De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Alle bitterheid zij van u geweerd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Alle bitterheid zij van u geweerd

7 minuten leestijd

In de Saambinder van 30 december l.l. schreef ds. K. de Gier een artikel, waarin hij in het kader van een kerkelijk jaaroverzicht ook de Gereformeerde Bond onder de loep nam. Ds. de Gier meende een afbuiging van de koers van de Gereformeerde Bond te moeten signaleren t.o.v. het beleid van de vorige jaren. Door het beleid van dit moment wordt de Gereformeerde Bond naar de kant van een voorwerpelijke prediking getrokken.  Naar aanleiding van deze ongemotiveerde en niet van argumenten voorziene uitlatingen schrijft ds. W. L. Tukker bijgaand commentaar.  De Redactie.

Aan de Efeziërs schrijft de Apostel Paulus een wijs woord, een goed woord, zoals wij er zo vele van hem hebben. De gemeente van Efeze is de eerste van de zeven gemeenten, waaraan de Apostel Johannes zijn brieven zendt, in opdracht van de verheerlijkte Christus vanuit den hemel. Dit was ook de eerste en niet de slechtste gemeente. Aan deze gemeente dan geeft Paulus een veel omvattende raad (Efeze 4:31 en 32): 'Alle bitterheid en toornigheid en gramschap en geroep en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid. Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook Christus ulieden vergeven heeft’.
Aan deze dingen moest ik denken, toen ik mij opmaakte om aan onzen broeder, ds. K. de Gier uit de Gereformeerde Gemeente te Arnhem, te gaan schrijven over het oordeel, dat hij gaf over de Gereformeerde Bond in de Hervormde kerk. Hij keert zich tegen de algemeen secretaris ir. J. van der Graaf en betrekt daar dan het hoofdbestuur in, dat vergelijkende met het hoofdbestuur uit de dagen van prof. dr. J. Severijn en ds. G. Boer. Laat ik beginnen met te zeggen, dat ik ds. De Gier zo niet ken uit de vijf jaren, toen wij met een aantal predikanten uit de Gereformeerde Gemeenten, uit de Christelijke Gereformeerde kerk en uit de Gereformeerde Bond gebogen zaten over Gods Woord. Ik dacht dat dat goede samenkomsten waren, waarin wij één van hart en één van gevoelen waren. Zo heb ik ook altijd tegen deze kerken aangekeken: De Christelijke Gereformeerde kerk van ouds, de Gereformeerde Gemeenten en de Hervormde kerk, eveneens vanouds. Bijna zou ik vragen: welke kwade genius heeft u zulke gedachten ingegeven? De Christelijke Gereformeerde kerk maakt moeilijke dagen mee, de Gereformeerde Gemeenten hebben die één en ander maal doorgemaakt, en de Hervormde kerk en daar in uiteraard de Gereformeerde Bond niet weinig. Wij voor ons hebben ons nooit verheugd over de moeiten en de zorgen van deze ons nogal verwante kerken. Mij persoonlijk stuitte het zelfs tegen de borst om mij daarover publiekelijk uit te laten. Ik meen te kunnen zeggen, dat de rechtzinnige zaak in de kerken ons hart heeft en ook onze liefde. Noch van het afwijken naar links, noch van het overtrekken van de zaak naar rechts verwachten wij heil. De Schrift spreekt duidelijk van niet afdoen en niet toedoen aan de woorden dezes boeks. Met deze zorg zitten wij ook allen voor onszelf en voor onze kerken. Elk zal ook wel in zijn kerk en bij zichzelf met dingen zitten, die hij zo graag anders zou willen hebben. Wij kunnen het zelf ook niet alles brengen, waar wij het hebben willen. Ik meen in oprechtheid, dat wij zo onze zorg tot die van de anderen mogen maken en dat wij ook elkanders zorg tot de onze moeten maken.
U strekt duidelijk uw handen uit naar de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en naar de Oud-Gereformeerden. Dat is ons best. Wij hopen voor u, dat dat u gelukt en dat dat wederkerig zal zijn. In hoeveel groepen uiteengevallen, heeft de Afscheiding nu al haar zwakheid bewezen? Meent u werkelijk, dat u aldaar serieus genomen zult worden? Meent u, dat in uw eigen kerk alles van één couleur is? Meent u, dat u in uw persoon typisch is voor heel de Gereformeerde Gemeente? Toegegeven zij, dat uw kerk inderdaad een bepaald type van Gereformeerdheid vertoont. Betrekkelijk verwant aan de Gereformeerde Gemeente in Nederland, betrekkelijk verwant ook aan de Oud- Gereformeerde Gemeenten.
