Belijden: zaak van je hart
In de meeste gemeenten leggen in deze tijd jongeren en ouderen belijdenis van het geloof af. Maandenlang hebben we ons voorbereid op dit gewichtvol moment. De ervaring leert dat jullie de belijdeniscatechese doorgaans heel wat hoger aanslaan dan de 'gewone' catechisaties, die je voorheen bezocht. Geen wonder, men komt hier toch niet zomaar? Of omdat het moet van thuis? Of om 'verlost' te raken van het jaarlijks catechisatiebezoek? Ik vertrouw erop datje biddend, welbewust tot deze stap bent gekomen. Je wilt de Heere dienen, vrezen en volgen. Aan Hém en aan Zijn Woord wi l je vasthouden. Je verlangt te leven en te sterven met Zijn Woord. Je hebt de schuldvergevende liefde van Christus ervaren en je in het geloof aan Hem overgegeven. Het gaat daarbij niet om de grootheid van ons geloof, wel om de echtheid ervan. Toen de scharen van Christus weken, omdat Hij niet overeenkwam met hun verwachtingen, stelde Hij Zijn discipelen op de proef. Hij vroeg of ze ook maar wilden weggaan. Bij die gelegenheid zei Petrus: 'Maar Heere, tot Wie zouden we moeten gaan...? U hebt de woorden van het eeuwige leven.' Was dat geen geloof? Laat je dan maar niet ontmoedigen door hen die een bepaalde bekeringsweg als maatstaf nemen en weghakken wat daar niet mee overeenkomt. 'Hoofdzaak is niet langs welke weg men de dingen die ter zaligheid nodig zijn geleerd heeft, maar dat men ze geleerd heeft...' (ds. C. van der Wal: 'Amen en Beamen'.). De bijbelse omschrijving van geloof hebben jullie ongetwijfeld geleerd tijdens de catechisatielessen. Volgens Zondag 7 van onze catechismus gaat het om de band aan de levende God. Een band die we te danken hebben aan de Heilige Geest, die onze ogen opende voor de diepte van de ellende waarin we van nature ons bevinden en voor de diepte van Gods liefde, die het verlorene zoekt. Welk een betekenis krijgt dan de Heere Jezus Christus voor ons als Middelaar tussen God en mensen. Het geloof waarvan we belijdenis aflegden of nog hopen af te leggen is dan ook op deze God gericht, die Zich zo rijk kennen laat in Zijn Zoon. We belijden niet alleen aan Hem gehoorzaam te willen zijn, maar ook voor alle dingen van Hem afhankelijk te zijn. Aangewezen te zijn op Zijn Vaderlijke zorg en op die ene Naam die onder de hemelen gegeven is, waardoor zondaren moeten zalig worden. En niet minder zijn we afhankelijk van Zijn Heilige Geest, die in alle waarheid leidt, opdat ons belijden doorgaat op zondag én in de week. 'Aangenomen..., bevestigd worden, of...?' Uit bovenstaande heb je wellicht begrepen dat de uitdrukking 'belijdenis van het geloof afleggen', duidelijk voorkeur heeft boven bijvoorbeeld: 'aangenomen worden...', of'je laten aannemen...'. Het laatste wekt de indruk alsof we zelf volkomen passief zijn. Ook verdient het onze voorkeur niet om te spreken van 'bevestiging van lidmaten', daarom niet, omdat de meesten van jullie reeds vanaf het geboorte-uur lid waren van de kerk. Denk maar aan de bekende regel uit het doopformulier, dat de kinderen die op het erf van Gods genadeverbond het levenslicht zagen, 'als lidmaten van Zijn gemeente behoren gedoopt te wezen...' In zijn bekende boekje 'Licht over uw pad', schreef wijlen dominee J. van Sliedregt: belijdenis doen 'is erkennen en ernstig nemen alles wat God in onze doop. over ons betekend en verzegeld heeft'. En in het geval we als kind ongedoopt bleven, zou je kunnen zeggen: belijdenis doen is 'je amen uitspreken op de vloek en de zegen van het