De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

De 'vaderloze' kultuur
Naar aanleiding van een in 1987 in Amerika verschenen studie merkt drs. H. Algra in Opbouw (22 april 1988) op, dat we leven in een 'vaderloze' kuituur, d.w.z. een samenleving zonder dat er inspirerende voorbeelden zijn. Jongeren kunnen daardoor moeilijk tot het maken van keuzen komen. Ideaal-beelden zijn er niet meer. Er is nauwelijks nog een toekomtperspektief.

'Onze samenleving draagt veel kenmerken van de "vaderloze kultuur" en draagt ook de ontwrichtende risiko's van deze kultuur met zich mee. Ook in de kerk zijn de gevolgen van deze samenleving voelbaar. Zo zegt men dat het beeld dat veel mensen zich tegenwoordig van God vormen, verband houdt met de "vaderloze kultuur". Voor hen is God afwezig, of als hij er wel is, is Hij geen persoon, maar een "Iets". Het beeld van de persoonlijke Vader verdwijnt. Of, in een andere richting: De machteloze God van Kushner, de Vader die het ook niet meer allemaal in de hand heeft. Het beeld van Jezus wordt niet bepaald door zijn goddelijke, maar door zijn menselijke eigenschappen. Jezus verzette zich tegen de bestaande orde. Hij is de ontluisterde, de ontheemde, die geen plaats had om het hoofd neer te leggen (ontleend aan: Roger Wind, Geloof in wording).
Ook in een ander opzicht komt de kerk de "Vaderloze kultuur" tegen: het nemen van beslissingen (bijv. kerkkeuze) of het op zich nemen van verantwoordelijkheden blijkt veel moeite te kosten. Men zoekt een kerk, die precies bij het eigen ideaal past, aan de eigen normen beantwoordt. Uit reaktie op de onzekerheden binnen de kerken wordt soms ook toevlucht gezocht tot een sekte, waar de leider alle beslissingen uit handen neemt.
Voor alle duidelijkheid: in het voorgaande gedeelte werd een algemeen beeld van de samenleving geschetst. Op individueel en gezinsnivo kunnen er allerlei andere oorzaken zijn waarom mensen b.v. niet tot beslissingen kunnen komen.

Bestaat er een antwoord?
Wil het voorgaand beeld van de "vaderloze kultuur" nu zeggen dat er geen antwoord is; dat we de situatie van de "opgeschorte generatie" maar over ons heen moeten laten komen? Het is een feit dat iedereen wordt beïnvloed door deze samenleving, waarin alles relatief en weinig meer zeker is. Toch zijn er antwoorden moeilijk op datgene wat hiervoor geschetst werd. De positie van de kerk is in deze kultuur niet hopeloos; juist de kerk kan een hoopvol alternatief bieden! Laten we deze antwoorden puntsgewijs samenvatten:

a. Normen en waarden zijn geen afval. Het stellen van regels is zelfs essentieel voor het leren omgaan met tegenslagen, het maken van keuzen en daarmee voor de volwassenwording.
b. Daar waar die regels niet gevoegd worden door een innerlijke overtuiging verwordt het handelen van de opvoeder tot een autoritair optreden zonder diepere betekenis. Zonder die diepere betekenis vindt ook nauwelijks overdracht van waarden plaats. Die diepere innerlijke overtuiging wordt gevoed door de prediking, het lezen uit de bijbel en het gebed.
c. Opvoeders hebben een voorbeeldfunktie voor kinderen. Ouders die zelf nauwelijks verantwoordelijkheden op zich nemen binnen de christelijke gemeente, die slechts passief gemeentelid zijn, maken het voor jongeren bijzonder moeilijk om in te leren zien dat er ook voor hen een taak is weggelegd binnen de gemeente.
d. Erkenning en stimulering zijn van grote pedagogische betekenis: aan jongeren zichtbaar en hoorbaar duidelijk maken dat ze erkend en gewaardeerd worden. Vanuit die erkenning is het ook mogelijk om jongeren (meer) verantwoordelijkheden te geven binnen de christelijke gemeente.
e. Het is bijzonder belangrijk dat opvoeders idealen hebben. Christen-opvoeders moeten zich in hun handelen niet laten overspoelen door een allesbeheersend pessimisme. Ze mogen immers tonen dat juist Christenen mogen leven vanuit het perspektief van de hoop, van de verwachting.'

