De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Recht en genade (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Recht en genade (5)

10 minuten leestijd

Met name in het vorige artikel toonde ik aan dat de wet van God een volmaakte gehoorzaamheid eist. De Heere doet geen afstand van Zijn recht. Ik hoor Hem zeggen: 'Doe dat en gij zult leven'.
Helaas, de wet van God is door ons niet gehoorzaamd. Genesis 3 laat ons duidelijk lezen, hoe wij tégen Gods goede wet zijn ingegaan. Hoe wij nu ook in onze gevallen staat ons best doen, maar de wet Gods wordt door ons op geen enkele manier gedaan.
Opzettelijk schrijf ik: gedaan. Er zijn namelijk mensen, die menen dat men over de wet van God moet kunnen spreken. De wet is evenwel niet geschonken om erover te spreken, doch om die te doen. Volmaakt te doen! Dat is èn blijft de eis van God.
Het recht van God nu is door ons geschonden! Zijn wil, geopenbaard in Zijn heilige wet, is door ons aangetast. Door onze dagelijkse zonden zeggen wij nog altijd tegen de wet: neen. Het gevolg van dit alles is dat de toorn Gods op ons rust!

Ongestraft?
Een vraag zou kunnen zijn, waarom God de zonde niet ongestraft zou kunnen laten? Hij steekt toch torenhoog boven de mens uit? Hij kan toch als het ware zeggen: zand erover, wij praten er niet meer over.
Het zal juist zijn als iemand stelt dat God duizelingwekkend groot is en torenhoog boven ons uitsteekt. Wijlen G. Boer deed eerder wel de uitdrukking, dat God duizelingwekkend groot is en wij nog minder dan een mug.
Toch kan de Heere om twee oorzaken niet zeggen: 'zand over het feit dat mensen tegen Mijn wet "neen" hebben gezegd en daarover geen positieve grondhouding hebben aangenomen'. Wanneer dit zou gebeuren, zou God géén God meer zijn. Hij zou zich het niveau van een mens aanmeten. Welnu, God wil dit niet, maar ook: God kan dit niet. Op geen enkele manier is Hij aan ons gelijk. Hij is dit nooit geweest. Hij zal dit ook nooit zijn. Met alle bezwaren die men tegen de theologie van K. Barth kan hebben, zal men het hem toch moeten nazeggen, dat God de 'gans Andere' is. Wij zullen Hem als zodanig ook moeten laten.
Maar er is nog een punt waarop ik moet wijzen. God kan niet alleen de zonden niet door de vingers zien, omdat Hij dan géén God meer zou zijn. Op geen enkele wijze kan Hij zelfs de zonden ongestraft laten. Waarom kan Hij dat niet? Het antwoord is vrij eenvoudig: God is Rechter.
Wat is de taak van een rechter in ons land? Hij deelt straffen uit als men niet binnen de perken van de Nederlandse wetgeving is gebleven. Soms zijn dit lichte straffen, soms zijn dit behoorlijk zware straffen. Het hangt af van wat men verkeerd heeft gedaan.
