Doop en geloof
De inhoud van de gehele Bijbel is samen te vatten in de ene Naam van de drie-enige God. Wat gebeurt er als wij in diezelfde drie-enige Naam gedoopt worden (Matt.28:19)? Veelzeggend is alleen al dat wij onszelf niet dopen.
In Zijn Woord openbaart God Zich als Vader, Zoon en Heilige Geest. Tegelijk lezen we van de verhouding tussen God en Zijn schepping – een schepping waarop Hij Zijn rechten laat gelden, nadat de mens zich van Hem heeft afgekeerd. En een schepping waarover Hij zo in genade bewogen is dat Hij Zijn Zoon als Redder heeft gegeven. Daarna stortte Hij Zijn Geest uit om schepsel en schepping voor Zich terug te winnen. Heel de Bijbel is vol van de verkiezende liefde van de Vader, van de verlossende liefde van de Zoon en van de vernieuwende liefde van de Heilige Geest. In Zijn drie-enige Naam is het hele heil samengevat.
Zichtbaar en persoonlijk In de doop zijn wij ontvangend, wij ondergaan haar. Er wordt aan ons gehandeld, van Godswege. Ten diepste kiezen wij er niet voor en evenmin hebben we iets te kiezen: de Heere spreekt genadig en beslist het alleenrecht over ons leven uit. In het gelovig leven onder dit alleenrecht van God komen wij weer tot onze bestemming. Dat konden we uit Zijn Woord al weten, maar onder zo’n zichtbaar en persoonlijk teken kunnen we niet meer uit.
De Griekse uitdrukking die het Nieuwe Testament gebruikt voor het ‘dopen in de Naam van’, kan op sommige plaatsen letterlijk vertaald worden als ‘dopen in de richting van’. Wij worden op God aan gedoopt, wij worden op de Heere en Zijn heil geworpen, aan Hem en Zijn gezag en leiding onderworpen. Het is daarom niet vreemd dat aan de doop de belijdenis verbonden is dat Jezus Heere (Hand.16:31) of de Zoon van God is (Hand.8:37). Dat is een erkenning dat Hij Heere en Redder is. Op sommige plaatsen wordt nadrukkelijk gesproken over de doop in (de Naam van) Jezus, zoals in Handelingen 19:5. Aan Hem worden wij verbonden.
Adoptie
Een bijbels beeld dat mij hierbij erg aanspreekt, is het beeld van de adoptie. Dit beeld wordt ook in de Bijbel gebruikt (Hebr.2:16). Adoptie gaat uit van het verlangen van een echtpaar om als vader en moeder voor een kind te zorgen. De kosten van de adoptie zijn niet voor het kind, maar voor hen. Aan de adoptie ligt een uitspraak van de rechter ten grondslag: adoptie heeft een juridische status, maar is als het goed is helemaal doordrenkt van zorgzame liefde. Als de procedure afgerond is, stappen de adoptieouders in het vliegtuig om hun kind op te halen. Vanaf dat moment mag dat kind ‘papa’ (Abba, Vader!) zeggen, maar dat doet het natuurlijk niet meteen. Wanneer het kind zou vragen: ‘Waar haalt u het recht vandaan om uzelf mijn vader te noemen?’, kan de adoptieakte getoond worden. De vader is wettig vader en het kind is wettig kind. Daaruit mag nu een ‘nieuwe gehoorzaamheid’ groeien, een relatie van liefde en aanhankelijkheid groeien, al kost dat tijd en innerlijke strijd.
