geloof, met datgene wat zij met overtuiging belijden, n.1. dat het evangelie van Jezus Christus uniek is, zodat geen andere overtuigingen zich daarnaast verdragen of op één lijn gezet kunnen worden naast het geopenbaarde Woord van God. Dat moest de overheid begrijpen. Vanuit die overtuiging moet zij dan ook niet zeggen: de nieuwe maatschappelijke inzichten zijn zo geweldig belangrijk, dat ze moeten worden omgezet in de taal en de vorm en de inhoud van het onderwijs. Zij zal omgekeerd-historisch-juridisch en niet sociolologisch-actueel moeten redeneren: Er is de vrijheid van onderwijs en binnen de bestaande mogelijkheden en op dat historisch-juridisch gegeven zal zij die maatschappelijke ontwikkelingen via het onderwijs moeten enten.
In de toekomst zullen er voor de scholen twee subsidievoorwaarden kunnen gelden, t.w. overeenstemming van het in te dienen schoolwerkplan met de identiteit die de school voorgeeft te hebben èn democratisering binnen die school, die tot op een zekere hoogte moet zijn doorgevoerd.

Het is een goede zaak dat we op deze wijze voorgelicht worden. Een oud-vaderlandslied begint met de regel: ’O Nederland, let op uw saeck’. Laat men niet te vlug zeggen: och, zo’n praatpapier.... dat loopt zo'n vaart niet. Laten we juist als het christelijk onderwijs ons lief is, op onze post zijn en waakzaam zijn. Laksheid, — en dat is een gevaar wat we op onderwijsgebied helaas binnen de kerken nogal eens tegenkomen — zou ons wel eens kunnen berouwen.

Kuitert en Bavinck
In Koers van 19 december gaat Prof. dr. W. H. Velema in op een zinsnede van Kuitert, uitgesproken op de laatste zitting van de Generale Synode der Geref. Kerken. Volgens een verslag zou Kuitert n.a.v. zijn boek 'Zonder geloof vaart niemand wel’ gezegd hebben: ’U kunt onmiddellijk terug naar de dogmatiek van Bavinck’. Dat is voor Velema aanleiding om het enorme verschil tussen H. Bavinck en H. M. Kuitert in theologicis te laten zien. Wat in Kuitert’s openbaringsbeschouwing ontbreekt, is, aldus Velema, de gedachte dat God subject van de openbaring is en dat we in de Schrift met Gods eigen, directe spreken te maken hebben. Gods openbaring bestaat in ons spreken over God, volgens Kuitert, en blijft binnen die cirkel gevangen; en dus is die openbaring nooit af.
Op dit punt is er geen vergelijk met Bavinck.

Men kan zeggen dat Bavincks openbaringsleer juist bestaat in het bestrijden van de stelling die Kuitert met veel verve verdedigt. In andere bewoordingen en binnen andere gedachtenstelsels kende J. Bavinck dit standpunt ook reeds. Hij heeft er zijn uiterste best opgedaan om deze stelling te weerspreken en vanuit de Schrift te weerleggen.
Het is niet wel mogelijk om Bavinck uitvoerig te citeren. Trouwens aan het citeren zou geen einde komen. Ik haal enkel aan wat te lezen valt op blz. 453 (deel 1, 3e druk 1918) 'Met name is de theopneustie een spreken Gods tot ons door den mond van profeten en apostelen, zodat hun woord Gods woord is’. Hier wordt het subject zijn van God ten volle geëerbiedigd. Heel de gedachtengang van een voortgaande openbaring, zoals die in het door ons weergegeven betoog van Kuitert ligt opgesloten, is in directe strijd met Bavincks leer van de genoegzaamheid van de Heilige Schrift. Van die leer heeft Bavinck niet het monopolie. Men zie naar hoevele reformatorische theologen Bavinck verwijst om zijn staan in de gereformeerde traditie aan te tonen.
Men moet óf van Bavinck niets begrepen hebben, óf door eigen vooroordelen radikaal verblind zijn, óf oneerlijk zijn om te zeggen dat dit betoog van Kuitert zomaar onmiddellijk bij Bavinck is terug te vinden. De laatste mogelijkheid die ik opperde, wil ik geheel buitensluiten. Tussen de beide andere doe ik geen keus. Maar niemand late zich wijs maken dat er tussen Kuiterts theologie en die van Bavinck een continuïteit is. Groter discontinuïteit is nauwelijks denkbaar. Laten we wat dit betreft de dingen toch zuiver houden. Men kan inderdaad menen een heel andere kant te moeten uitgaan, maar dan moet men niet zeggen: Dat kun je zo bij Bavinck vinden. Dat is eenvoudig niet waar. Het zou niet weinigen helpen en de duidelijkheid zeer bevorderen, wanneer anderen binnen de Gereformeerde Kerken dit oordeel publiekelijk onderschreven.

Ook inzake de vraag: Wat is geloven? gaan de wegen uiteen. Het geloof waarover Kuitert spreekt is niet betrokken op de beloften van God. Wat blijft er zo over van de zekerheid? En bijbels geloven is toch nog wel wat anders dan de algemene religiositeit. Maar ging het ook Bavinck niet om de verbinding met zijn tijdgenoten vast te houden en ligt daar soms de overeenkomst met Kuitert?

Dr. J. Veenhof heeft er in zijn dissertatie over Bavinck op gewezen dat deze voor de vraagstellingen van zijn tijd een open oog had. Moeten we de overeenkomst tussen Kuitert en Bavinck misschien in die richting zoeken? Daarop zou ik willen antwoorden, dat eventueel gelijke bedoelingen pas werkelijk overeenkomst mogen heten, als de antwoorden op dezelfde neerkomen. Dat nu is geenszins het geval. Er is inhoudelijk niet slechts een accentsverschil. Er, is een diepe kloof. Bavinck begint van God en van zijn openbaring uit. Kuitert begint van- de mens uit. Nu kan men zich nog zozeer beroepen op het verlangen om aan de moderne mens het evangelie duidelijk te maken. Dat geeft niet het recht om het uitgangspunt te veranderen en de lieIe theologie een draai van 180 graden te geven. Het is trouwens helemaal geen kunst om theologie voor het moderne oor verstaanbaar en aanvaardbaar te maken, wanneer men het onderste boven zet. Want juist in die draai zit de aanpassing. Het is veeleer een kunst om een theologie verstaanbaar door te geven met behoud van het echt reformatorische uitgangspunt. Daarop is Bavinck uitgeweest. Ook op dit punt verschilt Kuitert van hem.

Terug naar Bavinck? Het zou de Geref. Kerken geen kwaad doen, als men ernst ging maken met de erfenis die Bavinck hen heeft nagelaten. Maar het zou wel betekenen dat men daardoor de enorme tegenstelling tussen Bavinck en Kuitert niet langer kan verdoezelen en dat Kuitert geen recht van spreken heeft, als hij een rechte lijn trekt van Bavinck naar zijn boekje.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's