De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verbinding tussen Messias-belijdende joden en christenen (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verbinding tussen Messias-belijdende joden en christenen (3)

Zionisme

12 minuten leestijd

De vorige malen heb ik in deze serie aandacht gegeven aan een aantal stemmen uit de christenheid en ook uit de kring van de Messias-belijdende joden in het verleden met betrekking tot hun geloof in de terugkeer van het joodse volk uit de verstrooiing naar het land van de vaderen. Ter afronding van deze serie wil ik nog twee personen voor het voetlicht halen: één uit de kring van reformatorische theologen, namelijk uit de Nadere Reformatie in het verleden, te weten Wilhelmus à Brakel en één uit de kring van de Messias-belijdende joden, te weten mr. Isaäc da Costa.

Da Costa
Ik begin met deze laatste. Hij was een jeugdvriend vàn Abraham Capadose, over wie ik vorige week heb geschreven. Tegelijk met hem werd hij ook gedoopt, nadat hij Jezus als de Messias had aangenomen.
Da Costa heeft in Amsterdam zijn befaamde bijbellezingen gehouden. Deze zijn in acht kloeke delen uitgegeven. In één van zijn verhandelingen zegt Da Costa, dat de verharding van Israël onder het Evangelie zich in volle kracht heeft geopenbaard; en het eind van die verharding is nog niet in zicht. Maar desondanks heeft het joodse volk nog altijd een bestemming. Indien het geen bestemming meer had, zo moest het, na de Messias te hebben voortgebracht, opgehouden hebben als volk te bestaan en als zovele volken onder de volken versmolten zijn.


Da Costa stelt, dat in zijn tijd Palestina eigenlijk niemandsland was. Hij vroeg aan één van de bedoeïnen in het land: ’Aan wie behoort dit land?’ Het antwoord was: ’Aan ons, zolang wij er zijn, maar anders aan niemand.’ Da Costa zegt dan: 'In elk geval, het land is van niemand. En het is zodanig gesteld, dat ik mij voorstel, dat de mogendheden, om het niet geheel tot een woestijn te laten worden, wellicht op de één of andere tijd als laatste middel ieder voor zich haar joodse ingezetenen als de natuurlijke erfgenamen naar Palestina zullen laten trekken en onder het opzicht van haar consuls zullen stellen.’
Da Costa spreekt dus heel duidelijk van natuurlijke erfgenamen. Ik beperk mij nu tot wat Da Costa zegt bij Jesaja 44, waarin het gaat over Israël, de knecht Gods; met name over dat gedeelte, waarin de Heere zegt, dat Hij zich Israël tot een eeuwig volk heeft gesteld. Da Costa concludeert daaruit, dat Israël een geprofeteerd volk is. Het is geboren uit een profetie, uit een belofte. Er is geen toestand in de geschiedenis van Israël en van de wereld, of het is een geprofeteerde, dus een profetische toestand. De profetie volgt overal Israël van stap tot stap, door al zijn toestanden en gedaanteverwisselingen heen. Reeds aan Abraham werd de wording en bestemming van Israël voorzegd. En bij geen enkel volk in de wereld is zulk een testament bekend als dat van Jacob, waarin hij, door God daartoe gemachtigd, op zijn sterfbed heel Kanaän verdeelt onder zijn nakomelingen.
En Bileam, de profeet tegen wil en dank, heeft Israëls toekomst in de schitterendste kleuren moeten voorstellen. Eenmaal, aldus da Costa, komen de oude erfgenamen òp, met hun pretenties, welke zijn de beloften van God. 'Palestina is het centrum, waarvan al de stralen van Gods heerlijkheid zijn uitgegaan en waarheen ze een keer zullen terugkeren,’ zegt hij. Het is Christus zèlf, die Jeruzalem tot zijn middelpunt verkiest en dan zal ook geen andere stad de stad van de grote Koning zijn. Alle jaren zeggen de joden tot elkaar: ’thans hier, maar het volgend jaar in Jeruzalem’. Da Costa zegt dan, dat joden nog wel herstèl verwachten. Maar Israël blijft het Israël van Palestina en Palestina blijft het Palestina van Israël. Da Costa besluit dan zijn verhandeling over Jesaja 44 met te zeggen, dat de volken van Ninevé en Babel vergaan zijn, maar dat de joden nog leven en dat zij zichzelf zullen reconstrueren of liever dat hun Koning dat zal doen: ’Hij, die gezegd heeft, dat Hij Zich in Israël een eeuwig volk heeft gesteld.’