De doop is de adoptieakte. Ze hoort bij de verbintenis (het verbond) dat de drie-enige God met ons aangaat, ongeacht of wij erom vroegen. In die akte vat de Heere al Zijn rechten en plichten voor ons samen. Hij neemt ons voor Zijn rekening. En wij: wij staan door de Heilige Geest in een levenslang leerproces om deze God en Vader te erkennen, lief te hebben en te gehoorzamen (Rom.8:15). Al durf je niet te denken aan de huiveringwekkende mogelijkheid dat je dit alles verwerpt…
Dagelijks verdronken
Ik zou dan ook willen zeggen: met onze doop is alles gezegd! In onze doop heeft de Heere Zijn hele hart uitgesproken. Niets hield Hij achter, niets sprak Hij onder voorbehoud. De doop is geen eerste aanzet, een zet in de goede richting, geen eerstesteenlegging. Wat zou Hij na en naast onze doop nog meer moeten zeggen? Hij heeft alles gezegd over Zichzelf. Hij heeft alles gezegd over ons en over ons leven, namelijk dat het een leven van sterven en opstaan zal zijn. Luther antwoordde in zijn grote catechismus op de vraag wat de waterdoop betekent: ‘Het betekent dat de oude Adam in ons door dagelijks berouw en bekering verdronken moet worden en moet sterven met alle zonden en verkeerde verlangens; en ook dagelijks zal opstaan in de nieuwe mens die eeuwig in gerechtigheid en reinheid voor God leeft.’ De Heere vraagt om een gelovig omgaan met onze doop. De doop reikt ons de aard van dat geloof aan als een liefhebben, vertrouwen en gehoorzamen van de Heere. De doop reikt ons de inhoud van het geloof aan: het heil waarvoor de drie-enige God garant staat en waaraan wij zelf niets toe te voegen hebben. De doop reikt ons ook de structuur van het leven van het geloof aan: met Christus sterven en opstaan om zo vernieuwd te worden naar het beeld van Christus. Het is met name dit laatste waarop het Nieuwe Testament de nadruk legt als de doop ter sprake komt (Rom.6, Kol.2, Tit.3, zie kader ‘De betekenis van Romeinen 6’).
Eenzijdigheid
Hier lijkt iets te wringen. In de gereformeerde traditie wordt de doop vooral ter sprake gebracht in het kader van het verbond. Het valt niet te ontkennen dat dit tot eenzijdigheid en oppervlakkigheid geleid heeft. In de beleving van velen is de doop niet meer dan een feestelijk moment waarin bekrachtigd wordt dat het gedoopte kind een kind van God is. De bijbelse gedachte dat we in de doop onteigend worden en dat de doop ons verplicht tot een leven van geloof en bekering, ontbreekt soms ten enenmale. De verwerping van de kinderdoop komt nogal eens voort uit (terechte!) moeite met deze oppervlakkigheid.
Dat ligt echter niet aan de verbondsgedachte. Sterker nog: reeds in het Oude Testament is het verbond dat God uit genade met ons aangaat een verbond dat ook over sterven en opstaan gaat. De besnijdenis is een teken dat bijna letterlijk getuigt van afsterving (afsnijding) van de oude mens en het verwekken van de nieuwe mens. Waar de besnijdenis van het hart achterwege blijft, is de lichamelijke besnijdenis krachteloos gemaakt. Het kwaad zit ’m dus niet in de verbondsgedachte, maar in de vereenzijdiging ervan.
Mooiste handschrift
De doop is geen momentopname, geen puntje op de tijdbalk van ons leven. De doop is een onvervreemdbaar teken dat dag in dag uit op ons leven geschreven staat. Mooi is dat wij zeggen: ‘ik ben gedoopt’, en niet ‘ik was gedoopt’. De doop is nooit verleden tijd, maar altijd tegenwoordige tijd! Gelovig leven uit onze doop betekent dat wij ervan doordrongen zijn dat wij onder Gods stem en heerschappij zijn geplaatst. Hij houdt ons aan Zijn Woord: Hij vraagt van ons hart het geloof in het bloed van Jezus Christus, dat reinigt van alle zonden. Hij vraagt van ons het vertrouwen op Zijn vaderlijke leiding in alle omstandigheden van ons leven. Hij vraagt dat we ons laten leiden door Zijn Geest en geboden om zo tot een dagelijkse vernieuwing van ons leven te komen, gelijkvormig te worden aan het beeld van Zijn Zoon Jezus Christus. Eigenlijk is antwoord 1 van de catechismus een schitterende samenvatting van leven uit de doop: mijn leven hangt aan drie Namen.
Eerlijk is eerlijk… van zulk gelovig leven uit de doop hoor je niet vaak. Zijn we niet bezig onze doop ontzettend te verwaarlozen? En áls de doop al ter sprake komt, is het zo snel oppervlakkig en eenzijdig. Zou dan ons héle geloof niet oppervlakkig en eenzijdig zijn? Verwaarlozing van de doop loopt uit op een verwaarlozen van de Heere. De schrijver van de Hebreeënbrief bindt ons op het hart: ‘Hoe zullen wij dan ontvluchten, als wij zo’n grote zaligheid veronachtzamen’? (Hebr.2:3) Zo’n grote zaligheid… in Gods mooiste handschrift op ons leven geschreven!