Zonder aanzien des persoons behoort een rechter recht te spreken.. Het is niet zonder reden dat Vrouwe Justitia wordt voorgesteld met een blinddoek voor haar ogen en een weegschaal in haar hand.
Zonder aanzien des persoons wordt rechtgesproken. Men kan dus zeggen dat dit behoort tot de taak van een rechter. Het behoort niet tot het wezen van de rechter. Het kan voorkomen dat hij innerlijk geheel andere gevoelens heeft dan die in zijn rechtspraak tot uiting komen. Zijn wezen, zijn persoon mag in de rechtspraak in geen geval een doorslaggevende rol spelen. Ook een rechter is een gevallen mens en dientengevolge behoort het niet tot zijn wezen om rechter te zijn. Het is een functie in een zondige samenleving die hij uitoefent. Natuurlijk moet men wel op de integriteit (onkreukbaarheid) van de rechter aan kunnen, doch het is en blijft een functie waarin hij werkzaam is. Voor functie mag men ook ambt invullen. Maar hoe men het invult: het wezen van de persoon zelf staat er in bepaalde zin los van.
Zo is dat niet bij God! Het behoort tot Zijn Wezen om de zonden te straffen. Meer dan eens wordt hierover in de Schrift geschreven.
Het is niet de bedoeling om alle Schriftplaatsen te noemen. Toch wil ik er een aantal op papier zetten. Ik denk onder andere aan Exodus 34 : 7: 'Hij houdt de schuldige geenszins onschuldig'. Ook Psalm 89 licht een tipje van de sluier op als wij lezen: 'Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheden van Gods troon'. En bij Jesaja, de evangelist van het Oude Testament, lezen wij: 'Wanneer Gods gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid'. Als laatste Schriftplaats noem ik de brieven van de apostel Paulus. Meer dan eens schrijft hij – met name in de Romeinenbrief – dat God Rechter is. De Heere straft en beloont. Hij eist volmaakte gehoorzaamheid.
Heel duidelijk tekent Paulus, dat niet één enkel mens, doch alle mensen aan de zonden verslaafd zijn. Ook legt hij er alle nadruk op dat ieder mens schuldig is voor God.
ledere optimistische gedachte dat men zelf de wet wel kan vervullen, is de apostel Paulus in zijn brieven vreemd. Met andere woorden: iedere krachtsinspanning om dit te doen is tevergeefs.
Vaak legt Paulus het accent erop, dat men door de werken der wet niet behouden kan worden. Zelfwerkzaamheid behoort voor hem tot de synagogale vroomheid. Hoewel ook hij z'n best had gedaan om aan die vroomheid deel te krijgen, was hij Gode zij dank erachter gekomen dat men in die weg nooit of te nimmer rechtvaardig voor God zou kunnen verschijnen. Alle werken hebben geen nut als men meent daardoor te kunnen opklimmen tot God.
Desondanks blijft wel staan: alleen de rechtvaardige kan in waarheid met God gemeenschap hebben.
Hoe zal men rechtvaardig verschijnen voor God? Alleen door Christus en niet uit zijn eigen werken.