Gaan we na wat in de Schift Vaderschap betekent, vooral gezien in het licht van Gods vaderschap (vgl. Ef. 3 : 15), dan komen we daann dezelfde noties tegen, die Algra in dit artikel aangeeft als richtingwijzers voor het handelen van de chistelijke gemeente. Ook Visser 't Hooft heeft er in zijn stimulerende boek over Gods Vaderschap in een tijd van emancipatie op gewezen hoe het bijbelse vaderbeeld niet onderdrukkend is maar ruimte-scheppend. Het werpt ook licht op wat echte autoriteit betekent, een gezag dat gevoed wordt door wijsheid en liefde. Het is goed om in onderwijs en opvoeding, jeugdzorg en jongerenwerk met deze aspecten bezig te zijn.

Hendrik Kraemer
Honderd jaar geleden, 17 mei 1888 werd de bekende taalgeleerde en zendingsman Hendrik Kraemer geboren. Kraemer is niet alleen door zijn vertaalarbeid bekend geworden, maar niet minder door zijn diepborende kennis van de Islam, de impulsen die hij gaf aan de bekende Gemeente-opbouw beweging kort na de oorlog in de Hervormde Kerk, en zijn boeken over het christelijk geloof en de nietchristelijke godsdiensten. Op grote internationale zendingsconferenties heeft hij een stempel gedrukt. Wars van syncretisme en vervluchtiging van de heilswaarheid en tegelijk met een open oog voor de waarde van andere culturen en de betekenis van hun religies heeft hij gepoogd te laten zien wat het betekent dat Jezus Christus de enige Naam is tot redding gegeven.
In het Centraal Weekblad van 6 mei trof ik een uitvoerig artikel aan van Jan J. v. Capelleveen envan prof. dr. J. Verkuyl over deze grote zendingsman. Uit de bijdrage van laatstgenoemde het volgend gedeelte:

'Kraemer had een wereldnaam als kenner van de religies. Hij was niet allen islamoloog, maar ook kenner van het hindoeïsme, het boeddhisme en vrijwel alle andere religies. De relatie Evangelie en religie(s) heeft hem vanaf zijn studentenjaren beziggehouden.
In 1935 ontving hij de opdracht van de Internationale zendingsraad tot het schrijven van het boek The christian message in a non-christian world. Ik was toen studentenpredikant onder Aziatische studenten en heb hen in die jaren vóór Tambaram (1938) vaak aan het werk gezien in "Woudschoten" bij Zeist en het manuscript zien groeien onder zijn handen.
Het gaat mij nu niet om de vraag of zijn visie op de verschillende godsdiensten en godsdienstige gemeenschappen op alle punten juist was of niet. Toen ik hem vlak voor zijn dood bezocht in Driebergen, zei hij glimlachend: "De post-Kraemer periode is al aangebroken". Maar waar om het mij gaat, is dat deze man, die terecht waarschuwde tegen amateurisme en dilettantisme in de beschrijving en beoordeling van andere religies en daarom de stoot gaf tot studie-instituten ook in Azië en Afrika, tot zijn dood ambassadeur bleef namens Jezus Christus in het huis van de islam, in het huis van het hindoeïsme, in het huis van het boeddhisme, in het huis van het shintoisme (zoals in Japan vlak vóór de Tweede Wereldoorlog) en dat hij die roeping als ambassadeur vervulde in volstrekte ootmoed – zonder enig superioriteitsgevoel – en in volstrekte onverschrokkenheid zowel in de persoonlijke omgang met andersgelovigen als in de verdediging van de zending. Ik heb van zeer nabij meegemaakt hoe hij samen met Oost-Javaanse predikanten positie koos voor de toelating van zending op Bali en hoe de liberale pers modder naar hem gooide toen hij zijn indrukwekkende boek De strijd om Bali en de zending (Amsterdam 1933) geschreven had.
Hij heeft overal de jonge kerken bijgestaan, die getuigden te midden van niet-christelijke gemeenschappen en heeft zich samen met onder anderen dr. W. A. Visser 't Hooft, dr. D. T. Niles en M. M. Thomas ingezet voor de integratie van de Aziatische kerken in het geheel van de wereldkerk. Ook hier spreekt hij nog nadat hij gestorven is en ook hierin is hij actueler dan ooit nu het missionair getuigenis in het contact met andersgelovigen opnieuw verdacht wordt gemaakt en grafkransen van woorden worden aangedragen voor Kraemer terwijl men juist in dat getuigenis zijn navolger niet is.