En ik kan geen situatie bedenken of ik mag door de doop heen mij aan de Heere vastgrijpen. Er is geen situatie in ons bestaan waarin de doop ons niet op de Heere wijst en werpt. De Heilige Geest leert ons met een beroep op onze doop zeggen: ‘Heere, ik geloof dat U zondaren tot kinderen aanneemt – ook mij; en ik geloof dat U de zonden vergeeft en rechtvaardig verklaart – ook mij; en ik geloof dat U het dode levend maakt, het zwakke versterkt en een nieuw verlangen wekt om U te dienen – ook in mij.’ Dan is leven uit de doop geen kwestie van vallen en opstaan, maar van sterven en opstaan!
Auteur van deze brochure is ds. A.J. Mensink, predikant van de hervormde gemeente te Elburg en voorzitter van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond.
Huisdoop
De geloofsdoop is de nieuwtestamentische doop: de doop volgt op de belijdenis van het geloof. We denken aan de drieduizend op Pinksteren (Hand.2:41), de Ethiopische kamerheer (Hand.8:37), Cornelius (Hand.10:47) en de cipier in Filippi (Hand.16:33). Deze geloofsdoop ligt in lijn met de geloofsbesnijdenis in het Oude Testament. Abraham werd besneden (Gen.17:10) nadat hij zijn geloof in God beleden had (Gen.15:6). Van deze besnijdenis zegt Paulus in Romeinen 4:11 dat dit een zegel van de gerechtigheid van het geloof was. De besnijdenis verzegelde niet Abrahams geloof maar de gerechtigheid van God waarop Abrahams geloof gericht was. Ook de geloofsdoop is geen bewijs van echtheid bij het geloof van de gedoopte, maar bij het Woord van God. Anders zou de doop ook een vergissing kunnen zijn, zoals bij Simon de Tovenaar (Hand.8:13) die achteraf bepaald niet oprecht bleek te zijn.
Van de geloofsbesnijdenis van Abraham is de huisbesnijdenis de bijbelse afgeleide (Gen.17:12). Deze huisbesnijdenis geldt niet alleen Abrahams kinderen, maar ook zijn mannelijke huisgenoten, zoals slaven (Gen.17:23). Waar het gezinshoofd de Heere dient en in deze dienst zijn gezin voorgaat als een leven van geloof en bekering, daar worden ook de huisgenoten in betrokken door hetzelfde teken. In dat licht verbaast het ons niet dat in het Nieuwe Testament op de geloofsdoop ook de huisdoop volgt. Met huisdoop bedoel ik niet dat een christen thuis zijn eigen kinderen (of anderen) mag dopen: de doop hoort thuis in de samenkomst van de gemeente. Ik spreek echter liever over huisdoop dan over kinderdoop, omdat niet het kind-zijn de doorslag geeft voor de doop van zuigelingen, maar het behoren tot een gezin waarin de Heere gediend wordt. In het Nieuwe Testament wordt verschillende keren nadrukkelijk gesproken over de doop van huisgenoten. Als in Handelingen 16:34 gezegd wordt dat de cipier met al zijn huisgenoten tot het geloof in God gekomen was, wekt dat de indruk dat alle huisgenoten tot een persoonlijk geloof waren gekomen. De Herziene Statenvertaling wekt deze indruk, omdat zij het oorspronkelijke woord ‘huis’ niet heeft laten staan (in tegenstelling tot Joz.24:15). Vanuit vers 31 ligt de nadruk op het geloof van de cipier. Vanaf zijn bekering is zijn huis een huis waarin de Heere wordt gediend en aangeroepen.
Waar het Nieuwe Testament over de doop spreekt, is dus niet alleen de praktijk van de geloofsdoop maar ook die van de huisdoop verondersteld. Romeinen 6 gaat ook over de betekenis van onze doop, wanneer wij die als kind ontvangen hebben.
