Persoonlijk en gemeenschappelijk geloven
Vorige week noemde ik hier het recent verschenen boek van Geer Mak 'De eeuw van mijn vader', waarin deze een boeiende doorkijk geeft door een eeuw (de twintigste), een zuil (de gereformeerde) en een familie (zijn eigen familie Mak).
De eeuw komt tot leven in alle ontwikkelingen en gebruikelijkheden, die zich voordeden. Alleen al in Europa vielen door politiek geweld honderd vijftien miljoen doden.
De gerformeerde zuil, in de vorige eeuw begonnen rondom de onderwijkwestie, komt tot leven in de opgang, de voltooiing van de (sociale) emancipatie van een volksdeel, 'de kleine luiden', en in de neergang, beginnend in de vijftiger jaren. Mak komt daarbij tot de conclusie dat 'de ooit zo orthodoxe gereformeerden' de veel 'vrijere' hervormden in theologische moderniteit gepasseerd en achter zich hebben gelaten.
Een familie komt tot leven, de familie Mak, die, nadat grootmoeder Mak rondom de eeuwwisseling de overstap maakte van de Hervomde Kerk naar de Gereformeerde Kerken, in alle fasen met de gereformeerde zuil was vergroeid.
In het RD hebben we over dit opmerkelijke boek een uitvoerige recentie geschreven. Die gaan we hier niet herhalen. In dat boek geeft de schrijver echter ook een epiloog, een nabeschouwing op wat hij schreef, met een terugblik en een vooruitblik. Nog in 1958 waren van de tien Nederlanders bijna acht bij een kerkgenootschap aangesloten, schrijft hij dan. Aan het eind van deze eeuw zijn het er nauwelijks vier. Het is nauwelijks te geloven, hoewel we zelf deze periode bewust meemaakten, dat de neergang van het chruistelijke leven zo snel is gegaan. Wie het boek van Mak leest, kan zich ook nauwelijks voorstellen dat alles wat zich alleen al in de laatste kwart eeuw voordeed op het maatschappelijke en kerkelijke valk, zich voor onze ogen heeft voltrokken. Alles is op de kop gezet: gemeenschappen, normen en waarden, de levensstijl.
Echter zegt Mak, dat de godsdienstigheid van de mensen niet is verminderd. De laatste EO-jongerendag in de Amsterdamse Arena, voegt hij toe, trok vijftigduizend bezoekers, een massa die geen enkele politieke beweging op dit moment op de beek kan brengen. Twee derde van de Nederlanders beschouwt zich op dit moment nog als gelovig 'en dat geloof betekend ook iets voor hen'. En dan schrijft hij de volgende volzin: 'Wel is dit geloof meestal individueel en persoonlijk gericht, heel anders dan het gemeenschappelijk geloven van mijn vaders afscheidingskerkje in Brielle en het bulderend samen zingen in de Friese dorpsgemeenten. Een kerk heeft men niet meer nodig: de mensen scharrelen hun eigen potje godsdienst wel bij elkaar.' Voor goed verstaan: de afscheidingsgemeente Brielle was de 'dolerende' gemeente, waar zijn vader ooit als predikant begon.
Persoonlijk
Hoe moeten we dir waarderen? De vraag is hier uiteraard wat men onder geloof, geloven en gelovigen verstaat. Het gaat hier zeker niet om het 'zeker weten' en het 'vaste vertrouwen', waarover de Heidelbergse Catechismus spreekt (zondag 7). Geert Mak zegt overigens van zichzelf, dat hij 'zo'n beetje', dus niet helemaal van het geloof van zijn vaderen is afgevallen. Wanneer nu gesproken wordt over 75 procent 'gelovigen' in Nederland, dan kan met geloof niet anders bedoeld zijn dan één of andere vorm van religiositeit. Ook buiten de kerk zijn mensen altijd nog wel geneigd in 'iets' te geloven en willen dat 'iets' ook nog wel met een hoofdletter aanduiden. 'Een God, maar niet de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, van Wie Christus Zelf zegt dat niemand tot de Vader komt dan door Hem. 'Een eigen potje godsdienst' is daarvoor best een rake typering. Mijns inziens plaatst Mak de algemene religiositeit, die men bij memnsen nog aantreft, binnen d ehedendaagse individualisering an het moderne leven. Gelovenis, zegt hij, individueel en persoonlijk gericht. Het woord individualistisch is hier dunkt mij echter meer op zijn plaats.
Dat alles neemt niet weg dat het geloof ook inderdáád individueel en persoonlijk gericht is. Ik geloof, belijdt het Apostolicum. Onder miljoenen heeft God enkelingen in het oog. En ook als de Heidelberger belijdt aangaande de kerk – een gemeente, verkoren ten eeuwigen leven – dan nòg wordt beleden, dat ik van die gemeente een levend lid ben en het eeuwig zal blijven. De gemeente gelooft niet voor mij, ik geloof binnen dfe gemeente. Daarom kan en mag prediking nooit zo massief op de gemeente – hoe dan ook aangeduid – gericht zijn, dat de persoonlijke toe-eigening van het heil, door de werking van de Heilige Geest, gaat ontbreken. Verschraling van de prediking heeft altijd te maken met het ontbreken van dat persoonlijke element. Geloof is persoonlijk. Men kan niet voor een ander geloven, hoogstens voor pas geboren kinderen.