verbond'. Je kunt het ook nog zó zeggen: belijdenis doen is beamen alles wat de Heere door Zijn wet zegt tot onze verootmoediging, maar ook beamen wat Hij ons in het Evangelie belooft'. Kortom: we maken ernst met alles wat Hij in Zijn Woord over Zichzelf en over ons heeft bekendgemaakt. Zowel met betrekking tot Zijn heiligheid alswel tot Zijn liefde en barmhartigheid. Dat doen we niet slechts op de dag van 'onze belijdenis', maar ook daarna. Telkens maar weer worden we geplaatst voor de vraag: 'Wat dunkt u van de Christus...?' Belijdenis en Heilig Avondmaal In het verlengde van de belijdenisdienst ligt de tafel van het Heilig Avondmaal. Althans, zo heeft de Kerk het altijd gesteld. Zeker in haar bloeitijden. Luther en Calvijn legden duidelijk een verband tussen belijdenis en Avondmaal. Die eenheid tussen het ene en het andere werd ook in de dagen van de Nadere Reformatie gehandhaafd. Je weet wel: het tijdvak van onze zogenaamde 'oudvaders'. W. Teelinck maakte nog mee dat honderden mensen deelnamen aan het Heilig Avondmaal. En ook voor a Brakel horen lidmaatschap en tafel van het nieuwe verbond bij elkaar. Ook wi l ik nog wijzen op het 'Kort begrip', waarboven staat: 'voor hen die zich willen begeven tot des HEEREN Heilig Avondmaal'. Nu hoop ik van harte dat jullie belijdenis hebt gedaan, o f binnenkort zult doen, omdat er een diep verlangen is deel te mogen nemen aan wat wel eens genoemd is 'het hoogfeest van de gemeente...' Natuurlijk niet automatisch en zonder geloof, maar zo deed je toch ook geen belijdenis...? Lid van de gemeente worden, is volgens Brakel toetreden tot het lichaam van Christus. Calvijn wilde verschillende malen per jaar, in de week voordat het Heilig Avondmaal werd gehouden, gelegenheid geven om belijdenis van het geloof af te leggen. Wie zo tegen het afleggen van belijdenis des geloofs aankijkt, kan het onmogelijk normaal vinden, dat lidmaten blijven zitten wanneer het Heilig Avondmaal bediend wordt. En juist om alle vanzelfsprekendheden de pas af te snijden worden we voor de bediening van het Heilig Avondmaal opgewekt onszelf te onderzoeken. Waarop eigenlijk? Of we uit het geloof leven. Wat we van de Christus denken? Op de vraag wat de beste voorbereidingspreek is, verwees iemand naar het Avondmaalsformulier. Het is de moeite waard dit mooie document voor jezelf te lezen en te herlezen in de week van voorbereiding. Daarnaast bestaan er tal van praktische pastorale boekjes die ons willen helpen om zaken duidelijk te krijgen. Ik denk onder meer aan het reeds genoemde boek van ds. C. van der Wal, of aan dat van ds. H. Visser, 'Tot Mijn gedachtenis'. Ons gelovig toegaan tot de Dis van Gods verbond is een aspect van het 'doorgaand belijden op zondag'. Wie op de rechte wijze deelneemt aan het Heilig Avondmaal belijdt dat hij/zij van zichzelf niets verwacht. Je kunt met je verzondigde leven voor God niet bestaan, je bent voor ieder moment van je leven aangewezen op Gods genade. 'We belijden dat we het helemaal moeten hebben van Jezus Christus en Zijn volbrachte Middelaarswerk' (H. Visser). We spreken in dat verband wel van 'het sacrament van de gedurige voeding'. Door eenvoudige tekenen wi l de Heere ons geloof sterken en ons verzekeren van Zijn genade die er ook voor ons is. We worden opgewekt Zijn lijden en sterven biddend te overwegen. Dat doende smelten we weg in verwondering bij de gedachte aan wat Hij deed. Tegelijkertijd ontdekken we achter het kruis de Vader. Want: God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende. Nu