Geloof en gehoorzaamheid
Kraemer was qua opleiding geen theoloog. Hij was opgeleid als taalgeleerde. Hij noemde zichzelf altijd met lichte ironie "leke-theoloog" en bevorderde altijd de deelname van theologische "leken"-in het kerkelijk leven. Hij schreef daar een boeiend boek over! Maar in feite was hij door zelfstudie en ervaring ook een briljant theoloog geworden, zoals hij dat was als taalgeleerde en godsdiensthistoricus. Zijn bijdrage aan de theologie kan het beste geformuleerd worden in de woorden "theologia oboedientiae" (theologie der gehoorzaamheid) die hij zo vaak gebruikte.

Hij bedoelde die term niet als tegenstelling met begrippen als "theologia gratiae" en "theologia gloriae". Deze door en door reformatorische man leefde uit de boodschap van Paulus. Zijn kernwoorden waren genade, vergeving, rechtvaardiging van de goddelozen en vrijspraak – "sola gratia'", "sola scriptura", "sola fide". Maar wat hem in Paulus boeide, was dat Paulus juist omdat hij leefde van die vreemde vrijspraak zichzelf altijd aankondigde als gehoorzaam dienstknecht van Jezus Christus, geroepen om joden en heidenen te bewegen tot de gehoorzaamheid des geloofs (vgl. Romeinen 1). Die verbinding van geloof en gehoorzaamheid miste hij vaak in de theologie en de theologen en daarom sprak hij van "theologia oboedientiae". Kraemer, een gehoorzaam en trouw ambassadeur van Christus en geen theologische en missiologische droogzwemmer. De innerlijke eenheid van geloof en gehoorzaamheid, van woord en daad, van missiologie en missionaire dadendrang, van oecumenische gedragingen, was het exemplarische van deze man.
En het typerende was dat hij door zijn grote gave van open en ongereserveerde vriendschap in staat was anderen in Nederland, in Azië en overal te bezielen met de spirit, de energie, het vuur waarvan hij een surplus scheen te hebben ontvangen, zodat zijn woorden kiemkracht hadden en de ontmoetingen met hem zeldzaam inspirerend waren.'

Kraemer's nalatenschap in de vorm van zijn vele boeken en artikelen blijft de moeite van het besturen meer dan waard. Juist nu, nu de theologie van de godsdiensten er soms toe neigt om het unieke en exclusieve van de belijdenis inzake de enige Naam op te geven voor een heilsopvatting waarbij ook de wereldgodsdiensten min of meer tot wegen naar het heil worden, is het goed kennis te nemen van Kraemer's levenswerk.

Israël en de prediking van de verzoening
Op de jaarlijkse conferentie van de confessionele vereniging is het thema van de verzoening aan de orde geweest. Een van de referenten, dr. C. Vermeulen stelde in zijn lezing ook het gesprek met Israël aan de orde. De christelijke belijdenis zal in dit gesprek aan de orde moeten komen en mag niet verzwegen worden, zegt Vermeulen. Het gesprek zal zich bewegen moeten tussen de herkenning van Israël als eerste gestalte van de gemeente Gods en de belijdenis dat Christus de vervulling is van de wet en dat de Schriften van Hem getuigen.