In dit verband herinnert Mak kritisch aan het geloofstype in de eerste gemeente van zijn vader, in Brielle. Daarin zou een kern van waarheid kunnen zitten. Hij zegt er elders in het boek van, dat men daar een preek pas goed vond als ze zuiver was in de leer. Een preek kan zuiver in de leer zijn, terwijl de persoonlijke dimensie ontbreekt. Leden van de gemeente kunnen, op grond van die leer, ook zo massief als wedergeborenen worden beschouwd, dat eveneens het persoonlijke element ontbreekt.
Het zou natuurlijk geweldig zijn als al die 'gelovigen', die Mak in Nederland anno 1999 ontwaard, op z'n minst het verlangen zou hebben om persoonlijk het eigendom van Christus te zijn, de enige troost in leven en in sterven. Het zou er in ons land anders uitzien. Maar dat verlangen is spaarzaam.
Gemeenschap
Geloof is een persoonlijke zaak. Maar geloven kan een mens niet in z'n eentje. Het rechte geloof haakt naar gemeenschap. Wanneer Mak dan ook opmerkt, of liever: constateert, dat mensen (nog) wel geloven maar daarbij de kerk niet nodig hebben, moet dat een misvatting aangaande geloven heten.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt, dat er buiten de kerk geen zaligheid is. Die belijdenis stamt direct uit de Reformatie. Ook Calvijn zag het zo. We kunnen, – dat realiseer is me zeer wel – die belijdenis niet meer zo vlot uitspreken als in verleden dagen, tenzij men Kerk uitsluitend met een hoofdletter wil schrijven: de 'onzichtbare' kerk. Maar die onzichtbare kerk, zegt Calvijn, treedt voortdurend in de zichtbaarheid. Feit is, dat in de verwarring van deze tijd en in de veelheid van kerken en godsdienstige groeperingen, zoekende mensen niet altijd direct de weg naar de kerk weten te vinden, ook niet als ze op één of andere manier echt door het Evangelie zijn geraakt. In de veelheid van kerken vindt niet ieder direct de kerk. Bovendien zijn er streken in ons land, waar de kerk dun en het evangelie schaars is geworden. Er is vandaag zeker ook een 'gemeente', die onzichtbaar blijft voor het oog. We moeten er dunk mij rekening mee houden dat, naarmate de secularisatie voorschrijdt, er zulk een gemeente in de diaspora zou kunnen groeien. Maar dat is anders dan wanneer Ma vijfenzeventig procent van de Nederlanders bestempelt als gelovigen, waarvan velen de kerk principieel niet meer nodig hebben.
Christus heeft de zijnen ook geleerd in meervoud te spreken. Hij leerde ze zelfs in meervoud te bidden: onze Vader die in de hemelen zijt… geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schulden… Het individualisme van onze tijd ondergraaft allerwegen de gemeenschap. Dat individualisme ondergraaft ook de gemeenschap der heiligen. Het Nieuwe Testament is vol van 'de gemeente van Christus'. En de gelovigen worden opgeroepen de onderlinge samenkomsten niet na te laten.
Van de weeromstuit mogen we dan ook niet genoegen nemen met louter individueel geloven. De gemeente van Christus is naar haar wezen een bezielde gemeenschap, een lichaam met een ziel; lichaam van Christus met verschillende lede-maten en functies; graagkorrels, die tot één meel zijn vermalen en druiven, die tot één wijn zijn vermengd. Om samen met alle heiligen, in verbondenheid met de kerk van gister en morgen, de grote daden van God te geloven, te beleven, te belijden en te vieren.
De kerk-buiten-de-kerk, die Geert Mak aanduidt – en daarin is hij niet als eerste – kan toch geen alternatief zijn voor de ook zichtbare kerk van Jezus Christus, die op een rots is gefundeerd?!
Wisselwerking
Het gaat intussen wel om de wisselwerking tussen het persoonlijke geloven en het gemeenschappelijke. Wanneer enerzijds persoonlijk geloof ontbreekt, kan van gemeenschappelijk geloven geen sprake meer zijn. Het gemeenschappelijke geloven (belijden) voedt anderzijds het persoonlijke geloof.
'Het wordt kil in de kerk' luidt de titel van een boek. Dat is vooral het geval wanneer persoonlijk geloof verschraalt en daarom de gemeente, ook als gemeenschap, verdort.
En verder: massaal samenzijn is nog niet hetzelfde als oefening van geestelijke gemeenschap. Waar twee of drie in de naam van Christus bijeen zijn kan het gemeenschappelijker toegaan dan in een grote schare. Mak wijst op de 'bulderende' gemeentezang van vroeger in Friesland. Ook wij kennen vandaag nog massale ontmoetingen, met psalmgezang, waarbij men soms de rillingen over de rug voelt lopen. Geweldig om samen de psalmen te zingen. Maar massale beroering is nog geen persoonlijke doorleving.
De opmerkingen, die Mak maakt, vragen daarom ook best om bezinning, ook al plaatsen we persoonlijk geloof bepaald anders dan hij doet.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's