kan het niet uitblijven of we eindigen, net zoals het avondmaalsformulier doet, in de lof des Heeren (Ps. 103). We eren en prijzen de Drie-enige God om het wonder van het evangelie van de plaatsvervanging. Dat is ook de kern in het Heilig Avondmaal. Ja, deze gelovige gedachtenis aan Hem geeft inderdaad voedsel aan het geloofsleven, zoals ik ergens las. Er is trouwens nog een belijdenisaspect aan onze avondmaalsviering. Ik denk aan de wederkomst van de Heere Jezus Christus. We blikken in het Heilig Avondmaal niet alleen terug, maar we zien ook vooruit. Paulus schrijft: 'Verkondigt de dood des Heeren, totdat Hij komt'. Verleden, heden en toekomst vloeien aan de tafel samen. Want is het goed, dan vieren we het Avondmaal met heimwee en verlangen in ons hart naar onze Bruidegom. Zijn komst is het immers die al ons heil volmaakt. Dan zal Hij zijn 'alles en in allen.' Iedere avondmaalsviering wi l deze verwachting vernieuwen. Misschien vind je de gang naar het Heilig Avondmaal nog wel een hele stap. Ik hoop dat het je in de klem brengt, dan zal het je zeker uitdrijven. 'Het bloed van Christus onrein achten is geen kleinigheid...' (J. van Slie- i dregt).
Jouw belijdenis en jouw gemeente Niet zullen in iedere gemeente dezelfde vragen gebruikt worden bij het doen van belijdenis van het geloof, wel hebben jullie naar ik veronderstel, beloofd om met de gaven die God je gaf mee te werken aan de opbouw van kerk en gemeente. 'Hier wordt alle geestelijke vrijbuiterij tegengegaan...', zo schreef ooit Ds. C. v. d. Wal. Dat houdt nogal wat in. In ieder geval dit, dat we trouw zijn aan onze eigen gemeente. Je kunt vandaag de vraag horen stellen: 'wat heb ik aan mijn gemeente...?' Mag ik het eens omkeren en vragen: wat heeft de gemeente aan jou...? Best iets om over na te denken. Zeker in een tijd waarin het individualisme hoogtij viert. 'Je moet de gemeente zoeken waar jij je het beste thuis voelt...', zo hoorde ik kort geleden iemand zeggen. Is dat niet erg egoïstisch? Of zelfs puur wereldgelijkvormig? Buiten het Koninkrijk van God draait immers ook alles om het eigen ik. Steeds luider klinkt het refrein: 'ikke, ikke, ikke en de rest kan...' Aan de rest heeft men geen boodschap. Het eigen welzijn komt eerst. Laten we alert zijn op deze wereldse consumptiegeest, die de kerk soms behoorlijk in z'n grip heeft. Wanneer we een willekeurige supermarkt binnenlopen hebben we keus uit wel tien o f twaalf verschillende merken pindakaas, zeep en tandpasta. We zoeken uit wat ons aanstaat. Maar zo mag het er in de kerk niet aan toegaan. Het geestelijk leven is niet een supermarkt waarin we onszelf bedienen met de gemeente en de dominee van onze keuze. Het zogenaamde 'relishoppen' is een steeds meer geaccepteerd fenomeen geworden in de kerk. Maar ik ben er nog altijd van overtuigd dat de Heere mij niet zomaar een plaats gaf in de gemeente waar ik officieel bij behoor. Er kunnen zwaarwegende motieven zijn om uit te wijken naar elders, maar die redenen moeten dan ook wel werkelijk houtsnijdend zijn. Kort geleden las ik in de krant een uitspraak van een moeder uit een grotere plaats. Het trof mij zeer. Het ging over kerkbezoek, ook in de week. De aanwezigheid van haar en haar gezin hing niet af van de dominee die sprak. 