Herstel
Ook in zijn verhandeling over Ezechiël 36 gaat Da Costa in op het herstel van Israël. 'Altijd,’ zo zegt hij, 'hebben de vijanden van God er eer in gesteld om Israël afbreuk te doen en te verwoesten. En nu zeggen de vijanden: Israël is geen volk meer, want het heeft geen land meer. Neen, zegt God, Israël is wel verstrooid, maar het land blijft het hunne, want Ik heb tot haar gesproken.
In Ez. 36, aldus Da Costa, wordt gezegd tot Israël: 'En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb en gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn.’ Da Costa zegt, dat we hieruit zien, dat het land erbij moet zijn. We mogen de zaak niet losmaken van Israël en haar vergeestelijken. Niet de christelijke kerk heeft een eigen land, maar Israël. En dat volk en zijn land zijn één. Nooit is de Schrift zó geestelijk, dat ze het stoffelijke vergeet. Wij mogen het dan ook niet vergeten. Of zouden we geestelijker willen zijn dan God en Zijn Woord? Reeds zien we de tijden naderen, aldus Da Costa, waarin de mogelijkheid van de vervulling van deze belofte duidelijk wordt. Immers worden de afstanden zodanig weggenomen, dat tenslotte niets gemakkelijker wezen zal, dan dat alle volken zich te Jeruzalem verenigen.


Wel zegt Da Costa erbij, dat het niet genoeg is, dat de kinderen Israëls tot hun land terugkeren en tot heerlijkheid en bloei komen. Dat zal hen weinig helpen, als ze God niet tot hun deel hadden. Maar ze zullen God tot hun deel hebben, want ze zullen Hem aanroepen en smeken, dat Hij Zijn belofte aan hen vervulle.
Da Costa sluit overigens niet uit, dat de kinderen Israëls waarschijnlijk nog in grote verdrukking zullen komen, waardoor zij tot God zullen roepen om verlossing, zoals zij vroeger deden in Egypte. Da Costa zei dit in de helft van de vorige eeuw. Het zou nog een eeuw duren, voor het volk Israël door de hel van Auschwitz, Dachau en andere vernietigingskampen zou gaan.
Bij Ezechiël 37 zegt Da Costa dan: ’God is getrouw, ook jegens Israël. Maar indien wij het herstel van Israël slechts geestelijk moeten verstaan, dan is heel dit volk slechts een figuur, een zinnebeeld, een schilderij en zijn de joden niet meer dan figuurlijke personen, die ons, evenals in een parabel moeten leren wat waarheid is. ’Nee, Israël is een wezenlijk volk en al wat aan dat volk gedreigd èn beloofd is, krijgt een wezenlijke vervulling.


Tot zover mr. Isaäc da Costa. Er zou uit het geheel van zijn bijbellezingen veel meer te noemen zijn. Uit alles wordt echter duidelijk, dat deze bekeerde jood, evenals Paulus, geworsteld heeft om het herstel van zijn volk. Niet alleen in nationale zin, door de terugkeer van het volk uit de verstrooiing naar het land van de vaderen te onderstrepen, maar ook in geestelijke zin. Het gaat uiteindelijk om het geestelijk herstel van Israël in die zin, dat het zal komen tot het aannemen van Jezus als de Messias.

Wilhelmus à Brakel
Naast deze profetische woorden van een Messias-belijdende jood uit de vorige eeuw, noem ik nu nog het profetisch getuigenis van Wilhelmus à Brakel, ooit dienaar van het Goddelijk Woord in Rotterdam in de 17e eeuw. Wilhelmus à Brakel schreef zijn befaamde 'Redelijke godsdienst' waarin de Goddelijke waarheden van het genadeverbond worden verklaard. In het hoofdstuk, getiteld 'van de kerk van het Nieuwe Testament tot de Openbaring aan Johannes', spreekt Wilhelmus à Brakel heel duidelijk zijn verwachting uit t.a.v. het herstel van Israël. Op grond van Romeinen 11 gelooft Wilhelmus à Brakel, dat Christus wederom tot Zijn oude volk Israël zal komen. De Heere Jezus heeft voorzegd de verwoesting en de verstrooiing van de joodse natie onder alle volkeren en ook de langdurigheid van de verwoesting van Jeruzalem. Maar Hij bepaalt ook de tijd, wanneer die verstrooiing en verwoesting zullen eindigen, nl. als de tijden van de heidenen zullen zijn vervuld. Dat is hetzelfde, aldus Wilhelmus à Brakel, als wanneer de apostel Paulus in Rom. 11 : 25 en 26 zegt: 'Ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij, dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is totdat de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. Alzo zal geheel Israël zalig worden.' Dan zal er zeker een herstel van de natie zijn. Niet alleen t.o.v. het gééstelijke, maar ook t.o.v. het lichámelijke.
A Brakel baseert zijn verwachting op tal van Schriftplaatsen in het Oude Testament en in het Nieuwe Testament. Bij dit alles zegt hij, dat de joodse natie door de hele wereld op zichzelf is gebleven, hoewel haar geslachtsregisters verloren zijn gegaan. Het joodse volk heeft zich niet met de volkeren, onder welke zij leefde, vermengd, noch met huwelijken, noch met godsdienst en ze worden ook duidelijk herkend, in welk land ze ook wonen. Ze houden zich verder aan de uiterlijkheden van de joodse kerk: de besnijdenis, de feestdagen, het onderscheid van spijzen. Ze bewaren ook zeer zorgvuldig de Heilige Schriften en erkennen de goddelijkheid daarvan. Ze verwachten alsnog, dat de Messias komen zal om hen te verlossen. Gevoegd bij de profetieën van het Oude Testament mogen we geloven, dat de voorzienigheid des Heeren nog klaarblijkelijk over het joodse volk is. Het volk wordt voor haar bekering bewaard en dan zullen ook de overige profetieën aan Israël in vervulling gaan.


