Wie was de dichter van 'rechtvaardigmaking'? (6)
(Nototies rondom een misverstand)
Kerkelijk standpunt
Wij willen nu nog even letten op het kerkelijk standpunt van de dichter van 'Rechtvaardigmaking'.
Zoals reeds eerder gemeld in de vorige afleveringen was Rijer Pothoven belijdend lidmaat van de Nederlandse Hervormde Kerk.
Wel hadden reeds zijn ouders moeite met allerlei wind van leer in de Ned. Hervormde Kerk waartoe zij behoorden.
Konden zij opgaan onder de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking, dan waren zij trouw op hun post. Ook de zemdingsdagen van de G.Z.B. te Driebergen werden vroeger trouw bezocht.
Maar konden zij de Waarheid in eigen kerk niet vinden, dan schromden zij niet deze elders te zoeken, soms ook buiten het eigen kerkverband.
In de streek waar zij woonden was men niet kerkistisch. Men zocht meer de Waarheid dan de kerk. Veel ademde hier nog de geest van Wulfert Floor, die zich aanvankelijk wel aangetrokken voelde tot de afgescheidenen, maar toch ook daar wel teleurgesteld werd. En desondanks telde Floor toch ook tal van Hervoemde predikanten onder zijn zielevrienden en ging ook wel in Hervormde kerken voor.
Ook reijer Pothoven was niet kerkistisch ingesteld; hij kerkte vrijmoedig bij ds. Blaak, ds. Van der Poel. ds. Baay (Oud-Geref.), bij ds. Van Brummelen, ds. Smits, ds. F. Bakker (Chr. Geref.), of – in zijn jeugd – te Neerlangbroek bij ds. W. Zijlstra, later bij ds. J. van der Haar (Ned. Herv.) en in de week waar hij maar kerken kon.
Hij had grote achting voor de predikanten die trouw op hun post bleven in de Ned. Hervormde Kerk.
Zag men dezulken vanuit afgescheiden kring als halfslachtigen, Pothoven daarentegen prees hun standvastigheid en hij moedigde die aan.
Graag ook lazen ze in het gezin Hervormd-Gereformeerde preken, b.v. die van de Vroegindewey's.
Later, toen ik zelf uit preken ging, moedigde hij mij menigmaal aan: 'Jongen, ga maar met de Heere!'
Wat moet ik doen?
Toch gaf het toenemend verval van de Ned. Herv. Kerk hem veel strijd.
Hoelang kan men bij zoveel afwijking nog Hervormd blijven?
Het werd voor hem een gebedszaak: 'Heere, wat moet ik doen? Moet ik blijven of moet ik eruitgaan?'
En de Heere gaf hem antwoord vanuit de Schrift, klaar en duidelijk, met de woorden van de Koning der Kerk Zelf tegenover de kerkdienaars, Joh. 18 : 20, 'Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in de tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen!' En hoe was het daar gesteld wanneer Hij sprak? 'Zij werden vervuld met uitzinnigheid en spraken samen met elkander war zij Jezus doen zouden' (Luc. 6 : 11).
Nochtans week Hij niet.
En als de Heere ook nu nog in de kerk Zijn Woord, Zijn volk, Zijn knechten en Zijn Geest heeft, zouden wij dan mogen wijken?
Neen, hij was er rotsvast van overtuigd de kerk niet te mogen verlaten en heeft dat ook nimmer gedaan. Hij heeft mij ook te allen tijde gesteund en in het gebed gedragen in het staan naar het predikantschap in de Ned. Herv. Kerk.
Is er nog bediening?