'We gaan ervan uit dat de dominees hier 202 (...) zijn geplaatst en niet zomaar aan kwamen waaien...' Dragen wij de dominee en de kerkenraad mee in ons gebed? Dat is nog beter dan dat we hen alleen maar op handen zouden dragen, voor zolang . dat duurt. Spreek naar anderen toe vooral ook positief over je eigen gemeente. Dat werkt wervend. Verlang dat de Heere de prediking zegent en dat de gemeente uitbreidt. Dat mensen er bij getrokken worden. Samen zijn wij gemeente. Dat betekent dat er een zekere ruimte is voor verscheidenheid in opvatting en denken, zolang die niet ingaan tegen de Schrift en afwijken van de belijdenis der kerk. Daarmee te kunnen omgaan is ook een teken van een volwassen geloof. Mag ik je opwekken trouw te zijn aan je belijdenis? Aan je gemeente en aan de kerk? Zeker nu de spanningen soms hoog oplopen. De bekende Utrechtse predikant ds. Jodocus van Lodenstein, die eeuwen geleden leefde, sprak ooit: 'Weglopen uit de kerk is geen juiste daad, want men heeft samen met mij en anderen het Huis in brand gestoken. Dan moet men het ook helpen blussen en het uit de voeg geraakte zoeken hersteld te krijgen...' Overweeg deze regels. Er is immers meer dan genoeg kerkelijke verdeeldheid. Afscheiding is een repeterende breuk en bovendien een slechte reclame voor het christendom. Maar al te zeer ook kan het een struikelblok zijn om de naaste die Christus niet kent te winnen voor het evangelie. Wie de Kerk als wonder van God ziet, zal ongetwijfeld zuinig op haar zijn. Dan zullen we onze verantwoordelijkheid zeker kennen, ook als 'mondige leden' nu. 'Lidmaat zijn van de kerk vraagt een leven met de kerk en voor de kerk' (W. L. Tukker). Tot dienst geroepen Calvijn schrijft ergens dat het God behaagt om Zijn Kerk door middel van de ambten te regeren. Zij gelden als instrument van de Heilige Geest. Het ambt aller gelovigen vervangt het bijzondere ambt dan ook beslist niet. De ambten zijn door God ingesteld tot opbouw van het lichaam van Christus. Daarom ook erkennen wij het ambtelijk gezag in de kerk. Dat heeft zelfs te maken met het vijfde gebod! De ambtsdragers zijn niet heersend, maar dienend bezig. Zij zoeken het goede voor ons en de gemeente. Het kan gebeuren dat wij zelf tot ambtelijke dienst geroepen worden. Het kan ook wezen dat de gemeente een beroep op ons doet in een niet-ambtelijke taak. Zeg niet zomaar 'nee', maar besef je verantwoordelijkheid voor de gemeente waar je een deel van bent. Iedere gelovige ontvangt gaven. Daarvan lezen we in onze catechismus: 'Dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven tot nut en zaligheid van de andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden'. De een heeft de gave van organisatie. De ander van dienen. De volgende van luisteren en/of vertellen. Van leidinggeven o f beheren. Weer een ander heeft de gave van de uiüeg en verkondiging van het Woord. En nu geeft de Heere die gaven, opdat Hij er door verheerlijkt wordt. Daarom mogen we ze ook niet in de kast leggen, maar we dienen ze te gebruiken in afhankelijkheid van de Heilige Geest, 'tot verheerlijking van God en opbouw van het lichaam van Christus'. Er is onder gelovigen een grote verscheidenheid aan gaven. Dat maakt bij een goed gebruik ook de rijkdom van de gemeente uit. Jaren geleden schreef ds. J. H. Velema ergens: 'We hebben alle heiligen nodig, om de volle breedte, lengte, diepte en hoogte van het werk van God in Christus te kennen...' Je zou bij de gelovigen ook kunnen denken aan een regenboog. Een heel palet van verschillende kleuren vormt samen de fascinerende boog in de wolken. Zo is het nu ook met Gods gemeente. Het terugtrekken in eigen kring waar iedereen het altijd zo lekker met je eens