Is dit gelijkend op de vroegere mannen van de Nadere Reformatie, van Brakel of terug naar Voetius, A’ Marck, Maccovius, Van Maastrigt, Festus Hommius, Baudartius? Is uw Gereformeerdheid aequivalent aan die van Calvijn? Is uw gebruik van de dogmata gelijk aan dat van de Schrift, komen die dogmata in uw verkondiging in de menigvuldigheid voor, waarin zij in de Schrift voorkomen? Dit zijn vragen, die wij ook aan onszelf stellen en stellen moeten, maar die wij broederlijk ook aan u stellen.
Het is beter, als wij naar elkander toekomen, dan wanneer wij van elkander afgaan. Hoe beter u het maakt, hoe liever het ons moet zijn. Hoe beter u preekt en hoe meer uw kerkelijk en Godsdienstig leven bloeit, hoe liever het ons moet zijn. En nu het hete hangijzer, de overgangen van her naar der, van der naar her. Er was een tijd, dat veel volk uit onze kerk naar u ging. Wij begrepen dat vaak en zwegen. Er was een tijd, dat velen van ons volk naar de Christelijke Gereformeerde kerk gingen. Wij begrepen dat vaak en zwegen. Ik meen niet, dat wij toen veel op deze beide kerken hebben afgegeven. Nu is dat getij wat gekeerd en beleven wij het, dat er mannen van de gescheiden kerken naar de Hervormde kerk komen en overkomen. Dat betekent waarlijk uw faillissement niet. Het betekent ook niet de opleving van de Hervormde kerk, of van de Gereformeerde Bond in de kerk. Die heeft tenslotte driekwart eeuw een eigen leven geleefd.
Ook wat een eigen karakter gekregen, toegegeven met kanten daaraan, of soms daarnaast. Het is onze worsteling om Gereformeerd te worden in deze kerk, wéér te worden en om het te zijn. Wij leven niet graag op uw kosten en zeker niet ten koste van uw naam. Wat wij wel zoeken is dit: het Hervormde kerkvolk en dus ook onszelf met de handen zo breed uit, als het kan, te brengen op en dan te houden bij de Schrift en de belijdenis. Dat is ons oprecht bedoelen. Het zal best met gebrek zijn, en ook wel eens met uitschieters. En dan gaan wij met u mee, de Nadere Reformatie door, de Reformatie door, de Oud-Christelijke kerk met de kerkvaders door, tot het geheel van de Godsopenbaring in al de Schriften. Dat hebben wij van prof. dr. H. Visscher geleerd (waarom noemt u die nooit?) en van prof. dr. J. Severijn (die wij beter kennen dan u en ook dieper kennen — werd die onder u geprezen bij zijn leven?) en van ds. G. Boer (bedoelt u die ds. Boer, die lid was van dat Wassenaars convent rond Gravemeyer? bedoelt u die ds. Boer, die nogal Kohlbruggiaans preekte, zo in de trant van ds. Holland?). En deze mannen volgen wij. Wij hebben ze liefgehad en dat hebben wij nog. Met ons hele hart! Dat u ons zo nauwlettend gadeslaat: Als u dat broederlijk doet, met onderwijzing en vermaan, ’t kan ons tot nut en vreugde zijn. Wij ontmoeten als Bond naar links en naar rechts niet zo veel broederlijke liefde. Geven die misschien ook te weinig! Dat u de periode van Severijn en Boer voor afgesloten verklaart laten wij voor uw rekening. Laat ons dan veel kleiner zijn dan zij, maar wij zijn wel van hen en zij van ons. Dat is dus het hele bestuur. Wij vormen een eenheid, de één niet zonder de ander, de ander niet zonder de één. Wat u ir. Van der Graaf toedicht, dicht u ons allen toe. Wij staan samen voor deze zaak: de waarheid die in Christus Jezus is voor Zijn Vader, door Zijn Geest voor de kerk, voor heel de kerk. Wij willen graag ook wat voor u zijn — de gescheiden kerken — wie dan ook en hoe dan ook. Samen maar onder dat ene Hoofd en op dat enig fundament. Wij hopen er onze kracht niet in te vinden de namen als van ds. Kersten en ds. Fraanje tegen u uit te spelen.
Tenslotte willen wij dan niet onvermeld laten, dat het ons deugd doet, dat sommigen uwer, en sommigen uwer zonen, aan de Rijksuniversiteiten ook nog wat wetenschap bekomen bij ónze professoren.
W. L. Tukker
P.S. Wat ds. De Gier meende te moeten opmerken over Hoedemaker ontgaat ons ten enenmale.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Alle bitterheid zij van u geweerd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's