Wilhelmus à Brakel stelt dan nog déze vraag, nl. of de joodse natie uit alle gewesten van de wereld en van onder alle volkeren van de aardboden, onder welke zij verstrooid zijn, weer bijeenvergaderd zal worden en in het land Kanaän en alle landen, die aan Abraham beloofd waren, zal komen en wonen; en of Jeruzalem zal worden herbouwd. Brakel zegt dan: 'Wij geloven dat het geschieden zal.' Hij ontkent daarbij, dat de tempel herbouwd zal worden en daarin de vroegere wijze van godsdienst gepleegd zal worden, die in de tijd vóór Christus aan de orde was in de tempel. Maar à Brakel spreekt wèl uit, uitdrukkelijk te geloven, dat ze 'een republiek op zichzelf' zullen zijn onder de allerwijste, goedaardigste en heerlijkste regering; en dat Kanaän uitnemend vruchtbaar zal zijn, de inwoners uitstekend godzalig zullen leven en dat ze zullen uitmaken een deel van de heerlijke staat van de kerk van duizend jaren, die in Openbaring 20 is voorzegd.
Wilhelmus à Brakel sluit zijn verhandeling af met te wijzen op de onveranderlijkheid van het Verbond Gods, met Abraham en zijn zaad opgericht. God heeft niettegenstaande alle zonde en hardnekkigheid zijn belofte niet gebroken. En niet één van al de goede woorden, die tot hen gesproken zijn, zal Hij op aarde laten vallen. Hij roept de christenen op tot liefde en toegenegenheid voor het joodse volk. Ze zijn beminden om der vaderen wil, ze zijn kinderen van het verbond, ze zullen nog eens bekeerd worden en een heerlijk en heilig volk zijn boven alle volken op de aarde. In het geheel van zijn verhandeling zegt Wilhelmus à Brakel verder, dat de geestelijke goederen van het Nieuwe Testament zeker ook aan heidenen ten deel zijn geworden, maar hij gaat zó ver, dat hij zegt, dat de kèrk, de gelovigen uit de heidenen nergens de naam van Israël of van Juda dragen in het Nieuwe Testament. Een duidelijke verwerping dus van de gedachte dat de Kerk in de plaats van Israël is gekomen.

Gemeenschappelijk visioen
Tot zover ook Wilhelmus à Brakel. Ook hij heeft zijn licht niet onder de korenmaat gelaten, maar op de kandelaar geplaatst om de profetische beloften van het Woord Gods in zijn tijd door te geven.
Uit alles blijkt intussen, dat er in het verleden, met name in de gereformeerde theologie, stemmen hebben geklonken – en het zijn er vele geweest – met de oproep om het beloofde herstel van Israël, ook als volk in het land van de vaderen, ernstig te nemen.
Ik moet eerlijk zeggen, dat ik bij de bestudering van deze thematiek en het kennisnemen van allerlei geschriften van gereformeerde vaderen in het verleden en van Messias-belijdende joden – joden dus, die Jezus als hun Heere en Heiland hebben aanvaard – onder de indruk ben gekomen van de vele Schriftplaatsen in het Oude Testament, die op dit herstel van Israël duiden, met name ook als het gaat om de landsbelofte. De zionistische beweging is een vervulling van bijbelse profetie. Als zodanig was er al sprake van christenzionisme vóórdat de echte zionistische beweging op gang kwam. En in die christen-zionistische beweging, die overigens zo niet werd aangeduid, hebben christenen uit de heidenen en christenen uit de joden elkaar de hand gereikt en het gemeenschappelijke visioen gehad van de terugkeer van Israël naar het land van de vaderen met daar bovenuit het herstel van Israël in geestelijke zin. Dit alles vanwege de komst van Jezus als de Messias. Ik ben overigens opnieuw tot de diepe overtuiging gekomen, dat de kerk in grote lijnen grote delen van het Oude Testament, maar ook van het Nieuwe Testament heeft laten liggen als het gaat om de concrete belofte aan Israël. Er zijn, wat dit betreft, in de kerk en in de gereformeerde theologie blinde vlekken geweest. Maar gelukkig zijn er telkens zieners geweest – en ze zijn niet weinig in getal geweest – die de vlam brandend hebben gehouden en de hoop levend.

v. d .G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1989

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Verbinding tussen Messias-belijdende joden en christenen (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1989

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's