is, lijkt rijk, maar is arm. Het leidt tot onvruchtbaarheid. De gemeente heeft ook jóu nodig, die een open oog kreeg voor Israël. En jou, die bewogen werd met degenen die zonder God door het leven gaan. De gemeente heeft jou nodig en jij kunt niet zonder de gemeente, om werkelijk vruchtbaar te kunnen zijn. Je bent geroepen tot het ambt aller gelovigen. Nog één opmerking hierover. In het slot van I Korinthe 12 spoort Paulus ons aan om te ijveren naar de beste gave en dan volgt in het volgende hoofdstuk het lied van de liefde. Dat is tekenend voor het werk van Gods Geest in je leven: hij trekt liefdessporen. Gaven functioneren alleen maar op de toonhoogte van de liefde; Dient elkaar dan in liefde. Wat zal er dan ook veel van de gemeente uitgaan. We zullen samen een lichtend licht en een zoutend zout zijn. Deze roeping is toch ook verbonden aan ons belijdenis doen? En die roeping hebt u/heb jij aanvaard! 'Naar de kerk, naar de kerk...' Als kinderen zongen wij een versje waar bovenstaande regel in voorkwam. 'Naar de kerk, naar de kerk, zei de dominee...' Laat die opwekking voor jou niet nodig zijn. Je deed belijdenis met je hart. Ik hoop datje telkens weer uitziet naar de zondag. David zong: 'Ik zal met vreugd' in het huis des HEEREN gaan'. En in Psalm 84 laat Gods kind ons weten liever aan de dorpel van Gods huis te liggen dan lang te moeten verkeren in de leegheid van de wereld zonder God. Néé, ik moet niet naar de kerk, ik mag! Niet één keer, maar zelfs tweemaal. Jammer dat er nogal wat mensen zijn, ook kerkmensen, voor wie de zondag vooral staat in het teken van dingen die niet mogen. Mi j viel onlangs nog op in de uideg vair het vierde gebod in de catechismus, dat het daar juist gaat over wat wél mag, ja zelfs geboden is op deze dag te doen. Er is sprake van een gaan naar de gemeente om Gods Woord te horen. Om er de Heere aan te roepen. Om liefdegaven te offeren. En om de Heilige Geest in mij te laten werken. Zo begin je de week pas echt goed. Ik word in Gods huis toegerust tot de taken die maandag alweer wachten. De accu wordt opgeladen. Ik mag elke nieuwe week beginnen vanuit het heerlijk feit van Jezus' opstanding. Ik laat mij beschijnen door de Zon der gerechtigheid en zo heb ik een echte 'zon'-dag. Ik mag op deze dag van zorg ontslagen, Hém roemen die mi j blijdschap geeft. Al zou je het misschien niet verwacht hebben, maar ook mijn trouw opgaan naar de gemeente waartoe ik behoor, is een stukje doorgaand belijden. Anderen mogen het aan mij merken dat de rustdag van bijzondere waarde voor me is. Met name de nadere reformatoren schreven behartigenswaardige woorden over de voorbereiding op de kerk-
dienst. Zorg in ieder geval dat je uitgerust bent, zodat je je aandacht bij de preek kunt houden. Kerkbanken zijn geen slaapbanken, eerder werkbanken in de goede zin van het woord. Wie zo zijn belijdenis doorzet op zondag zal zeker geen punt zetten als het maandag wordt. Daarover gaat het in het volgende artikel. Het Woord van zondag krijgt handen en voeten op maandag. Ga er maar aan staan...! Het kan alleen maar door dicht bij Christus te blijven. Dr. J. H. Hoek noemt in zijn boekje 'Gemeente zijn' het voorbeeld van de reflector. Die vangt licht op én weerkaatst het weer. Vangt hij geen licht meer op, dan kan hij het ook niet afgeven. Alleen wanneer we leven in het licht van Hem, die het licht er wereld is, zullen we ook zelf licht verspreiden.' J. BELDER, NIEUW-LEKKERLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's