Maar is er dan nog Geestesbediening in die kerk? Wij laten Pothoven weer even zelf aan het woord aan de hand van één van zijn brieven nadat hij naar de kerk geweest was. (…) 'Hij hield een pinksterpredikatie en wel zó, dat ik hier direkt op wil laten volgen: ik heb in mijn levenstijd die achter ligt veel pinksterpreken beluisterd; en hoe goed die vaak ook waren, de kern van de predikatie was en bleef alleen het Pinksterfeest te Jeruzalem (Hand. 2). En al stem ik met die kern van harte in, de pinksterbeleving van Gods volk in onze eigen tijd kwam in de diepste zin van het woord niet ter sprake. En nu…o, Louis, voor het eerst in mijn leven heb ik een pinksterpreek beluisterd waar dit wel ter sprake kwam. In de predikatie uit Romeinen 8 : 14, 15 verklaarde hij zo kostelijk het pinksterbeleven van Gods volk persoonlijk in de tijd tussen wieg en graf. Hij verklaarde dit zo buitengewoon helder en goed. Precies zoals dit waarachtig geschiedt als de Heere dit op Zijn tijd als een Godverheerlijkend wonder doet beleven en genieten door de Zijnen.
Hij sprak over de discipelen op de 'Weessabbath'. Zij waren wezen, al waren het aan de zijde Gods van eeuwigheid verkorenen en in de tijd wedergeboren mensen onder de bearbeiding des Heiligens Geestes, de Geest des Vaders en des Zoons, die veel onderwijs genoten hadden in die drie jaren dat zij met de Zaligmaker verbonden waren. Zijn durfden noch konden zichzelf de volmaakte zekerheid van het eeuwig kindschap Gods niet toeëigenen.
Dat nu was Gods Eigen werk, Gods Eigen daad, namelijk om hen Zelf hiervan te verzekeren. Hij zal hen Zelf bevestigen en schragen!
Dit geschiedde op de Pinksterdag te Jeruzalem, eendrachtig en biddend waren zij bijeen. Biddend door de Geest om de Geest.
Dit geschiedde aan de discipelen na het volbrachte werk en Hemelvaart van Christus.
Zij werden vervuld met de Heilige Geest, door Christus verworven.
Zij werden volmaakt verlicht aangaande hun waarachtig kindschap Gods en de voor hen verworven eeuwige vrede bij God en de eeuwige zaligheid van het Offer van Christus; en werden vervuld met de Heilige Geest als Derde Persoon, de beloofde Trooster, verzegeld door de verzegeling des Geestes.
Deze eeuwige heerlijke Inwoner kwam in hen ter verzekering (bevestiging) en verdere bekwaammaking tot de arbeid der Evangelieverkondiging als Gods getuigen. Zij beleefden: 'De Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn.'
De wezen, o de levende wezen hadden nu God als hun Vader.
Het ontzaglijke probleem van de bekommerde Kerk opgelost tot aanbidding der kinderen Gods. Hij wees ook zo kostelijk op het verschil tussen de werking des Geestes en de Persoon, de Heilige Geest, Die hen met Zichzelf vervulde.
De Geest Zelf zou nu in hen heersen als de Geest der uitbranding van alles waarvan zij in de verdere weg van heiligmaking verlost moesten worden, ja uiteindelijk van het ganse lichaam der zonde en des doods.
De strijd moest worden voortgezet, daartoe bekrachtigd door de Heilige Geest.
Wat had ik graag gewild dat je deze predikatie beluisterd had.
Het verheugde mij niet weinig dat ik dit nog hoorde van de kansel in de Hervormde Kerk, van welke buiten de Hervormde Kerk wel gezegd wordt: Daar is de Waarheid niet meer te beluisteren.
Ach, wat doen de armzalige kerkmuren toch veel kwaad.
Petrus' kerkjes, Paulus' kerkjes en Apollos' kerkjes enz., en dàt terwijl er in Gods Woord zo voor scheuringen gewaarschuwd wordt.' (…) Driebergen, 11 juni 1968.
D. V. een volgend maal hopen we deze reeks over de dichter van 'Rechtvaardigmaking' te besluiten.
Ds. L. H. Oosten, Hedel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1989
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1989
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's