'Dat betekent, dat wij in het gesprek met Israël met brandende harten zullen willen doorgeven wat de joden niet willen en kunnen aannemen. Misschien zullen we dan in gezamenlijke verlegenheid de blik op de toekomst leren richten. Profeten en apostelen nodigen daartoe en gebruiken dikwijls dezelfde woorden van overwinning, rechtvaardigheid, vrede en vertroosting. Ons is de Naam geschonken van Hem die ook door Israël herkend zal worden, ja die naar Romeinen 11, 26 uit Sion zal komen: De Verlosser, onze Here Jezus Christus, die allereerst Israëls Messias is. Dan zullen de profetieën over de Vredevorst op Davids troon in vervulling gaan. Israël zal Christus aannemen onder belijdenis van zonden en God zal de Geest der genade en der gebeden over zijn volk uitstorten. Jeruzalem zal in die bewogen tijd eindelijk tot een vestiging van de vrede worden en de volkeren der aarde zullen naar Sion trekken om te aanbidden en heilig onderwijs te ontvangen.

De centrifugale beweging waardoor het evanglie tot de volken kwam en die op Pinksteren in Jeruzalem het begin van de eindtijd inluidde, zal aan het einde der tijden afgelost worden door een omgekeerde beweging. In het duizendjarig rijk zal Jeruzalem het hart der aarde zijn. Zal de kerk Israël helpen door het kruis te verzwijgen? Paulus doet dat niet. Hij spreekt over Israël i.v.m. de rechtvaardiging. Dat onderwerp gaat de synagoge ter harte. Maar, zegt de apostel, wat Israël zocht, heeft het niet verkregen. De rechtvaardigheid ligt niet op de weg der werken, maar zij wordt om niet geschonken door het geloof in Jezus Christus. Het kruis zal joden en heidenen ten slotte verenigen. De weg van de Messias is de weg van het Lam. Zo kan er slechts één weg tot behoud zijn: die wordt onderwezen in de thora, gepredikt door de profeten, bezongen in de psalmen, geschonken door Jezus, betuigd door de apostelen: de rechtvaardiging door het geloof en de heiliging door de liefde.
Als dan aan de gemeente van Christus de taak wordt gegeven om Israël tot jaloezie te verwekken, dan moeten wij tot onszelf inkeren. Wanneer ligt de heerlijkheid van de Zoon op ons? Wanneer zijn wij gelijkvormig aan zijn beeld? Waar wordt de heiligheid van de kerk zichtbaar? Wanneer zijn wij vol geloof, hoop en liefde? Waar zijn de vruchten en de gaven van de Geest! De verlangde bekering van Israël roept om de bekering van de kerk. De hoop, die wij delen met de synagoge en die voor ons zo'n concrete grond in de opstanding heeft, roept ons om ons te reinigen en voor te bereiden. De bazuin zal klinken. Zij die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan en wij zullen veranderd worden en in een punt des tijds onvergankelijke heerlijkheid ontvangen. Wij horen in onze gemeenten dikwijls iets over het leven en het werk van onze Heiland op aarde. Dat werd in het hart van de tijd volbracht. Het is een goede zaak om ook vanuit het evangelie terug te zien en te weten, dat alle dingen naar Gods raadsbesluit geschieden.
Het is even nodig om vanuit het evangelie vooruit te zien en onze Verlosser voor de tweede maal uit de hemel te verwachten. De eerste maal in nederigheid, de tweede maal in heerlijkheid. De toekomst van Christus roept ons tot trouwe arbeid, die niet tevegeefs is in de Here en tot volharding en onderlinge vertroosting. Hier mag geen plaats zijn voor onwetendheid en vrees. Als Paulus over de wederkomst schrijft, eindigt hij zijn woord met de vermaning: "Vertroost elkander met deze woorden". De vrijgekochten des Heren leven hun Koning met verlangen tegemoet.'

Tot zover dit citaat uit het Hervormd Weekblad van 5 mei. Terecht merkt de referent aan het slot van zijn bijdrage op, dat in deze tijd een uiterlijke trouw aanschrift en belijdenis onvoldoende is. De rechte belijdenis moet worden bewaard in de rechte beleving. De Heilige Geest als inwendige Leermeester is onmisbaar om het geheim van de verzoening te kennen en te beleven. Alle spreken over de verzoening kan alleen maar vruchtbaar zijn vanuit Pinksteren. De Heilige Geest is aan de gemeente gegeven om Christus te verheerlijken. Juist dit heilgeheim doet ons vragen: 'Kom, schepper, Geest, daal tot ons neer, houdt Gij bij ons uw intocht. Heer, vervul het hart dat u verbreidt met hemelse barmhartigheid'.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's