Lijdelijkheid
Alvorens ik het een en ander neerschrijf over de genade die in Christus is en hoe Hij aan het recht van God voldaan heeft, wil ik een klein uitstapje maken. Mij is namelijk gevraagd om deze artikelen pastoraal te houden teneinde elkaar te helpen inzake het geestelijk leven.
Ik schreef hierboven: 'alle werken hebben geen nut als men meent daardoor te kunnen opklimmen tot God'. Ik zou deze zin willen onderstrepen, maar er wel een paar kanttekeningen bij willen maken.
Welke invloeden er zijn, kan ik slechts raden, maar ik kan mij niet helemaal aan de indruk onttrekken dat de 'lijdelijkheid' in onze gezindte de laatste jaren eerder toedan afneemt.
Niet dat ik hiervan vreemd opkijk. Wie met name de geschiedenis van de gereformeerde gezindte enigszins kent, zal ermee op de hoogte zijn dat deze geschiedenis niet één rechte lijn vertoont. Men kan beter spreken van een golfbeweging. Nu eens zijn er perioden aan te wijzen dat de 'lijdelijkheid' groot was, dan weer tijdperken dat zij klein was of soms zelfs zo afwezig dat men bijna zou wensen dat men wat 'lijdelijker' maar dan in de goede zin van het woord was.
Ik wil met dit alles maar zeggen: de ene tijd is de andere niet; ook is de ene context de andere niet.
Onze tijd – althans kerkelijk gezien – kenmerkt zich evenwel door een bepaalde lijdelijkheid, om niet te zeggen: gelatenheid.
Deze lijdelijkheid is op twee manieren in te vullen. Op de eerste manier ga ik heel kort in. Ik omschrijf haar als grenzeloze zorgeloosheid. Op grond van het Verbond ofwaarop dan ook gelooft men dat het met een mens wel terechtkomt. Wedergeboorte, geloof en bekering als werken Gods zijn niet meer nodig. Alles heeft men reeds. Een wonder van Boven waardoor de weldaden van het Verbond worden toegepast is niet meer nodig. Een gevolg daarvan is dat er in het leven heel veel mee door kan. Het 'gij geheel anders' komt meestal niet uit de verf. Een heilige levenswandel is niet te zien noch te horen. Men onderscheidt zich in niets van hen die buiten staan, omdat men nooit geleerd heeft wat het is 'er buiten te staan'. Want alleen wie leert wat het inhoudt 'er buiten te staan', zal ook gaan verstaan wat métànoià (verandering van gezindheid) inhoudt.
Zonder door de Heilige Geest met het wezen van het Verbond bekend te zijn gemaakt en tòch te menen dat men alles bezit, laat een oppervlakkige lijdelijkheid zien. Men kan ook zeggen: men bedriegt zichzelf vanwege z'n oppervlakkigheid!
Maar er is nog een andere lijdelijkheid, gelatenheid, waarvan ik zeg dat wij die nergens in de Schrift ontmoeten.
Het moet gezegd worden dat deze lijdelijkheid niet bij de eersten de besten wordt gevonden. Het zijn doorgaans niet eens de slechtste gemeenteleden. Wat hun uitwendige wandel betreft, zijn ze voor meerderen in de gemeente een voorbeeld. Zij lopen niet achter het 'allernieuwste' aan te hollen. In de goede zin van het woord zijn ze conservatief (bewarend).
Toch valt het in het pastoraat niet altijd mee om goed met ze om te gaan. De oorzaak is dat zij aan hun standpunt vasthouden dat zij – geestelijk gezien – niets willen noch iets kunnen. Zij kunnen niet bidden, zij kunnen niet roepen, zij kunnen niet bijbellezen. Alles – zo zeggen zij – moet hun gegeven worden.
Het is nog niet zo lang geleden dat een collega op een openbare vergadering in z'n lezing vertelde dat een kind was thuisgekomen met de mededeling dat de leraar op school had verteld, dat de kinderen maar moesten bidden, doch dat het eigenlijk niet zoveel waarde had, omdat de kinderen toch niet konden bidden.
Wanneer dit werkelijk zó gezegd is, kan ik dit bepaald niet pedagogisch vinden. Ongetwijfeld zal het juist zijn als iemand mij voorhoudt dat een echt gebed is door de Heilige Geest. Echter… wanneer weet men òf het gebed is door de Heilige Geest? Weet men dit vooraf? Of weet men dit tijdens het bidden?
Wie echt bidden mag door de Heilige Geest zal altijd achteraf zeggen dat het door de Geest was.
Wij worden zonder de werken zalig! Dat zal waar zijn! Maar… wij worden niet zonder het gebruik van de middelen zalig. Iedere vader en moeder (om nog even bij het kind te blijven dat uit school kwam) moet de kinderen maar leren bidden. Op een heel eenvoudige manier mogen zij dit doen en daarmee voor hun kinderen een wegwijzer zijn naar de Heere Jezus. Maar… kunnen die ouders dit dan? En kan het kind dan bidden zoals het behoort? Laat ik er dit van neerschrijven: laten wij als ouderen en jongeren maar zo hard werken alsof wij inderdaad zelfde zaligheid konden verdienen. De Heere brengt ons er wel achter dat al dat werken van ons niet zoveel betekent, maar dat ontslaat ons niet van het werken, roepen, bidden en bijbellezen. Een mens kan meer dan men vermoedt. Haal ik hiermee dan de remonstrant niet in huis? Geef ik dan toch Pelagius en Arminius niet een standbeeld om wat zij dienaangaande hebben gezegd? Neen, dat in geen geval. Want een volgend keer wil ik iets schrijven over de Borg en over Zijn genade. Ja, dat het pure genade is. Maar als u daar nog niet achter bent, kan ik slechts één raad geven: werk zolang het dag is. Wat zéker is: lijdelijkheid is de Heere een gruwel! Wacht maar, stil maar, alles wordt nieuw is anders bedoeld.
(Wordt vervolgd)

G. S. A. de Knegt, B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Recht en genade (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's