De betekenis van Romeinen 6
Hét hoofdstuk over de betekenis van onze doop is Romeinen 6. Paulus geeft in vers 1-4 geen uitgewerkte, evenwichtige doopleer maar gaat in op een specifieke vraag uit de gemeente. Die vraag ligt op het terrein van de ethiek, de levenswandel van christenen. De gedachte dat een christen niet nauwgezet hoeft te leven omdat er toch genade is, staat haaks op de betekenis van onze doop. We zijn immers gedoopt in de Naam van een gestorven en opgestane Heiland. Zijn dood aan het kruis was niet alleen een dood tot verzoening van onze zonden, maar luidt ook het einde in van ‘de oude mens’.
Dat is de levenswijze waaraan wij ons met onze zondeval verbonden hebben, het leven naar het vlees (Rom.8:1). Die oude mens heeft geen recht van leven meer, de zonde is het recht van spreken ontnomen. Daarom vat Paulus in vers 11 de betekenis van de doop in de Naam van Christus samen als het ‘je dood houden voor de zonde’. De zonde is en blijft een realiteit in het leven van gelovigen (Rom.7:14-26), zij verleidt ons en vecht ons aan, maar wij moeten haar antwoorden dat zij door Christus’ dood alle gezag in ons leven verloren heeft. De doop herinnert ons eraan dat de brug achter ons is opgehaald. Daarom is het volstrekt ondenkbaar dat we nog in de zonde zouden willen leven.
Het is wezenlijk om Romeinen 6 niet heilsordelijk uit te leggen, maar heilshistorisch. Een heilsordelijke uitleg van dit hoofdstuk leest in het sterven en opstaan bij de doop een weergave van de bekering. Het sterven van de oude mens en de opstanding van de nieuwe wordt uitgelegd als het persoonlijk afzweren van het oude leven zonder Christus en het persoonlijk opstaan in een nieuw leven met Hem. Bij deze uitleg is bekering een voorwaarde om gedoopt te kunnen worden. Opvallend is echter dat Paulus in vers 4 niet op parallelle wijze spreekt over het begraven en opstaan, bijvoorbeeld ‘Wij zijn dan met Hem begraven en met Hem opgestaan’.
Over het opstaan spreekt Paulus in een ‘opdat’-zin (‘opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen’, vs.4b). De oude manier van leven (onze oude mens) is definitief en onherroepelijk doodverklaard en begraven door de dood van Christus. In de doop wordt ons dat ook ten aanzien van óns leven verklaard. Wij zijn immers onder de macht van de gestorven en opgestane Zoon van God geplaatst! Dus hebben wij er ons leven lang werk aan om in gehoorzaamheid aan Hem onze oude mens af te leggen (Ef.4:22) en ons tegelijk met de nieuwe mens te bekleden (Ef.4:26). Dat laatste proces wordt in het Nieuwe Testament nergens voorgesteld als iets wat we in dit leven af krijgen.
Tegenover een heilsordelijke uitleg van Romeinen 6 richt een heilshistorische uitleg zich op het beslissende werk van de Heere Jezus in kruis en opstanding, de heilsfeiten. Wat de Heilige Geest met die heilsfeiten in ons leven uitwerkt, noemen we de heilsorde. In de doop worden deze heilsfeiten op ons van toepassing verklaard. Díe moeten de doorslag geven. Vandaar ook het tamelijk juridische taalgebruik in deze brief (schuld, rechtvaardiging, vrijspraak, ‘uzelf rekenen als’). In de doop spreekt de Heere een verklaring over ons uit. Een allesbeslissend woord dat door de dopeling met een belijdenis erkend wordt. Heilshistorisch zijn we dood voor de zonde, geroepen tot leven voor God – heilsordelijk is dat in het leven van de gelovigen ‘dagelijks bezig gestalte te krijgen’.
Gespreksvragen:
1. Hoe kunnen we onszelf en elkaar dagelijks aan onze doop herinneren?
2. Welke vrucht kan een dagelijks verstaan van de doop voor uw geestelijk leven afwerpen?
3. Het is niet altijd vanzelfsprekend geweest dat adoptiekinderen gedoopt konden worden. Waarom zouden we hier juist voorstander van moeten zijn
Verder lezen:
• Matthew Henry, Het teken van de doop. De betekenis en bediening van de kinderdoop. Apeldoorn, 2010
• Ds. J.J. Verhaar, Gedoopt in de Naam. Het doopformulier aan Gods gemeente uitgelegd. Heerenveen, 2017
• James I. Packer, Groeien in Christus. Apeldoorn, 1995 (met name deel II: Doop en bekering)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 2020
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's